maandag 31 juli 2017

De snelkookpan

Ik ben er! Bovenop de Pajariel, de berg die uitkijkt over Ponferrada. Zwetend besef ik dat dit mijn eerste fysieke uitdaging in de buitenlucht is sinds weken. Het was gewoon te heet. Ook nu is het niet koud. Er lijkt een nevel te hangen boven Ponferrada. Luchtvervuiling, ook hier, ondanks de lage bevolkingsdichtheid en het gebrek aan industrieën. Maar El Bierzo is omgeven met bergen. De vervuiling blijft er hangen. En de benauwdheid ook. La Olla, noemen ze El Bierzo hier. De kookpan. Ze gebruiken hier vaak het woord microklimaat om de hoge agrarische productie te verklaren. Sinds kort wordt er zelfs Berciaanse olijfolie geproduceerd. Het lijkt elk jaar warmer te worden. Misschien moeten we El Bierzo binnenkort De Snelkookpan gaan noemen: La Olla Express.

De hitte begon vroeg dit jaar. In juni wezen de thermometers al 40 graden aan. Dat was tijdens een korte, heftige hittegolf. Zelf waren we toen in Nederland waar het overigens ook schitterend weer was. Toen we terugkwamen, klaagden al onze Berciaanse vrienden, familieleden en bekenden dat het een lieve lust was: ‘¡Het was verschrikkelijk, die hitte, wat hadden jullie een mazzel dat jullie in Nederland waren!’ Later in juni werd het gewoon weer fris, maar nu, in juli, is het weer warm. Erg warm.

Ik woon hier te kort (hoewel alweer 8 jaar) om uit eigen ervaring te kunnen concluderen dat er sprake is van klimaatverandering in El Bierzo, maar de afgelopen twee jaren waren de zomers ook al zeer heet. De meeste Bercianen zijn er van overtuigd dat het klimaat veranderd is. Vroeger waren de winters kouder en de zomers koeler, zeggen ze. En het regende veel meer. Gedurende de lange wintermaanden was Ponferrada gehuld in een hardnekkige, dikke mist.


In de verte zie ik de schoorsteenpijpen van de kolencentrale bij Cubillos del Sil, dit keer zonder de gebruikelijke rookpluim. Het is bekend: kolencentrales stoten zeer veel CO2 uit. Het energiebedrijf wil per 2020 de centrale gaan sluiten. Niet milieuoverwegingen maar economische belangen spelen daarbij de hoofdrol. Er is veel protest tegen de voorgenomen sluiting. De werkgelegenheid heeft al zo te lijden gehad onder de crisis en door de verminderde steenkoolproductie. De centrale stookt met name geïmporteerde kolen. Veel goedkoper. En ook dat stuit op verzet. Ze zouden lokale steenkool moeten gebruiken, vinden bijna alle lokale partijen, lokale afdelingen van de nationale politieke partijen, de vakbonden en de lokale pers. Want als ze zouden toegeven dat de steenkoolproductie hier op zijn laatste benen loopt, zou dat een flink verlies aan stemmen of leden opleveren.


Spanje is op zich een land dat relatief veel duurzame energie gebruikt, zeker in vergelijking met Nederland. Er zijn bijvoorbeeld veel waterkrachtcentrales. Vlak boven Ponferrada ligt een groot stuwmeer, hier vanaf de Pajariel net te zien. En op de wat gemakkelijker toegankelijke heuvels staan veel windmolens. Eén van mijn meer technische Nederlandse vrienden, die verleden jaar zomer hier op visite kwam, vertelde me dat hij niet begreep dat Spanje niet meer zonne-energie opwekte. ‘In het midden van Spanje is een enorm grote droge vlakte, waarom zetten ze die niet vol met zonnepanelen? Hoe warmer het wordt, hoe meer duurzame energie je opwekt; da’s volgens de mantra van menig vechtsport: gebruik de kracht van je tegenstander om hem te verslaan.’ Ik gaf hem gelijk.

Laatst las ik een overzicht van hoeveel minder CO2-uitstoot het zou opleveren als je zou besluiten iets niet te doen, minder te doen of op een andere manier te doen. Koploper, met ruime afstand, was: het nemen van een kind minder. Opgelucht nam ik nota van dit bericht. Ik hoefde me dus helemaal niet zo schuldig te voelen over mijn regelmatige vliegreizen naar Amsterdam. Al bijna een jaar getrouwd en nog steeds geen kleine guiri onderweg: boeken maar die vlucht! Maar toen zag ik het trieste ervan in: het ergste wat je het milieu aan kunt doen is iemand met hetzelfde consumptiepatroon als jezelf op de wereld zetten.

Na nog een laatste blik over de vallei van El Bierzo, daal ik één van de smalle paadjes af naar de rivier El Sil. Het begint nu echt warm te worden.

vrijdag 30 juni 2017

NEE JA

Het is een regenachtige woensdagmorgen in Ponferrada. Ik loop met mijn lege boodschappentas over de schouder de trap af naar beneden en kijk op de onderste verdieping aangekomen voor de zekerheid in onze brievenbus of er post is. De bus is helemaal vol. Alweer hebben alle supermarkten van de stad gemeend krantjes te moeten laten bezorgen. Ik haal al dat papier uit de bus, pak ook nog wat losse kranten op die bovenop de brievenbussen liggen en ga naar buiten naar de papiercontainer. Wat een verspilling is dit toch. Eigenlijk zou het ongevraagd verspreiden van drukwerk verboden moeten worden. Maar dat zou natuurlijk wel banen kosten. Soms staan de drukwerkbezorgers voor de buitendeur als ik thuis kom. Dan doe ik meestal zonder te klagen voor ze open, zodat ze toegang hebben tot de brievenbussen. Vaak bellen ze aan. '¡Publicidad!', roepen ze over de intercom. De fysieke afstand maakt het dan gemakkelijker om hun te negeren, maar bijna altijd is er wel een bereidwillige buur die opendoet.

Het lijkt weinig zinvol werk, het rondbrengen van blaadjes die haast niemand leest. Laatst las ik een interessant artikel over het verschijnsel bullshit jobs (HIER). Door de mechanisering, automatisering, robotisering en globalisering verdwijnt er in de Westerse landen steeds meer productiewerk, en wordt de lacune opgevuld met flauwekulbanen. Soms worden die nog goed betaald ook; neem bijvoorbeeld de organisatiedeskundigen, de marketing managers of de human resources managers. Maar ook aan de onderkant van de arbeidsmarkt vindt het verschijnsel plaats. Zo word ik regelmatig gebeld door telefoonmaatschappijen die mij een één of ander abonnement willen verkopen. Het zijn dan meestal verkopers met een zwaar Latijns-Amerikaans accent waar ik als guiri echt geen raad mee weet. Daar lijken ze zich niets van aan te trekken; ze praten ondanks mijn tegenwerpingen gewoon door tot ik de verbinding verbreek.

Hoe weet je of je zelf geen flauwekul baan hebt? Stel je voor dat al je beroepsgenoten in staking gaan; is er dan niemand die daar echt mee kan zitten, nou, dan is je werk zinloos. Zelf heb ik nogal wat werkervaring in het onderwijs en eerlijk gezegd was er geen manier om mijn directe klanten, de leerlingen, blijer te maken dan met de aankondiging van een lerarenstaking. Maar goed, de ouders vonden zo'n staking wel degelijk een probleem; die willen liever niet hun kinderen de hele dag thuis of op de straat hebben, en ik heb hoop dat op de langere termijn mijn leerlingen toch enig nut hebben ingezien van mijn economielessen. Een leraar heeft geen flauwekulbaan, dus. Hetzelfde kan gezegd worden van schoonmakers, verplegers, doktoren, politiemensen en noem maar op. Maar aan organisatiedeskundigen geef ik het gratis advies dat zij er goed aan doen niet in staking te gaan. Ook zal een algemene staking van de telemarketeers niet echt tot maatschappelijk onrust leiden. En zelfs de supermarktketens zouden niet echt last ondervinden van een staking van de drukwerkbezorgers omdat zij met die blaadjes vooral elkaar beconcurreren. Als ze er allemaal mee ophouden, zou dat volgens mij alleen maar een kostenbesparing opleveren.

Ik heb hier in El Bierzo de NEE NEE stickers op de brievenbussen leren waarderen. Het is een systeem dat nodig hier moet worden ingevoerd, al zou het veel van de bezorgers hun baan kosten. Er zijn hier niet zoveel buurtkrantjes maar als ze nou eens iets gingen rondbezorgen dat ik kon waarderen, zou ik een NEE JA sticker plakken. Wat zou het mooi zijn als er werd aangebeld en de bezorger zou roepen: '¡Poesia!' Uit milieuoverwegingen zou ik dan antwoorden: 'Ik hoef het gedicht niet op papier; ¿zoudt u zo vriendelijk willen zijn het over de intercom langzaam voor te dragen?'


vrijdag 19 mei 2017

Geheugenverlies

Het gebeurt me steeds vaker. We zijn net in één van de mooie dorpjes in El Bierzo geweest, hebben daar de traditionele architectuur bewonderd met de huizen gemaakt van klei en keien, met daken van leisteen en houten balkons. We hebben er misschien nog wat gewandeld in de omgeving, wat gedronken in de lokale bar of wat gegeten in een restaurant. We zijn nog maar net uit het dorp vertrokken en ik wil mijn bewondering uiten voor het zojuist aanschouwde, als ik bemerk dat ik de naam van het dorp vergeten ben. Vaak kan ik nog wel ongeveer de klank nabootsen en probeer ik door heel snel te praten met harde medeklinkers en nauwelijks uitgesproken klinkers te klinken als een Spanjaard : ‘¡Karrebrderero was heel mooi, werkelijk!’ Helaas kom ik daar vaak niet mee weg. ‘¿¡Qué¡?’ is meestal de reactie, gevolgd door een lachje waar ongeloof en hoon om voorrang lijken te strijden. Of soms, als mijn reisgenoten al vaker iets dergelijks met me hebben meegemaakt, volgt gewoon een ongeduldige correctie: ¡¡Carrecedelo!!

Langzamerhand begon ik aan mijn geheugen te twijfelen. Zou deze vergeetachtigheid de prijs kunnen zijn die ik betaalde voor mijn vroegere leefstijl? Vijftig jaren Amsterdam laten ongetwijfeld sporen achter. Zou ik moeten kappen met de glaasjes wijn bij het eten of de pinten bier met de mede-guiris? Zou het zo kunnen zijn dat ik echt oud begon te worden? Maar toen begon het me te dagen. Er is iets vreemds aan de hand met de plaatsnamen in El Bierzo. Die zijn uitermate verwarrend. Soms vermoed ik dat het een complot is om de toch wel een heel klein beetje ouder wordende guiri geheugenproblemen aan te praten. Misschien zit de farmaceutische industrie er wel achter. Want als je echt wilt dat mensen de plaatsen onthouden, dan gebruik je toch gewoon namen als ’s Gravenhage, Geertruidenberg of Schiermonnikoog?

Zo gaan we ’s zomers regelmatig zwemmen in een rivier geheten Río Boeza in het dorpje La Ribera de Folgoso. Maar dat weet ik niet helemaal zeker. Want even verder stroomopwaarts, of misschien wel stroomafwaarts, daar wil ik vanaf wezen, ligt het dorpje Folgoso de la Ribera. Is het een grap of een bewuste poging om buitenlanders van dat uitermate prettige rivierstrand weg te houden? Want volgens mij verwisselen ze stiekem elk jaar de twee dorpen van naam. Even verderop ligt het dorpje Boeza, dat ik qua naam dan weer vaak verwar met een ander Berciaans dorpje: Bouzas. En helemaal bovenaan dezelfde rivier, tegen het Cantabrisch gebergte aan, ligt het dorp met de onwaarschijnlijke naam Colinas de Campo de Santiago de Martín Moro Toledano.

Maar er zijn nog veel meer voorbeelden. Vlakbij Carracedo de Compludo ligt de hoogste waterval van El Bierzo, terwijl in Carracedo een belangrijk klooster te bezichtigen is. Carracedo (die van dat klooster) ligt weer vlakbij het dorp Carracedelo. Op zich is dat klooster gemakkelijk te vinden. Je fietst gewoon van Ponferrada naar Camponaraya, bekend van de bodega Viñas del Bierzo met de lekkere bubbelwijn Ardayel, en dan verder naar Cacabelos, één van de parels op de Camino de Santiago, en dan linksaf. Ook een aanradertje is zwemmen in het meer bij het dorp Carucedo. Het water in dat meer is een stuk warmer dan dat in de rivier bij Folgoso de la Ribera of La Ribera de Folgoso, dat verschilt per jaar, of bij Colinas de Campo de Santiago de Martín Moro Toledano.

Ik wil alle Nederlandse lezers van dit blog uitdagen om de voorgaande paragrafen gedurende een minuut of tien aandachtig te bestuderen en dan, via Skype, enkele simpele vragen te beantwoorden zoals: vlakbij welk dorp ligt de hoogste waterval van El Bierzo, in welk dorp valt  een mooi klooster te bezichtigen, bij welk dorp kun je lekker zwemmen in een meer, waar kun je uitstekende bubbeltjeswijn verkrijgen en hoe heet dat vermadelijde dorp helemaal bovenaan de rivier Boeza ook alweer. Wie alle vragen goed beantwoordt, krijgt een gratis wandeling aangeboden van Folgoso de la Ribera naar La Ribera de Folgoso. Of andersom natuurlijk.

Het meer bij Carrecedo Carucedo

vrijdag 28 april 2017

Op reis met Ome Jaap

Hij was niet zomaar een oom; hij was een vriend en en zekere zin een voorbeeld. Ik heb nog steeds het vogelgidsje dat hij me gaf voor mijn tiende verjaardag omdat ik er toen blijk van had gegeven interesse te hebben voor vogels kijken. Hij was de oom die ons aanzette tot studeren, lezen en reizen.

Mijn ouders hielden niet van reizen en al helemaal niet naar het buitenland. Mijn moeder was voor de oorlog wel eens in België geweest toen ze nog op het schip van mijn opa woonde en mijn vader had tijdens de oorlog een nare tijd in Duitsland doorgebracht. Sindsdien was de Veluwe al ver genoeg. Het was mijn Ome Jaap die een vleugje buitenland meebracht naar ons gezin. Ik weet nog goed een keer met Sinterklaas toen mijn moeder een pakketje openmaakte dat een vreemde witte substantie bevatte. Ik was nog een kind en zei: ‘Misschien is het wel een surprise, ma,’ waarop mijn moeder de substantie begon te doorwroeten op zoek naar het verborgen cadeau. Mijn oom schrok op uit zijn overpeinzingen en zei: ‘Nel, dat is Franse kaas.’ De eerste Franse kaas die we aten.

Het was denk ik in 1976 dat mijn oom vond dat mijn broer Willem en ik eens wat meer van de wereld moesten zien. Hij nam ons met de auto mee naar Frankrijk. Het was voor ons beiden de eerste buitenlandse reis. Een wereld ging voor ons open. Ome Jaap leerde ons waarom reizen interessant was, hoe je in het Frans je eten bestelde en om de rekening vroeg, in welke volgorde je de Franse kazen diende te eten. Salles Curan, heette het dorp waar we op de camping municipal verbleven; ik wil er binnenkort weer eens terugkeren; kijken of die bakkerij met dat pruimengebak nog bestaat.

In Frankrijk in 1976

Een andere mooie reis die ik met Ome Jaap maakte was naar China in het jaar 2001. Dit keer was ik het die hem meenam. Mijn Ome Jaap begon al wat ouder te worden, maar genoot nog volop van de reis en stond open voor het avontuur in deze voor ons onbekende cultuur, waarbij we overigens flink werden bijgestaan door mijn goede vriendin Marieke die al jaren in Peking woont. We bezochten vanzelfsprekend De Lange Muur, de diverse keizerlijke paleizen en de Verboden Stad.
In China in 2001
En de laatste reis die ik wil memoreren is die naar El Bierzo. Ik woonde hier toen nog niet, maar het zat er wel een beetje aan te komen. Ik had behoefte aan Jaaps goedkeuring voor een definitieve beslissing. Ik wilde hem kennis laten maken met de streek en onze toekomstige woning aan hem laten zien. Mijn Ana kende hij al. We hadden al een keer bij hem gegeten ergens eind jaren 80, toen Ana nog gewoon een goede vriendin van me was. Sindsdien had hij me regelmatig de wijze raad gegeven: ‘Als je ooit nog wat kan beginnen met dat Spaanse meisje, Roland, moet je dat zeker doen.’

We namen hem mee naar Las Medulas, vanzelfsprekend, omdat hem als geschiedenisleraar deze plek, waar de Romeinen naar goud dolven en daarvoor een hele berg wegspoelden, zou interesseren. En we bezochten de mooiste dorpen van El Bierzo: Villafranca, Peñalba de Santiago en Molinaseca. In dat laatste dorp gingen we zelfs zwemmen, al was het water voor mijn oom iets te koud en waren de stenen waarop hij liep veel te hard en onregelmatig voor zijn oude voeten. We aten onder andere in het lokaal beroemde El Palacio de Canedo en het was daar dat mijn oom zei: ‘Dit is de beste entrecote van mijn hele leven.’ En toen hij later die week bij mijn toekomstige schoonouders met veel smaak botillo, de alom gevreesde gevulde varkensmaag, nuttigde, wist ik dat het goed zat. Jaap gaf stilzwijgend zijn goedkeuring aan de wending die mijn leven zou nemen.
In El Bierzo, Peñalba de Santiago, in 2007

Hij stierf op donderdag 13 april 2017 in het Slotervaartziekenhuis in het bijzijn van mijn broer Willem en zijn vrouw Els, en mijn vrouw Ana en ik. Hij laat een enorme leegte achter.

woensdag 29 maart 2017

Drank en vrouwen

Afgelopen donderdagochtend besloot ik mijn gebruikelijke kopje koffie te nuttigen in mijn favoriete buurtcafé: Café Gijon. Ik vond op de toog een krant, El Mundo dit keer, en zette me aan een tafel. De bardame bracht me mijn café con leche zonder dat ik iets hoefde te bestellen; ik ben een trouwe klant.

Mijn blik viel op de kop van een redactioneel commentaar: ‘Dijsselbloem moet het voorzitterschap van de Europgroep laten vallen'. Ik vermoedde onmiddellijk problemen voor de Nederlandse guiri, die zich vaak gedwongen ziet uitleg te moeten geven over het wangedrag van landgenoten. En dat net op het moment dat Nederland een beetje zijn goede naam had teruggewonnen dankzij de niet al te riante zetelwinst van de populisten in de verkiezingen. Op Facebook circuleerde er een Spaanse handtekeningenactie om het Nederlandse volk hiervoor te danken. Het leek er zelfs op dat de Spanjaarden de karatetrap van Nigel de Jong tijdens de wereldkampioenschappen van 2010 hadden vergeten. En dan heb je daar die Dijsselbloem, met zijn voor Spanjaarden onuitspreekbare naam, die alles weer komt verpesten. Bedankt, Jeroen!

Ik las aandachtig het artikel van El Mundo, waarin de redactie zich zo kwaad had gemaakt, dat de naam van Dijsselbloem verhaspeld werd:
Dijssembloem vergat het institutionele karakter van zijn functie toen hij in een interview met de Duitse krant Die Frankfurter Allgemeine Zeitung van afgelopen maandag beweerde dat de landen van Noord-Europa ‘solidair zijn geweest met de landen die getroffen werden door de crisis’, terwijl de zuidelijke landen het ontvangen geld dat zij ontvingen besteedden aan ‘drank en vrouwen’. Een ongepast commentaar vol stereotypes en vooroordelen voor een dergelijke belangrijke functie van de gezamenlijke landen van de euro.
 Ik kon me haast niet voorstellen dat Dijsselbloem zoiets werkelijk gezegd had. Ik ben het lang niet altijd met hem eens; zo vind ik dat we in Europa tijdens de crisis de economie hadden moeten stimuleren in plaats van te bezuinigen, maar ik ken hem niet als een populist. In elk geval is de veronderstelling dat we in het zuiden van Europa al ons geld opmaken aan drank om twee redenen onjuist: er wordt hier minder gedronken (althans in mijn omgeving) en de meeste alcoholische dranken zijn veel goedkoper. Van vrouwen waar je je geld aan kan besteden, heb ik geen verstand; ik ben een gelukkig getrouwde man.

Na mijn koffie ging ik naar huis om op internet te lezen wat Dijsselbloem nou werkelijk gezegd had. Nou, dit: ‘Ich kann nicht mein ganzes Geld für Schnaps und Frauen ausgeben und anschließend Sie um Ihre Unterstützung bitten. Dieses Prinzip gilt auf persönlicher, lokaler, nationaler und eben auch auf europäischer Ebene.’ Oftewel: ik kan niet al mijn geld aan drank en vrouwen uitgeven en vervolgens U om financiële ondersteuning vragen. Dit principe geldt op persoonlijk, lokaal, nationaal en op Europees niveau.

Dat verschilde behoorlijk van wat El Mundo ervan gemaakt had. Zijn woorden deden me een beetje denken aan het antwoord dat George Best ooit gaf op de vraag wat hij met al zijn geld had gedaan: I spent a lot of money on booze, birds and fast cars. The rest I just squandered (Ik gaf veel geld uit aan drank, vrouwen en snelle auto’s; de rest heb ik gewoon verkwist). En inderdaad is George Best iemand aan wie je beter niet je geld kunt uitlenen. Aan Dijsselbloem wel; die lijkt me erg kredietwaardig en beslist geen feestganger. Hij had het vast en zeker niet werkelijk over zichzelf, maar gebruikte het woord 'ich' meer in de zin van ‘men’. Uit de reacties van El Mundo blijkt wel hoe gevoelig deze zaken liggen; als je echt een hekel hebt aan Dijsselbloem zou je het in de context van het interview kunnen uitleggen als kritiek op de levenshouding in andere landen. Maar op zijn minst had El Mundo toch een letterlijke vertaling moeten geven.

Uit nieuwsgierigheid keek ik wat El País, de grote concurrent van El Mundo, had geschreven. In de sectie Economie vond ik de kop: Dijsselbloem: ‘Ik kan niet mijn geld uitgeven aan alcohol en vrouwen en vervolgens financiële hulp vragen.’ 2-0 voor El País. Da’s bijna een bijna letterlijke vertaling en Dijsselbloem is juist gespeld.
Maar in een ander artikel veranderde El Pais van toon: hij zou in de problemen zitten vanwege ‘….zijn verklaringen in een Duitse krant van afgelopen maandag, waarin hij de zuidelijke landen ervan beschuldigde hun geld aan alcohol en vrouwen te verspillen om vervolgens om hulp te vragen.
Ik denk dat niemand er aan twijfelt dat men eisen kan en moet stellen aan Europese subsidies. Hier in Spanje zijn er een aantal grote schandalen geweest, bijvoorbeeld in Andalucia waar Europees geld dat bestemd was voor de herscholing van werklozen op de rekeningen van politici en vakbondsleiders terecht kwam. Hier in El Bierzo is er veel subsidie gepompt in de steenkoolmijnen, maar waar dat allemaal gebleven is, is voor iedereen een raadsel. Ik denk dat in elk land wel zulke absurde projecten om Europese subsidies binnen te krijgen te vinden zijn. Ik herinner me nog de verontwaardiging in Duitsland toen bleek dat de relatief welvarende regio Flevoland Europese werkgelegenheidssubsidies verkreeg omdat al die arme mensen niet in hun eigen regio werkten, maar 30 kilometer verderop. De EU moet de projecten die de subsidies ontvangen niet alleen beoordelen, maar daarna ook volgen om te zien of het geld ook werkelijk goed besteed wordt.

In deze moeilijke tijden hebben we meer dan ooit een verenigd Europa nodig om de welvaartsstaat te verdedigen en de klimaatverandering tegen te gaan. Dat kan door de globalisering niet meer op nationaal niveau. We moeten er alles aan doen om geen onenigheid te kweken tussen Zuid- en Noord-Europa. Dus, Dijsselbloem, schenk jezelf een borrel in en bied je excuses aan voor wat je niet gezegd hebt en hopelijk ook niet zo hebt bedoeld!

zaterdag 11 maart 2017

De verzwegen anekdote

Ik was er vroeg bij dit jaar. Het duurde vrij lang voordat ik mijn stembescheiden via email en de post had binnengekregen, maar toen het twee weken geleden zo ver was ging ik eerst naar de papierwinkel Ofimay voor het uitdraaien van mijn stembiljet en vervolgens naar het postkantoor aan de overkant van de straat om de envelop te versturen.

Ik woon nu al bijna acht jaar in Spanje, maar ben nog voldoende Nederlander om aan de Nederlandse verkiezingen te mogen meedoen en voel me vooral voldoende Europeaan om mijn pro-Europese progressieve gematigde stem niet verloren te laten gaan, nu zoveel landen geteisterd worden door electoraal vandalisme. Alleen Spanje lijkt te ontsnappen aan deze tendens. Hier is geen noemenswaardige rechts-populistische anti-Europese anti-immigratiepartij actief. Volgens sommigen is dat omdat de herinnering aan de rechtse Franco-dictatuur met al de holle nationalistische retoriek van dien nog te vers in het geheugen ligt; zelf denk ik dat het komt omdat mijn blog hier zoveel gelezen wordt; enfin, de waarheid zal wel weer ergens in het midden liggen.

Het is alweer een tijdje geleden dat ik voor het laatst in Nederland was. Dat was in september van het afgelopen jaar, toen ik bij mijn goeie ouwe Ome Jaap in Osdorp logeerde. Daar had ik de vreemde gewaarwording dat er op de TV door politici en commentatoren tijdens de Algemene Beschouwingen gedebatteerd werd over de wantoestanden die in het rijke Nederland zouden heersen, terwijl ik door het raam zag hoe de bewoners van deze multiculturele wijk langs de gracht in het najaarszonnetje aan het wandelen, fietsen en joggen waren. De dierenambulance redde een gewonde zwaan uit de gracht. De Marokkaanse vrouw van de thuishulp was in de slaapkamer bezig het bed van mijn oom op te maken.

De zondag daarna fietste ik ’s middags via het Vondelpark de binnenstad in omdat een oude vriendin van me haar 50ste verjaardag vierde. Het was de perfecte gelegenheid om vele oude bekenden weer eens te zien. En daar moest natuurlijk uitgebreid bij gedronken worden. In Spanje drink ik eerlijk gezegd minder dan in Nederland; hier zijn vier pilsjes op een avond hooguit het geval als ik op een donderdagavond in het kader van guiris’ night met mijn Engelstalige vrienden op stap ga. Pas toen ik na afloop van het feest naar mijn fiets waggelde en moeite had het slot los te krijgen, besefte ik dat ik zwaar aangeschoten was. Het was ook veel te laat geworden; de trams reden niet meer en taxi’s zijn in Nederland onbetaalbaar, dus dan toch maar op de fiets, zwaar geconcentreerd om het slingeren zoveel mogelijk binnen de perken te houden. En dat lukte wonderwel. Sommige mensen zullen het onverstandig vinden om in beschonken toestand ’s nachts van Amsterdam centrum naar Osdorp te fietsen, dwars door de migrantenwijk Amsterdam-West heen, maar ik ben in deze wijk opgegroeid en voel me er ondanks de vele veranderingen nog steeds thuis. Bij een kruising vlakbij de Sloterplas gebeurde het. Ik stopte voor een auto, mijn voet raakte beklemd tussen pedaal en frame, het is ook ronduit belachelijk hoe weinig ruimte daar is voor het vrij bewegen van je voeten, en ik viel languit op de grond. De auto stopte en een jongeman kwam uit de auto en vroeg met een licht Arabisch accent: ‘Ish allesh goed, mehneer? Beschaamd stond ik op en mompelde iets als ‘jawel, dank je’, en begon weer mijn fiets te bestijgen. Hij keek mij nog even verontrust aan en liep vervolgens hoofdschuddend terug naar zijn auto.

Dit zou natuurlijk een anekdote van niets moeten zijn; dronken man valt van fiets, iemand vraagt of het goed gaat, maar in deze turbulente tijden hebben we misschien wel behoefte aan wat positief nieuws. Ik heb deze anekdote tot nu toe eerlijk gezegd een beetje verzwegen uit een soort trots op mijn nationale identiteit. Een echte Nederlander valt niet van zijn fiets, ook niet als hij gedronken heeft. Maar ja, ik ben de afgelopen jaren toch een beetje in Spanje ingeburgerd, en Spanjaarden, het is bekend, vallen in Amsterdam nu eenmaal regelmatig van hun huurfiets.

De dag erna gingen we met de familie lunchen op een terrasje in de buurt en dat deden we bij een Turks eethuisje op de Osdorperban. De oude man die ons bediende sprak alleen maar Turks, maar daar konden we niet mee zitten; de kaart was in het Nederlands en bovendien met foto’s. Dat hij geen alcohol serveerde, kwam mij op dat moment eigenlijk best goed uit. Mijn schoonzus en ik bestelden een rode linzensoep; mijn broer en oom een kippensoep. Het was heerlijk.

tevreden Nederlanders in Osdorp

zondag 19 februari 2017

¡Gezondheid!

Het is donderdagochtend. Ik kijk uit het raam en zie dat het motregent. De Berciaanse winter schildert de bergtoppen van de Montes Aquilianos wit, maar de straten van Ponferrada grauw. Een trilling in mijn broekzak; een whatsapp-bericht van mijn ochtendstudente. ‘Griep of zwaar verkouden’, schrijft ze. ‘Kan dus niet komen.’ Opeens heb ik de hele ochtend tijd. Dat wordt uitgebreid boodschappen doen. Maar het weer is er niet naar. Dan maar gewoon hier in de straat. Ik trek mijn jas aan, daal de trap af en steek gebukt in de miezerige regen de Avenida de América over. 

Eerst naar de apotheek. Ik haal daar altijd de medicijnen voor de hele familie, en vooral vanwege mijn schoonmoeder zijn dat er nogal wat. Julio, de eigenaar, helpt mij als hij tijd heeft persoonlijk. We  hebben elkaar ooit ontmoet tijdens een bergwandeling en zijn elkaar daarna een enkele keer tegengekomen bij een wijnproeverij van een plaatselijke bodega. En zo worden de gebruikelijke handelingen, als het overhandigen van de ziekteverzekeringskaart en de recepten, het zoeken naar de medicijnen in de kasten achter de toonbank en het afbetalen, afgewisseld met een conversatie over onze gemeenschappelijke hobby’s: ‘¿Ga je nog naar de bergen dit weekeinde?’ ‘Het blijft geloof ik regenen.’ ‘Dan ga ik misschien wel naar die wijnproeverij die de bodega Palacios organiseert.’ ‘Klinkt goed. ¿Waar en wanneer is dat?’

Mijn oog valt op een stapeltje folders dat naast de kassa ligt. ‘Antibiotica alleen op recept bij de apotheek’, lees ik. Deze boodschap versterkt alleen maar mijn vermoeden dat er in Spanje veel gemakkelijker met medicijnen wordt omgegaan dan in Nederland. Voor alle kuchjes, snotneuzen, spierpijntjes en verdrietjes worden pillen geslikt, lijkt het. Ik heb bij de nachtapotheek soms zonder recept medicijnen meegekregen, terwijl op de verpakking toch duidelijk vermeld stond dat deze alleen op doktersvoorschrift gegeven kon worden. Eén van mijn voetbalvrienden vraagt me weleens of ik voor zijn chronische blessure een bepaalde tube zalf wil meenemen naar Nederland, omdat zijn arts het niet wil voorschrijven, laat staan dat een apotheek het zal verkopen. Een student van me vertelde dat hij voor een zware verkoudheid antibiotica kreeg voorgeschreven. Ik was verbaasd. Antibiotica voor een virusziekte? Hij had de voorgeschreven pillen niet had ingenomen vanwege de bijeffecten en was overgegaan was op homeopathische middelen en binnen een paar dagen was de verkoudheid over. Iets wat volgens mij bij verkoudheden een normale zaak is.
Ook dat komt veel voor: in plaats van minder medicijnen gaan mensen die kritisch staan tegenover de farmaceutische industrie homeopathische middelen consumeren en alternatieve artsen consulteren. En ook daar wordt flink veel geld mee verdiend.

Ondertussen heb ik van Julio afscheid genomen en ben ik in de supermarkt verderop op de Avenida de América beland. Vanaf de schappen wordt me met grote letters toegeschreeuwd dat ik me grote zorgen moet maken om mijn gezondheid. ‘Omega 3, onverzadigde vetzuren, verrijkt met calcium, glutenvrij, zonder lactose, zonder toegevoegde suikers’, staat op diverse producten te lezen. Zelfs op een pak suiker staat vermeld dat het geen gluten bevat. Ook ik ontkom niet aan deze gezondheidstrend; ik koop een pak havermout en suikervrije magere yoghurt, volgens vele gezondheidssites het ideale ontbijt om het cholesterolgehalte terug te dringen.

Terwijl ik met mijn volle boodschappentas naar huis loop, merk ik dat het is opgehouden met regenen. Het is zelfs best lekker weer. Het lijkt wel lente. Ik word overspoeld met dadendrang en loop wat sneller door. Straks trek ik mijn sportschoenen aan en aan ga een stukje rennen in de bergen. Want dat is gezond voor geest en lichaam. Althans, dat zeggen ze.

maandag 16 januari 2017

Impressies van een guiri in Vietnam

Ho Chi Minh Stad, voorheen Saigon. Eerste indrukken: tropische hitte, lawaai, chaotische verkeerssituaties, vervuiling, dynamiek. De weg oversteken moet je doen door langzaam maar gestaag door te lopen. De stoep is nauwelijks begaanbaar; waar geen motoren geparkeerd staan zijn mensen dingen aan het verkopen. We strijken neer bij één van die terrasjes met superkleine stoeltjes en tafeltjes om een soep te eten, zoals we zo veel Vietnamezen zien doen. Heerlijk.

Iedereen rijdt op motoren, soms met hele families tegelijk, zelfs met de baby erbij die de fles krijgt terwijl ze door het verkeer slalommen. Voortdurend wordt met toeteren aangegeven: ik kom er aan. Verkeersregels lijken niet te bestaan. Zelfs niet in Sa Dec, de kleinere stad in de Mekong Delta die onze tweede bestemming is. Onze zo betrouwbaar uitziende taxichauffeur blijkt bij de eerste de beste rotonde met vrij veel verkeer gewoon links af te slaan tegen het verkeer in. Met wat getoeter geeft hij de medeweggebruikers aan wat hij van plan is, en die lijken dat allemaal te accepteren. Als westerling vraag je je af hoe de schuldvraag na een ongeluk wordt afgehandeld. Onze gebruikelijke argumenten (ik had voorrang; jij haalde aan de rechterkant in) lijken hier niet te gelden. En ongelukken gebeuren er veel. Ik heb in de twee weken tijd in Vietnam vier keer een motor op de weg zien liggen na een aanrijding.

We zijn in een natuurgebied annex oorlogsmonument in de Mekong delta. Er is een soort attractiepark van gemaakt. Met kano’s varen we langs de hutjes waar de Vietcong in het moeras verstopt zaten. Op het terras van het restaurant worden we omsingeld door een grote groep kinderen op schoolreis. Zij willen hun Engels op ons uitproberen. How are you? I’m fine, thank you. Where are you from? Ik merk dat ik op deze laatste vraag gewoon Spain kan antwoorden. Eindelijk kan ik doorgaan voor een Spanjaard. Ze zien echt het verschil niet. Bovendien kennen ze het woord Holland of The Netherlands niet. Hà Lan, legt één van onze gidsen aan de kinderen uit. Vroeger was het zo gemakkelijk. Dan zei je gewoon Cruyff of beter nog: Kruuf, om je Nederlandse nationaliteit duidelijk te maken. Maar nu kennen ze geen Nederlandse voetballers meer. Cillessen, probeer ik nog, maar zonder resultaat. Rondaldo, die kennen ze wel, en die speelt in Spanje. Ik stel één van de kinderen een andere standaardvraag uit elke methode Engels. What are you hobbies? Selfies, antwoordt ze.


Vanuit de stad Hoi An bezoeken we de Hindoetempels van My son, door de Fransen in de 19e eeuw in de jungle ontdekt en opgegraven. En ze hebben ook de hoofden van alle beelden gestolen, legt onze lokale gids uit. Die zijn nu in het Louvre te bewonderen. In de jaren zestig bombardeerden de Amerikanen het tempelcomplex omdat de Vietcong er een basis had. De gids wijst ons op de diverse bominslagen Eén van de Vietcong soldaten was zijn vader. Die wist net te ontkomen door de jungle in te vluchten. Maar er zijn ook andere verhalen. Enkele dagen later vertelt onze taxichauffeur hoe zijn ouders, boeren in de heuvels rond de stad Hue, hadden geleden onder de onderdrukking door de Vietcong. De meeste mensen praten niet graag over de oorlog. The future is important, zeggen ze. Not the past.

We zijn in de stad Hue in een restaurant terecht gekomen met blauwe plastic stoelen en tafels. Dat staat voor kwaliteit, is mijn hypothese, op basis van een geweldige ervaring in Ho Chi Minh Stad. Het is druk. Grote groepen zitten aan tafel met naast hen op de grond kartonnen dozen vol bierblikjes. De aangeschoten mannen van de tafel naast ons komen omstebeurt een praatje met ons maken in het Engels en het Frans. Ze vieren dat ze net een belangrijk probleem in hun kledingfabriek hebben opgelost. Wat dat probleem precies was komen we niet achter. Eén van hen verandert bij de jongen die ons bedient de door ons gekozen gerechten. Hier moet je geit eten, zegt hij. Hij schuift ons twee blikjes bier uit zijn kartonnen doos toe. Even later eten we goat hot pot. Lekker hoor. De nu echt dronken mannen verlaten het restaurant en nemen in diverse talen afscheid van ons.


Hanoi. Smog. We passen ons aan en dragen net zoals zoveel inwoners monddoekjes. Wat ons opvalt in de Vietnameze steden: niets wijst op prostitutie, drugs of criminaliteit. Dat geeft een veilig gevoel. Afzetten gebeurt wel. Je moet altijd afdingen en van tevoren een prijs afspreken. We zitten op het balkon van een bar en zien beneden ons de gekte van de nieuwjaarsviering. Veel Westerlingen. Zo gemakkelijk herkenbaar. Vergeleken de Vietnamezen lijken ze allemaal op wandelende juten zakken vol aardappelen. Behalve Ana en ik, natuurlijk. Jonge westerlingen lopen in groepen hossend van bar naar bar. Hoe lang zal het duren voor deze Vietnameze steden op de Mediterrane kustplaatsen gaan lijken? Het proces is al aan de gang. Gelukkig hebben we nog veel authentieks gezien. Maar tegelijkertijd ons steentje bijgedragen aan de toeristisering van het land, vanzelfsprekend.

De laatste dagen in Vietnam. De Ha Long baai. Een sprookjesachtige kust met 2000 eilandjes. We verblijven op het grootste eiland. Strand, wandelen, lekker eten, niets doen. Wat een luxe.


Na onze reis blijven we één nacht in Madrid. Klokje rond slapen om de jetlag te verwerken. Madrid is een rustige provinciestad vergeleken Hanoi en Ho Chi Minh stad. We kijken terug op een fascinerende huwelijksreis. Vietnam heeft een enorme toekomst voor zich, zo menen we. We zagen zoveel dynamiek, zoveel werk- en studieijver, zoveel handelslust, zoveel nieuwsgierige jonge mensen. In de bus naar huis verbazen we ons over de nagenoeg verkeersloze snelweg, de leegte van de Castiliaanse hoogvlakte en het feit dat de chauffeur niet één keer zijn toeter gebruikt.

dinsdag 13 december 2016

Werk

Eén keer per week geef ik Engelse les aan een buurjongen. Huiswerk geef ik hem niet, dat heeft hij al genoeg nu hij in de voorlaatste klas van de middelbare school zit. We doen alle oefeningen gewoon tijdens de les; zelfs de luisteroefeningen. Dan leg ik mijn mobiele telefoon op tafel en speel ik een youtubevideo af waarop zo'n test te horen is. Meestal heeft hij aan één keer luisteren genoeg om de vragen te beantwoorden. Hij is snel en soepel van geest.

Engelse luistertesten gaan, vanzelfsprekend, vaak over aspecten van de Britse samenleving. Nou verschilt die over het algemeen niet veel van de Spaanse, maar een enkele keer zie ik me genoodzaakt een kleine toelichting te geven. Dat gebeurde laatst toen ik hem een klein testje gaf, waarbij de eerste vraag te maken had met werk. (Voor mensen die hun Engels willen oefenen: klik hier) We horen een Engelse moeder haar zoon vertellen dat het leuk en aardig is dat hij met zijn vrienden op vakantie gaat, maar dat hij dan wel beter een baantje voor de weekeinden kan zoeken zodat hij een zakcentje verdient. Mijn buurjongen had geen probleem met het geven van het juiste antwoord, maar ik zette de video stil om een markant verschil tussen Engeland en Spanje aan te stippen. In Spanje,of althans in El Bierzo, zou alleen een bijzonder cynische moeder haar kind aanraden een baantje te zoeken. Die zijn er haast niet.

‘Het is namelijk zo,’ begon ik, ‘dat het in Engeland en ook in Nederland vrij gewoon is dat scholieren ’s middags of in het weekeinde werken.’ Omdat ik zag dat het onderwerp zijn aandacht had zag ik mijn kans schoon om met de normaal wat verlegen jongen een heuse Engelse conversatie te hebben. ‘Het gaat dan om krantenjongens of vakkenvullers in de supermarkt. Heb jij een bijbaantje?’ Hij schudde het hoofd. ‘Zijn er schoolmaatjes van je die bijbaantjes hebben?’ Alweer voldeed het schudden van het hoofd als antwoord; dit onderwerp leende zich blijkbaar niet voor een conversatieles. Ik deed een nog laatste wanhopige poging. ‘Ik heb tientallen verschillende banen gehad; misschien wel honderd,’ vertelde ik hem. Vol ongeloof keek hij me aan.

Maar is het is echt waar, als je de uitzendbanen bij Randstand, Manpower en al die andere uitzendbureaus als verschillende banen ziet. Ik heb in de jaren voor, tijdens en direct na mijn studie gewerkt als winkelbediende, afwasser, papierprikker, inpakker, vrachtwagenlosser, lopendebandmedewerker, directiesecretaresse, hondenbelastingcontroleur,  campingmedewerker, kantoorschoonmaker (één dag, maar toch), typist, receptionist, telefonist, en bij heel veel verschillende bedrijven als administratief medewerker. Zelfs toen mijn carrière in een iets rustiger vaarwater terecht kwam en ik mezelf docent begon te noemen, bleef ik tijdens vakanties bijklussen als administratief medewerker en als meefietsende gids op fiets- en vaarvakanties. Niet iedereen had zoveel baantjes, natuurlijk maar bijna al mijn vrienden en later alle kinderen van mijn vrienden hebben ook regelmatig gewerkt tijdens de studie. Op de HBO’s waar ik werkte was het soms zelfs problematisch dat de studenten meer tijd besteedden aan werk dan aan hun studie.

Hoe anders is dat hier. In Spanje is de werkloosheid zo hoog dat veel jongeren zich voorbereiden op een toekomst in het buitenland. Er is natuurlijk volop discussie over hoe dit probleem aan te pakken. De verlaging van de lonen heeft nauwelijks bedrijvigheid aangetrokken, terwijl het wel de binnenlandse vraag heeft geremd. Veel economen zoeken de oplossing in een verhoging van de arbeidsproductiviteit door middel van innovatie of herstructurering van de economie. Ook zijn er die de problemen aan de inefficiënte overheid wijten, zowel bij de overheidsinvesteringen als bij het innen van de belastingen. Het is moeilijk de vinger op de zere plek te leggen, maar het onderwerp leent zich wel voor interessante conversatielessen. Niet met mijn buurjongen hoor, die bleek daar nog wat te jong voor te zijn. Die middag ging ik al gauw over op voetbal; zijn favoriete club Real Madrid had die avond daarvoor immers in de Champions League gespeeld en daar had hij een uitgesproken mening over. 
Aan het werk als gids

maandag 21 november 2016

Echte eigenheimers

Eén van mijn privéstudenten gaat volgend jaar in Nederland wonen. Omdat hij voor een internationaal bedrijf gaat werken geef ik hem Engels. Van Nederlands leert hij de basiswoorden wel via een app, zo vertelde hij me. En met succes. Gggoedendaggg, zo begroet hij me bij het binnenkomen. Vervolgens gaat de conversatie in het Engels verder, maar wel vaak over Nederlandse topics. Zo hebben we het al uitgebreid gehad over de polders, de deltawerken, de Waddenzee, jordaanliederen, fietsen, schaatsen, het Nederlandse openbaar vervoer, de Hollandse eetgewoonten, de dagindeling, het schoolsysteem, enzovoort. Hij staat helemaal open voor het nieuwe avontuur. Toen hij een paar maanden geleden voor zijn sollicitatiegesprek in Nederland was en werd aangenomen, ontving ik van hem een foto waarop hij dat uitgebreid vierde met het nuttigen van een zoute haring aan de staart.

Meestal ga ik helemaal mee in zijn enthousiasme over zijn toekomstige woon- en werkomgeving, maar soms zie ik me toch ook genoodzaakt enkele keerzijden aan te stippen. De drukte, de files, de hoge prijzen, de dure gezondheidszorg en vooral de groeiende ontevredenheid over Europa en de multiculturele samenleving. Daarbij schudden we vaak vol ongeloof het hoofd. Als je in een rijk en goedgeorganiseerd land als Nederland niet tevreden kunt zijn, waar in de wereld in godsnaam dan wel? Maar goed, het allerergste moet ik hem nog uitleggen. En het is noodzakelijk, want hij heeft schoolgaande kinderen. Ik zie er echt tegen op. Maar binnenkort zal ik het toch echt met hem over de zwartepietendiscussie moeten hebben.

Ja, ik ben hier in Spanje helemaal op de hoogte. Er is geen ontkomen aan. Via Facebook ontvang ik van die berichten, die dan de verontrustende titel ‘Nederland moet Nederland blijven’ dragen, waarbij zwarte piet als symbool van Nederlandse trots wordt gepresenteerd. Iets waar ‘ze’ van af moeten blijven. Vroeger was volgens mij de aardappel een nationaal symbool. Net zo vreemd als een zwartgeschminkte blanke, eigenlijk. Een knol uit Zuid-Amerika. Mijn moeder zei vaak: ‘We zijn nu eenmaal echte aardappeleters.’ Eigenheimers, was ook een woord dat ze vaak gebruikte om Nederlanders te typeren. De Hollandse eetgewoonten zijn sindsdien flink veranderd. En eigenlijk is de hele samenleving erg veranderd. Nederland is gemotoriseerd, geautomatiseerd, gedigitaliseerd, veramerikaniseerd, vercommercialiseerd, geprivatiseerd, geherstructureerd, geïnternationaliseerd. Maar bij een paarse piet of een schoorsteenpiet menen velen de hakken in de grond te moeten zetten. Ik ben soms zelfs bang dat het een belangrijk item bij de komende verkiezingen in Nederland zal worden. En dat we dankzij de zwartepietendiscussie in hetzelfde politieke vaarwater als de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk terecht komen.

Maar goed, ik ga het binnenkort mijn student proberen uit te leggen, wellicht met een vergelijking tussen de stierengevechtdiscussie in Spanje en de zwartepietdiscussie. Er zijn parallellen, immers. In beide gevallen gaat het om een tegenstelling tussen traditie en ethiek. In beide gevallen gaat het om een symbool van nationale trots waar de ‘anderen’ (in het Spaanse geval de Catalanen) niet aan mogen komen. Zowel het stierenvechten als zwarte piet wordt door tegenstanders als ‘niet van deze tijd’ gezien en beide tradities zijn internationaal gezien nogal controversieel. Zowel in Nederland als in Spanje lopen de demonstraties tegen het fenomeen soms volkomen uit de hand.

Ik hoop dat ik met mijn student over de zwartepietendiscussie net zo’n goed gesprek zal hebben als ik ooit had met één van mijn kameraden op de voetbalclub, toen ik hem vroeg of hij naar het Sinterklaasfeest voor de F-pupillen zou gaan. ‘Wij Surinamers houden niet van Sinterklaas,’ antwoordde hij toen. Ik had hem nog nooit eerder over ‘wij Surinamers’ horen spreken. Ik was verbaasd dat de kwestie blijkbaar zo gevoelig lag, maar nadat hij het me op die trainingsavond had uitgelegd, was ik om. Als leraar Engels hou ik mijn eigen mening natuurlijk voor me. Ik zal voorzichtig openen met: Tell me, what’s your opinion about bullfighting?


vrijdag 14 oktober 2016

Onrust op El Pajariel

De laatste jaren lijkt het alsof de zomer zich uitstrekt tot half oktober. Afgelopen weekeinde was het werkelijk heerlijk weer. Het zonnetje scheen zonder dat dat leidde tot de ondraaglijke hitte die we deze zomer beleefden. Dat vroeg natuurlijk om buitenactiviteiten. De zaterdagochtend is traditiegetrouw voor de markt, een terras en uitgebreid koken. Zaterdagmiddag pakte ik de mountainbike en reed een mooie route waarbij ik deze foto maakte:


We kijken vanaf El Pajariel, de kleine bergrug die van de Montes Aquilianes naar Ponferrada loopt, in de zuidwestelijke richting. Onderaan zien we nog net wat huisjes van het dorp Toral de Merayo. Het is volkomen windstil; er heerst een absolute rust. Het ruikt naar bergkruiden en dennen.

De zondagmorgen schreeuwde om meer buitenactiviteiten. Dit keer ging ik te voet. Mijn plan was om te rennen in de richting van Toral de Merayo tot ik zou aankomen bij een klein paadje naar boven, te steil om te rennen, dat via een puinhelling en een jong eikenbos naar de top van El Pajariel leidt. Op zondagmorgen is het druk bij El Pajariel; vooral als het mooi weer is. Overal waren wandelaars, mensen met kinderen op fietsen, renners. Er heerste bijna een campingsfeer. Althans, totdat ik begon te rennen richting Toral de Morayo. Mijn paadje naar boven bleek te zijn afgesloten met een lint waaraan een tekening van een wild zwijn bungelde. Ook alle andere paden omhoog of omlaag naar de rivier waren afgesloten. Overal op het pad stonden auto’s. Er klonk geblaf, geschreeuw en schoten. Ik hoorde een wild zwijn in doodsangst of pijn krijsen. Op dat moment haatte ik de jacht.

Normaal gesproken ben ik niet zo fanatiek. Als ik in een restaurant wild zwijn of hert op het menu zie staan, neem ik het wel eens, juist omdat het uitgesproken scharrelvlees is, en niet, zoals zo vaak, afkomstig van beesten die hun leven lang gemarteld zijn om maar zo snel mogelijk te groeien. Hier in El Bierzo, en eigenlijk overal in Spanje, hoort de jacht bij het normale dorpsleven. Een paar jaar geleden, toen ik regelmatig in het hospitaal op ziektebezoek was, liet een familielid van één de andere patiënten vol trots een foto rondgaan van hemzelf, wat vrienden en wel 20 dode everzwijnen op een rij op de grond. ‘¿Wat gaan jullie doen met al dat vlees?’ vroeg ik toen, waarop hij me wantrouwig aankeek. ‘Daar heb je weer zo’n stadse natuurliefhebber,’ leek hij te denken, terwijl ik eigenlijk alleen maar nieuwsgierig was.

In Spanje gaat men veel gemakkelijker met de dood om, althans als het om dieren gaat. Niet alleen van het doden van een stier wordt een feest gemaakt (hoewel niet hier in El Bierzo), maar zo ook van het slachten van een varken. La matanza, noemen ze dat. Een student van mij vertelde dat hij als klein jochie bij de slacht aanwezig was en dat zijn gezicht met het bloed van het beest besmeurd werd als een soort inwijdingsrite. Hij klonk nog steeds licht getraumatiseerd.

En al rennende over het enige pad dat niet was afgesloten, ging ik door me te ergeren. Is dit allemaal wel legaal? Mogen ze wel zomaar een hele bergrug zo vlak bij de stad aflsuiten? En waarom moet dat op een zondagmorgen als iedereen van de natuur genieten wil? Wat een tegenstelling, die kinderen op een kindermountainbikeje en die woeste mannen met geweren. Waarom doen ze dit niet op een regenachtige maandagmorgen. Kijk ze nou eens staan wachten tot de honden een zwijn hun kant opjagen om dan op hun gemak aan te leggen. Is dat nou sport?

Toen besloot ik rechtsomkeert te maken. De dag was te mooi voor ergernissen. Het was de hoogste tijd voor een aperitiefje op een terras.

vrijdag 30 september 2016

Peter Pan

Veel mensen van mijn generatie, met name de mannen, lijken te weigeren om volwassen te worden. Ook al hebben we een vaste baan, verantwoordelijkheden, gezin, echtgenote – ja ook ik ben nu een getrouwd man - , huis, grotemensenprobemen, we koesteren de puber of de student in ons. De Engelse term laddism lijkt de lading aardig te dekken. De schrijver Nick Hornby heeft met zijn boeken Fever Pitch (over voetbal) en High Fidelity (over popmuziek) mooi beschreven hoe volwassen mannen op kunnen gaan in een lullig spelletje dat voetbal toch is, of elkaar bezighouden met het maken van top tien lijstjes van de mooiste solo's uit de geschiedenis van de popmuziek.

Hier in Spanje gebruikt men de term Peter Pan om mannelijke oudere jongeren aan te duiden, en ja, ook ik en een groot deel van mijn Nederlandse vrienden worden soms zo genoemd. In ons geval hielden we ons niet zozeer bezig met lijstjes van voetbalmomenten of gitaarsolo's, maar gingen we elke zaterdag lekker voetballen tegen andere ouwe knarren. Ook bleven we maar spelen in bandjes, ook al zou dat nooit wat worden. Dat zijn misschien wel de kenmerkende hobby's van de lad, Peter Pan of oudere jongere: voetbal, popmuziek en bier. Lange tijd heb ik de late zaterdagmiddagen dat ik na een voetbalwedstrijd en een uitgebreide derde helft met de voetbaltas over het stuur langzaam langs de Amstel terug naar huis fietste beschouwd als een onmisbaar element van mijn bestaan.

Natuurlijk miste ik dat sfeertje toen ik in Ponferrada kwam wonen. Je bouwt niet zomaar een vriendenkring op; daar had ik in Amsterdam immers zo'n 50 jaar over gedaan. Zou ik dan eindelijk volwassen worden? Hier in deze bergachtige omgeving met diepe valleien, snelstromende rivieren en watervallen die zo ideaal lijkt voor een ronddwarrelende Peter Pan? Gelukkig niet. Ik ontmoette de guiris (scheldnaam voor de typische toerist, ook als geuzennaam gebruikt), waardoor ik in een Nick Hornby boek terecht lijk te zijn gekomen. Deze collega’s, de meesten afkomstig uit Engelstalige landen, houden van bier en van lijstjes en quizvragen over voetbal. 'Wat is de top drie van buitenlandse spelers die het meest scoorden tegen Manchester United op Old Trafford op regenachtige zondagen?' kan één van hen tijdens onze bijeenkomsten in café Chelsea opeens vragen.

En ook de actieve muziekbeleving is teruggekomen. Bij ons in de buurt is de Little John Bar, waar voor wie het maar wil gitaren, microfoons en een drumstel ter beschikking staan. Een geweldig concept. Ik heb er al met wat lokale Peter Pans ruige rocknummers gespeeld. Eén keer ben ik na een avondje bierdrinken en laddism met de guiris op weg naar huis de bar binnengelopen en was er een mondharmonicaspeler aanwezig die per se met mij Chiquitita van Abba wou spelen. Gelukkig zijn daar geen opnamen van gemaakt.

Tijdens de dagen rondom mijn bruiloft was ik, behalve een oppassende aanstaande echtgenoot, een Spaanse Peter Pan, een Engelse lad en een Nederlandse oudere jongere tegelijkertijd. Met de vrienden van popgroep ´t Weiland en Flanders Fields speelden wij in de Little John Bar op de vrijgezellenavond. Op het huwelijksfeest zelf zongen mijn vrienden en vriendinnen een ode aan ons Amsterdams samenzijn. Ze zongen het lied twee keer; hieronder de video van de laatste versie toen het feest op z'n eind liep en we allemaal op ons Peter Pans waren.

video

woensdag 31 augustus 2016

De hele papierwinkel

Hier verderop in de straat is een papelería, een papierwinkel, geheten Ofimay. Ik ben een trouwe klant. Omdat we zelf geen printer hebben, zend ik gedurende het schooljaar bijna dagelijks mijn Engelse en Duitse grammaticaoefeningen naar het emailadres van de winkel. Als ik daar aankom staat de eigenares Belén me meestal al op te wachten met een glimlach en het pakketje A4’tjes paraat. Natuurlijk koop ik er ook mijn pennen, schriften, nietjes en andere zaken die meestal in een papelería verkocht worden.

Regelmatig moet ik er ook kopieën van mijn paspoort, van mijn NIE (número de identidad de extranjero), van mijn diploma´s en van andere officiële documenten maken. Want ondanks de Europese Unie gaat emigreren van Nederland naar Spanje gepaard met een hele papierwinkel. Toen Belén weer eens wat officiële papieren aan het kopiëren was probeerde ik een woordgrap te maken; in het Nederlands is het immers best grappig dat je die hele papierwinkel in een papierwinkel moet kopiëren. Zoals zo vaak bij het letterlijk vertalen van humor, oogstte mijn opmerking ‘Qué papelería ¿no?’ slechts verwarring. Papeleo is het woord voor bureacratische rompslomp en een papelería is een winkel waar je schrijfwaren koopt. 

Heel veel papierwinkel komt voort uit het feit dat de belastingen en de sociale zekerheid nationaal geregeld zijn. En iemand zoals ik die in Spanje woont, maar ook nog af en toe in Nederland werkt, loopt dan onvermijdelijk regelmatig tegen een bureaucratische muur aan. Een enkele keer levert de bureaucratie me ook een klusje op, omdat hier veel gepensioneerde remigranten wonen die het Nederlands niet voldoende beheersen om de formele brieven van de Nederlandse instanties te begrijpen, laat staan om een telefoongesprek met een Nederlandse ambtenaar van de belastingdienst te voeren.

Normaal gesproken zijn de maanden augustus en juli rustige maanden voor de kopieermachine van de papierwinkel Ofimay, maar zo niet dit jaar. De reden: Ana en ik besloten te trouwen en wel op 6 augustus. Dat besluit werd reeds in het vroege voorjaar genomen. We gingen gewapend met de volgens ons benodigde papieren naar het stadhuis om het één en ander te regelen. Toen ik na enkele weken een brief kreeg van de gemeente Ponferrada waarin vermeld stond dat er toestemming werd gegeven voor ons huwelijk, trok ik bij de middagmaaltijd een lekkere fles Arayel, de lokale champagne, open. Dat bleek iets te vroeg gejuicht.

Pas ergens in juni werd ons duidelijk dat we ook naar het bevolkingsregister moesten en daar gaven ze ons een lijstje met de benodigde formulieren. Dit leverde de nodige telefoongesprekken op met het Amsterdamse bevolkingsregister en uiteindelijk vroeg ik via internet een aantal documenten op die volgens mij de lading wel dekten. Maar helaas, toen ik met een stapeltje kersverse uitdraaien uit de printer van papierwinkel Ofimay naar het bevolkingsregister in Ponferrada toog, maakten ze me duidelijk dat ik een Fe de Vida, een bewijs van leven, nodig had van de Nederlandse ambassade in Madrid en dat de tijd echt begon te dringen als we echt op 6 augustus wilden trouwen. Toen ik de Nederlandse ambassade belde, zeiden ze me dat ze een inschrijving bij de gemeente Ponferrada nodig hadden van niet meer dan 3 maanden oud. De mijne was 5 jaar oud. Bij het stadhuis vertelden ze me dat ik het formulier over een week zou kunnen ophalen. Pas een paar weken voor het officiële huwelijk, dus eigenlijk veel te laat, hadden we alle papieren op orde en togen we met twee getuigen naar het bevolkingsregister om daar onze aanvraag voor ons huwelijk officieel in te dienen. We waren al druk in de weer met het bedenken van een alternatieve ceremonie voor als het officiële huwelijk, waar we zoveel mensen voor hadden uitgenodigd, niet door zou gaan. Uiteindelijk zijn we, dankzij wat hulp van een welwillende ambtenaar, toch nog op de 6e voor de wet getrouwd en hebben we dat uitbundig gevierd.

Officieel is er binnen de Europese Unie sprake van vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen. Aan dat vrije verkeer van personen moet nog wat gewerkt worden, heb ik als Europese migrant gemerkt. En het wordt de hoogste tijd dat vrij verkeer van liefde ook geregeld wordt. In het Verdrag van Ponferrada, stel ik voor.


donderdag 30 juni 2016

Balada para mi muerte en Ponferrada

Dit keer geen Brief uit El Bierzo, maar een lied uit El Bierzo.

De muziek heb ik gepikt van Astor Piazzolla. Ik hoorde de tango, geheten Balada para mi Muerte, voor het eerst op Koninginnedag ergens in de jaren 80 op de Nieuwmarkt in Amsterdam, waar de groep Tango Cuarto speelde (om te zien en te luisteren, klik HIER). Het was een onvergetelijke ervaring.

Mijn eigen versie is gebaseerd op het feit dat de woorden Buenos Aires en Ponferrada hetzelfde ritme hebben, zodat Moriré en Buenos Aires (ik zal sterven in Buenos Aires) vervangen kon worden door Moriré en Ponferrada. De tweede zin van de originele tango: Será de la madrugada (het zal in de ochtendschemering zijn) heb ik vervangen door Será en un supermercado (het zal in een supermarkt zijn) en vandaar uit ben ik verder gaan verzinnen.

Door te klikken op de foto hieronder kan men mijn versie (met de Engelse ondertiteling indien gewenst) horen, iets wat ik zowel fanatieke Piazzolla-liefhebbers als toonhoogtefundamentalisten ten stelligste afraad.

https://www.youtube.com/watch?v=UncMydNGOhw

dinsdag 31 mei 2016

Komt naar El Bierzo allemaal ....

In maart kondigden de Europese kanaries het in de parken met hun knerpende zang al aan, maar dat bleek voorbarig. April werd een natte, bewolkte maand. Maar ergens begin mei brak de zon door de wolken en mistflarden heen. Er volgden enkele warme dagen, die de natuur deden ontwaken. Bloemen en bloesems namen bezit van de dalen, terwijl op de bergtoppen nog sneeuw lag. Toen ik tijdens een wandeling langs de rivier El Sil net buiten Ponferrada de eerste wielewaal van het jaar hoorde, wist ik het zeker; de winterjas kan opgeborgen worden; het is lente!

Het mooie weer maakt Ponferrrada gelijk gezelliger. Kom je in de winter tijdens een wandeling door het oude centrum soms nauwelijks iemand tegen, nu lopen veel mensen ’s middags een rondje. Buiten worden voor de deuren van de cafés tafels en stoelen bijgezet nu het niet meer alleen de verstokte rokers zijn die daar hun drankje en hapje nuttigen, maar ook families, scholieren en toeristen op de terrassen neerstrijken.

De meeste toeristen die Ponferrada aandoen zijn pelgrims, te voet onderweg naar Santiago de Compostela. Na de oneindige Castiliaanse hoogvlakte en de tocht over de Montes de León moet El Bierzo voor hen een verademing zijn. Ze komen voornamelijk uit Europa en Amerika, maar ook steeds meer uit Azië. De Aziaten lopen meestal met lichte tred, hetgeen je niet van alle westerlingen kunt zeggen. Je ziet de minder getrainde pelgrims soms moeizaam strompelen door de binnenstad, geplaagd door blaren en spierpijn, op zoek naar een restaurant dat eten serveert ver voor de gebruikelijke tijd van de Spaanse avondmaaltijd.

Als ik ze op straat tegenkom, kijken ze me vaak aan alsof ze me zouden moeten kennen. Een buitenlander, net als zij, dat moet wel een medepelgrim zijn. Om de één of andere reden vind ik dat niet prettig. Ik ben nu immers een geïntegreerde immigrant in de Berciaanse samenleving? En ik heb toch zeker een boodschappentas in mijn hand met daarin verse groenten en vis? Ik ga koken, hoor, want ik woon hier! Onwillekeurig ga ik dan een beetje veerkrachtiger lopen, om maar te laten zien dat ik beslist geen last heb stramme ledematen of blaren. Ik heb zelfs wel eens overwogen om een colbert met overhemd en das te gaan dragen om maar niet voor een pelgrim te worden aangezien, maar heb dat plan weer laten varen toen ik besefte dat ik dan verward zou kunnen worden met één van de Amerikaanse mormonen die hier in pak door de stad dwalen op zoek naar mensen die ze kunnen bekeren.

Ik heb niets tegen pelgrims, hoor. Sterker nog, ik ben er zelf één geweest. El Camino de Santiago is vooral een gezellige tocht, die misschien niet altijd door de mooiste stukken natuur heen gaat, maar wel langs de belangrijkste stadjes en dorpen. Onderweg ga je steeds meer deel uitmaken van een wandelend dorp omdat je in elke overnachtingsplaats wel weer mensen tegenkomt die je eerder hebt ontmoet. Toen mijn vriend Freek en ik in Santiago waren aangekomen en we daar enkele dagen verbleven, hadden we de vreemde gewaarwording dat we in die voor ons onbekende stad veel meer bekenden tegenkwamen dan in Amsterdam.

Ik heb niet het idee dat alle pelgrims zich van hun omgeving zeer bewust zijn. Ze lopen lichtelijk gehaast de meest populaire route, El Camino Francés, met slechts oog voor de gele pijlen die de weg wijzen. Sommigen zijn zelfs in staat delen af te snijden door de drukke straatweg te volgen. Sinds enkele jaren is ook de zogenaamde Camino del Invierno bewegwijzerd, maar deze veel mooiere route wordt tot nu toe door de overgrote meerderheid van de pelgrims genegeerd. En zo missen ze best veel. De natuur is uitbundig, de bergdorpjes zijn soms half vervallen en met onverharde straten maar juist daardoor zo authentiek. Er is veel te zien in El Bierzo, voor wie er de tijd voor neemt. Maar volg niet de gele pijlen, volg de wielewaal.


woensdag 13 april 2016

Vogels in de lucht

We stonden wat te drinken in een kroeg, mijn Engelse collega, een Spaanse advocaat en ik, toen we het op de één of andere manier kregen over de uitdrukking ‘Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht.’ De Spanjaarden zeggen: ‘Een vogel in de hand is meer waard dan honderd die vliegen.’ (Más vale un pájaro en la mano que ciento volando). De Engelsen zeggen: ‘Een vogel in de hand is twee vogels in het struikgewas waard.’ (A bird in the hand is worth two in the bush). En wij Nederlanders zitten dus met die tien vogels in de lucht tussen de Spanjaarden en de Engelsen in. ‘Hier moet je over schrijven in je blog,’ zei mijn Engelse collega met een glunderend gezicht. Een verzoeknummer, dus dit keer.

De verschillen in aantallen vogels in dezelfde uitdrukking geeft natuurlijk alle aanleiding tot gespeculeer over de verschillen in volksaard. Maar als er één ding is dat je leert als emigrant is het wel dat zoiets als de Nederlandse of de Spaanse volksaard helemaal niet bestaat. Daarvoor is de diversiteit tussen de inwoners van een land gewoonweg te groot. Gelukkig maar.

Maar vooruit maar met wat zinloze speculaties. Waar de vogels in de lucht en in het struikgewas op lijken te wijzen is een verschil in de manier waarop er met zekerheden en risico’s wordt omgegaan. Een verschil in ondernemerschap, wellicht. De Engelsen lijken dan het meest ondernemend te zijn. Zij hebben maar twee kansen nodig om een zekerheid op te geven. Dan komen de Nederlanders met tien kansen. En het minst ondernemend zouden dan de Spanjaarden moeten zijn die maar liefst meer dan honderd kansen nodig hebben om een zekerheid op te geven. Deze volgorde komt overeen met die van de lijst landen in The Global Entrepreneurship Index (voor de lijst, klik HIER). Daarin staat het Verenigd Koninkrijk op nummer 9, Nederland op nummer 13 en Spanje op de 32e plaats. Ook in het dagelijks leven zie ik hier een Spanje een hang naar zekerheid. Ik ken heel veel mensen die zich voorbereiden voor zogenaamde oposiciones, de staatsexamens die toegang geven tot een felbegeerde baan als ambtenaar. Zelfs voor een paar vacatures voor leraar van een bepaald vak melden zich duizenden kandidaten voor het examen aan om maar de sociale zekerheid van het ambtenaarschap te verkrijgen. Een behoorlijk verschil met Nederland, waar scholen vaak moeite hebben een geschikte kandidaat te vinden.

Toch is er volgens mij niet echt sprake van een mentaliteitsverschil tussen Spanje en Nederland als het gaat om ondernemerschap. Het zijn de omstandigheden die verschillen. De nog steeds voortdurende crisis in Spanje maakt van ondernemen een hachelijke zaak. De wetgeving in Spanje helpt ook niet echt mee om als kleine zelfstandige te beginnen. Er is een overdaad aan regels en de sociale premies die je moet afdragen zijn een vast bedrag, onafhankelijk van je inkomen.

De hoge score van de Scandinavische landen in de eerder genoemde ondernemerschaplijst wijst volgens mij op een positief verband tussen de ontwikkeling van de verzorgingsstaat en ondernemerschap (hoewel de VS nummer één staat en een minder ontwikkelde verzorgingsstaat heeft). Het lijkt logisch. Als je weet dat je altijd terug kunt vallen op een subsidie of uitkering is het gemakkelijker risico’s te nemen. Hier in Spanje bestaan dergelijke voorzieningen nauwelijks. Alleen de werkenden bouwen pensioen op, AOW bestaat niet, bijstand is hooguit € 400 per maand zelfs voor families met kinderen hebt en zoiets als huursubsidie of kinderbijslag bestaat ook al niet.

Zelf ben ik overigens tot nu toe helemaal niet zo’n ondernemer geweest. Ik heb wel plannen gehad, hoor. Warme zuurkool- en boerenkoolmaaltijden verkopen op treinstations (had ik zelf behoefte aan toen ik ver van huis avondlessen gaf), een reisorganisatie voor meerdaagse fietstochten in Nederland (bleek al te bestaan; ben toen maar voor zo’n bedrijf gaan werken als gids); een alternatieve Amsterdamse voetbalbond oprichten voor amateurs omdat we het keer op keer niet eens waren met de KNVB-programmering, en hier in Spanje BAP; El Bierzo a Pie, voor al uw wandeltochten in El Bierzo. Altijd schrok ik terug voor de rompslomp. Maar de Nederlandse sociale zekerheid heeft me wel altijd een gevoel van vrijheid gegeven. Daardoor kon ik Politieke Wetenschappen studeren bij de Universiteit van Amsterdam, terwijl ik wist dat de arbeidsmarkt niet echt zat te wachten op afgestudeerde politicologen. Enkele aanbiedingen voor saaie vaste banen heb ik afgeslagen en ik ben gewoon blijven aanklooien met tijdelijke contracten, afgewisseld met leuke zomerklussen als gids of campingmedewerker. En zelfs ben ik op me ouwe dag nog een ongewis Spaans avontuur aangegaan, in de verwachting dat bij eventuele terugkeer met hangende pootjes de Nederlandse bijstandswet uitkomst zou kunnen bieden. Verzorgingsstaat maakt vrij. En die vrijheid maakt het mogelijk minder waarde te hechten aan dat vogeltje in je hand en achter één van die vogels in de lucht aan te hollen.

zaterdag 19 maart 2016

De schaamte voorbij

Het is het noodlot van elke emigrant: je wordt aangesproken op uitspraken of daden van landgenoten die de internationale pers halen. Ik noem maar wat: de overtredingen van het Nederlandse voetbalteam in de finale van de wereldcup in Zuid-Afrika; uitspraken van Geert Wilders over Marokkanen; demonstraties tegen opvangcentra voor vluchtelingen; het pleiten voor bezuinigingen in Europa door Nederlandse ministers. Natuurlijk heb ik niets te maken met die profvoetballers, extreemrechtse demonstranten of populistische en neoliberale politici. Ik voel me helemaal niet verwant met mensen die wel mijn taal spreken maar ver van mijn denkwereld staan. Toch heb ik soms het gevoel dat ik me moet verantwoorden.

Afgelopen week was het het gedrag van PSV-supporters dat eerst uitgebreid in de Spaanse pers werd belicht en vervolgens nieuwsuitzendingen over de gehele wereld wist te halen. De beelden waren ronduit gênant. Vanaf een terras op het Plaza Mayor in Madrid gooiden de supporters muntstukken op de grond die bedelende zigeunervrouwen met hoofddoekjes graaiend verzamelden. Eén supporter stak omringd door wanhopige vrouwen provocerend een bankbiljet in de fik. Ze lieten de vrouwen push-ups te maken in ruil voor geld. Nou moeten individuele of groepsdaden niet altijd tot wereldnieuws worden gebombardeerd. Er zijn altijd wel gekken die zich misdragen, zeker in de voetbalwereld. Maar het gedrag van deze Nederlanders leek symbool te staan voor iets groters en veel fundamentelers: de groeiende weerzin tegen de minderbedeelde vreemdeling. De beelden toonden de arrogantie van deze jongeren die zich niet leken te schamen voor hun misplaatste superioriteitsgevoelens. Natuurlijk heeft dat te maken met de zoveel veranderde mentaliteit over minderhedenkwesties. Gesteund door uitspraken van populistische politici, internetfora en treitertelevisieprogramma’s fulmineert men zonder enige terughoudendheid tegen andere rassen, godsdiensten en culturen, iets waarop sinds de Tweede Wereldoorlog toch een zeker taboe heeft geheerst. Het verheerlijken van de eigen stam is in deze onzekere tijden weer de trend geworden.

De dag na de wedstrijd liep ik hier door de buurt met een schoudertas vol paperassen en lesboeken. Ik had een beetje haast, want ik zat net tussen twee lessen Engels in. In de verte zag ik een oudere Spanjaard op me af komen die duidelijk van zins was me aan te spreken. ‘Oh oh’, dacht ik. Ik had deze man als eens ontmoet op een zondagmorgen bij de bakker. Daar had hij me uitgebreid verteld over zijn verleden als emigrant in Nederland of Duitsland, daar wil ik vanaf wezen, want eerlijk gezegd had ik van zijn Spaanse gemurmel bitter weinig begrepen. Ik kon hem onmogelijk ontwijken, want hij begon al van enkele meters afstand tegen me te praten met zinnen waarin ik met moeite de woorden ‘voetbalsupporters’, ‘bedelaars’, ‘Eindhoven’, en ‘belachelijk’ herkende. Niet van zins het gedrag van de supporters ook maar enigszins te vergoelijken antwoordde ik in termen van: ‘Inderdaad, een schande, hoe halen ze het in het hoofd.’ Niet luisterend praatte hij door en langzamerhand begon het tot me door te dringen dat hij niet het gedrag van de PSV-supporters veroordeelde, zoals zovele andere Spanjaarden, maar juist vond dat ze volkomen gelijk hadden: die bedelaars hadden hier niets te zoeken; die kwamen maar naar dit land zonder dat ze probeerden werk te vinden. Dit was eigenlijk nog veel erger dan te worden aangesproken op het wangedrag van mijn landgenoten. Ik wees verontschuldigend op mijn schoudertas en zei: ‘ik moet werken’, en maakte me uit de voeten. Terwijl ik de man achter me hoorde doorpraten besloot ik me nooit meer verantwoordelijk te voelen voor het gedrag of uitlatingen van mensen waar ik weinig mee gemeen heb.

zaterdag 27 februari 2016

Polderar

Mijn laatste blog post eindigde vrij positief over de toekomst van Spanje. Volgens mij hadden de laatste verkiezingen uitzicht gegeven op een iets betere toekomst. Ach ja, hoe gaat zoiets? Het liep tegen het nieuwe jaar en dan is men vol goede voornemens en hoopvolle verwachtingen over wat de toekomst gaat brengen. Helaas ben ik in het nieuwe jaar uit Nederland teruggekomen met een behoorlijk zware griep onder de leden, hetgeen zeker niet bijdraagt aan een positieve gemoedsstemming. Extra chagrijnig was ik van deze griep omdat ik, voor het eerst van mijn leven, gevaccineerd ben. Dat was in oktober, toen we met schoonmoeder naar de dokter gingen om voor haar een griepprik te halen, waarop de verpleegster zei: ‘Jullie moeten er ook één, hoor, want dat kan besmetting bij haar voorkomen.’ En nu heb ik de zwaarste griep te verduren gekregen die ik me kan heugen, terwijl mijn schoonmoeder zelf deze winter volkomen griepvrij lijkt door te komen.

Ook het weer zat niet mee. Donkere, trieste dagen met enorm veel regen; daar wordt een mens niet vrolijk van. In Nederland was ik weer mensen tegengekomen die uitriepen: ‘Woon je in Spanje? Wat heerlijk!! Altijd mooi weer!’ Zij zijn kennelijk nooit ‘s winters in Noordwest-Spanje geweest. Regelmatig waaien Atlantische depressies de vallei van El Bierzo binnen om hier te blijven hangen tot de allerlaatste druppel regen is gevallen. Zelfs de gemeente Ponferrada lijkt de overvloedige regenval het liefst te ontkennen; veel straten zijn geplaveid met tegels die spekglad worden als het regent. Mediterrane straattegels in een Atlantisch klimaat: geen goed idee.

En nu geven de landelijke politieke ontwikkelingen ook nog weinig uitzicht op een verbetering. Mijn hoop was gevestigd op de nieuwe partijen die redelijk scoorden bij de laatste verkiezingen: Podemos (soort SP van linkse politicologen) en Ciudadanos (soort D’66). Een opluchting na zovele jaren dominantie van de twee grote partijen. Maar nu het moment is aangebroken om een coalitie te gaan vormen lijkt dat niet te lukken. Dat bijna alle partijen de Partido Popular van Rajoy willen uitsluiten van regeringsdeelname kan ik me voorstellen. De ‘casos de corrupción’ waarin de PP betrokken is stapelen zich maar op. Ik werd bevangen door een gevoel van plaatsvervangende schaamte toen President Rajoy in Brussel toestemming ging vragen om in een lager tempo het Spaanse begrotingstekort terug te dringen. Op zich ben ik voor een stimulerend begrotingsbeleid in tijden van economische crisis, maar misschien komt dit idee niet zo overtuigend over als het afkomstig is van de leider van een partij waarvan zovele politici betrokken zijn bij financiële schandalen. De bijdrage van de corruptie aan het overheidstekort is onbecijferbaar, maar het moet om aanzienlijke bedragen gaan; veel zinloze overheidsprojecten worden tegen extra hoge bedragen uitbesteed aan bevriende bouwbedrijven in ruil voor illegale stortingen in de partijkas of op de rekeningen van individuele politici.

Het gekke is dat ook de nieuwe partijen helemaal niet een coalitie lijken te willen aangaan. Podemos en Ciudadanos sluiten elkaar uit. Waarom in godsnaam? Is het de eeuwige polarisatie tussen links en rechts? Je hoort hier bij het ene kamp of het andere, of het nu om voetbal of om politiek gaat. Officieel heeft het linkse Podemos het ‘Deense model’ omhelst en afscheid genomen van hun meer revolutionaire ideeën, al wil de leider Pablo Iglesias nog wel eens met zijn vuist zwaaien. Als ze maar niet denken dat je in Spanje in één regeringsperiode naar het Deense niveau van verzorgingsstaat kunt tillen. Zoiets kost tijd. En moeite. En daarvoor is veel samenwerking vereist.

Het ontbreekt hier in Spanje aan een overlegcultuur. Zelfs iets eenvoudigs als werkoverleg kent men hier nauwelijks. Er wordt van bovenaf bepaald. In de politiek is men gewend dat één partij de regering vormt. Het wordt tijd dat men hier leert polderen. ¡Vamos a polderar!


zondag 27 december 2015

Kerst 2015

Ook dit jaar breng ik de maanden december en januari in Nederland door. Even bijbeunen op de business school, zeg ik graag gekscherend tegen mijn vrienden om mijn tijdelijke terugkeer in hun gelederen te verklaren. Even mijn oude vak als economie- en statistiekleraar (lecturer economics and statistics klinkt beter) uitoefenen om het gevoel niet kwijt te raken. En natuurlijk en passant ook mijn familieleden en Nederlandse vrienden te zien, mijn stamkroeg Scharrebier te bezoeken en een potje te voetballen bij mijn geliefde club afc TABA.

Ik logeer hier bij mijn ome Jaap in Osdorp. We doen niet echt aan kerst. We hebben geen boom gekocht. Als kind vond ik dat geweldig. Zo’n boom kopen bij een straatverkoper, het liefst de allergrootste natuurlijk, en dan naar huis dragen en daar optuigen. De eerste dagen rook het hele huis naar het dennenbos. En na de kerst was er de traditie van de kerstboomfikken. In Spanje zie je geen kerstboomverkopers op straat. Daar doet men meer aan kerststallen. Thuis, in winkeletalages, en zelfs worden ze zo hoog mogelijk een berg opgedragen om daar in de sneeuw achtergelaten te worden.

Een ander verschil in de kersttraditie zijn de kerstkaarten. In Nederland liggen de winkels vol; in Spanje zijn ze sporadisch aanwezig. ‘Haal maar 40 kerstpostzegels en kaarten voor me,’ zei mijn oom me toen ik vroeg of hij nog iets nodig had. Daarna had hij uren werk met het schrijven. Deed mij ook aan vroeger denken. Met de agenda in de hand kerstkaarten schrijven. In de loop der jaren begon ik het steeds meer als verloren tijd, moeite en geld te beschouwen. Ik schreef alleen nog maar aan mensen die mij schreven. Met het gestage verdwijnen van de generatie van mijn ouders werden dat er steeds minder. De komst van internet heeft de laatste papieren kerstkaarten uit mijn leven doen verdwijnen, terwijl het verschijnsel digitale kerstkaart zijn intrede deed. Ik ontvang van alle kanten wenskaarten: via Facebook, via email, via Whatsapp. Ja, ook wij hebben een kaartje gemaakt. Je moet wel. Iedereen doet het, zelfs de Spanjaarden. Bovendien is het eigenlijk best leuk; een beetje creativiteit en niet dat gedoe met postzegels en kaarten. Mijn oom is het daar niet mee eens. Hij schrijft zich liever een kromme hand dan dat hij toe zou geven dat internet een voordeel kan hebben.

Enfin, in zowel Spanje als Nederland heeft de digitale wenskaart wel een indrukwekkende opmars gemaakt, en hierbij dus onze bijdrage aan dit fenomeen. Zelfgemaakt door mijn vrouw Ana en ik, waarbij ik niet zonder trots kan vermelden dat ik de tekst heb verzonnen. Het is eigenlijk alleen een nieuwjaarskaart. Met oud en nieuw heb ik meer dan met Kerst. Goede voornemens en zo. Over enkele dagen, als de laatste seconden van het jaar 2015 wegtikken, zal ik met mijn vrouw Ana en mijn oom hier in Osdorp voor het raam staan te wachten tot verderop in het centrum van Amsterdam het vuurwerk losbarst. Dan zullen we proosten, mijn vrouw en ik, op onze toekomst in Spanje. Want voor mij is Nederland oud en tamelijk zorgwekkend; een relatief welvarend land met grote weerstand die welstand te delen met bijvoorbeeld oorlogsvluchtelingen. Spoken uit een duister verleden lijken er weer rond te waren. Nieuw en hoopgevend is voor mij Spanje, waar de laatste verkiezingsuitslag uitzicht heeft gegeven op een iets betere toekomst. Laat het zo zijn.
Gelukkig 2016!

zaterdag 28 november 2015

Over televisie en geroosterde paprika's

Laatst vroeg iemand inde kroeg me: ‘¿Wat is het grootste verschil tussen je leven hier in dat in Nederland?’ Ik stond daar met mijn biertje in mijn ene hand en in mijn andere hand een stukje stokbrood met tortilla en ik wist daardoor even niets anders te noemen dan: ‘Dat je hier in El Bierzo bij een zeer goedkoop biertje gratis een pincho krijgt en dat mensen in een kroeg zo enorm langzaam drinken.’ In één teug dronk ik het pilsje leeg en keek om me heen of ik nog wat verschillen kon vinden. Toen viel mijn oog op de televisie die hoog in de hoek aan de muur hing. ‘En dat in bijna alle kroegen en restaurants een tv aanstaat.’

Het is een terreur; altijd die televisie in de kroegen en restaurants. En de kwaliteit van de programma’s is vaak zo waanzinnig laag. Ik weet eigenlijk niet of de televisie in het algemeen in Spanje slechter is dan die in Nederland. In Nederland hangen geen televisies in alle kroegen, dus daar word je niet geconfronteerd met de pulp die de hele dag lang worden uitgezonden.  Hier in Spanje worden in de weekeinden non-stop voetbalwedstrijden uitgezonden, maar op doordeweekse dagen zijn de zogenaamde tertulias populair. Praatprogramma’s waarbij mensen hard schreeuwen en vooral niet naar elkaar luisteren. De deelnemers zijn vaak door de media gecreëerde beroemde Spanjaarden, met een grote voorliefde voor botoxweduwes van stierenvechters, geen idee waarom.

De programmering van de publieke zenders wordt hier min of meer bepaald door de regering. Ik ben hier in Spanje het Nederlandse omroepstelsel gaan waarderen, omdat het tenminste af en toe een kwaliteitsprogramma oplevert. Hier worden bij een regeringswisseling ook de programma’s en de presentatoren voor een deel vervangen. Dat gebeurde bijvoorbeeld met mijn geliefde soap Amar en tiempos revueltos, misschien niet echt een kwaliteitsprogramma, ik geef het toe, maar daar kijken we met de gehele familie naar. Na de komst van de regering Rajoy ging het populaire programma naar een commerciële zender, vermoedelijk omdat zelfs deze serie te nadrukkelijk sociale en politieke kwesties aan de orde stelde.

Het vreemde is dat in Spanje de linksgetinte maatschappijkritische programma’s vooral op de commerciële omroepen te vinden zijn. En dat levert soms wat pijnlijke situaties op, omdat de presentatoren en de acteurs tijdens de veelvuldige onderbrekingen ook aan de reclameboodschappen meewerken.  Zo zien we tegenwoordig dat Manolita, de sympathieke bardame uit mijn favoriete serie, matrassen van een bepaald merk moet aanprijzen en haar knullige echtgenoot Marcelino reclame maakt voor tandimplantaten. De weerman gaat vloeiend over van een waarschuwing voor een naderend onweersfront op de voordelen van een inbraakverzekering voor je huis. Wat echt plaatsvervangende schaamte oproept is dat sommige presentatoren van het programma El Intermedio, waarin de spot wordt gedreven met de corruptiezaken van de regerende Partido Popular en de Catalaanse CiU (en veel te weinig met die van de PSOE), zich even later gedwongen voelen om Amstel Bier aan te prijzen.

Gelukkig is er ook de lokale televisiezender van El Bierzo. Het is de enige zender waarvan ik de reclamespots graag mag zien. ‘Kijk, dat is dat restaurant waar we laatst gegeten hebben,’ roepen we dan naar elkaar. In de actualiteitenprogramma’s zien we gebeurtenissen waar we zelf bij geweest zijn of eigenlijk aanwezig hadden moeten zijn.  Laatst zaten te kijken naar een programma op Bierzo TV over de paprikaoogst. Er werd een man geïnterviewd met veel kennis van zaken en zijn functie verscheen onderaan het beeld: El Presidente del Consejo Regulador del Pimiento Asado de El Bierzo.  Ik schoot in de lach. Mijn huisgenoten keken me verbaasd aan. ‘¿Waarom lach je?’ ‘Als je zijn functie in het Nederlands vertaalt, klinkt het erg grappig,’ antwoordde ik. President van de Reguleringsraad van de Geroosterde paprika van El Bierzo. Mijn uitleg stuitte op onbegrip. Ik probeerde me te nader te verklaren. ‘Dat zou in Nederland zoiets zijn als President van de Reguleringsraad van Patat met Mayonaise.’ Niemand lachte. Voordat ze dachten dat alleen Nederlanders stompzinnig zouden lachen om iets dergelijks voegde ik toe: ‘Volgens mij is het in het Engels ook grappig: The President of the Regulatory Council of the Bercian Roasted Pepper; dat doet denken Montys Python’s Ministry of Silly Walks.’ Nog steeds was niemand overtuigd van het humoristische gehalte van de functie van de man. Ik probeerde het ten einde raad ook in het Duits: ‘De Duitsers zouden zeggen: Der President des Regulierungsrat der Bercianischen gegrillten Paprika, dat is toch jereinste Kafka!’ Uiteindelijk gaf het op en luisterde naar wat de man op de tv te zeggen had, en wat bleek? Het was enorm interessant wat hij te vertellen had over de oogst van dit jaar en de verwerking van de paprika’s tot de beroemde ingemaakte geroosterde paprika’s van El Bierzo. Een mens is nooit te oud om wat te leren.



dinsdag 20 oktober 2015

km0

Ben ik op mijn ouwe dag toch nog ergens een overtuigd aanhanger van geworden. Nee, niet van een voetbalclub. Mijn voorkeur voor fc Barcelona is flink bekoeld nu Xavi Hernandez niet meer speelt. Sowieso lijkt het voetbal aan corruptie- en belastingschandalen ten onder te gaan, en ik twijfel er niet aan dat daar binnenkort nog wat dopingschandalen bovenop komen. Nee, ik ben ook geen aanhanger geworden van een politieke partij. Ik blijf de politiek van een afstand kritisch volgen, ook al vind ik de opkomst van de nieuwe partijen in Spanje als Ciudadanos en Podemos een hoopgevende ontwikkeling. Het nationalisme dat in Europa tegenwoordig zo in zwang lijkt te kan me ook niet boeien. De Catalaanse nationalisten, de Castiliaanse anticatalanen, de Nederlandse pro-zwartepietenbeweging; het komt bij mij allemaal over als het zoeken naar een identiteit die er allang niet meer is, als-ie er ooit al geweest is. Nee, ik ben langzamerhand overtuigd aanhanger geworden van de kilometro zero trend, of hoe dat ook in het Nederlands moge heten. Het eten van voedsel dat afkomstig is uit de directe omgeving.

Eigenlijk was mijn moeder zonder het zelf te weten al een aanhanger van km0. Zij gaf altijd hoog op van de Hollandse bloemkool, aardbeien van de koude grond, echte Nederlandse eigenheimers, en noem maar op. Toen ik mijn vakanties buiten Nederland begon door te brengen sprak ik haar als man van de wereld soms tegen: ‘Ma, in Frankrijk en Spanje zijn de groenten echt minstens net zo lekker als hier.’ Maar nu ben ik geneigd mijn moeder alsnog gelijk te geven. Natuurlijk dacht zij indertijd niet aan de mogelijke positieve milieu-effecten van het consumeren van de groenten van nationale grond; de CO2-uitstoot was toen nog geen issue. Zij had het gewoon over smaak. Wat van dichtbij komt is verser en dus lekkerder.

Ook hier in El Bierzo heeft altijd een onuitgesproken km0-gedachte geleefd. De Bercianen zijn trots op de reinetten, kastanjes, kersen, conference-peren en paprika’s. Op de markt worden groente en fruit altijd als Berciaans aangeprijsd. Bij veel kleine groentewinkels staan speciale schappen met daarin producten uit de regio, die diezelfde morgen bij de boeren zijn opgehaald. Ook de restaurants doen volop mee; deze weken zijn er de jaarlijkse Jornadas Gastronómicas de El Bierzo met menu’s waarin regionale ingredienten zijn verwerkt.

Tegenwoordig wordt het eten van voedsel uit de regio vooral aangeprijsd vanwege de positieve effecten op het milieu en het stimuleren van de regionale economie en werkgelegenheid Wat mij betreft zijn de milieueffecten van het lokaal geproduceerde voedsel mooi meegenomen, maar ik ben vooral aanhanger van de km0 omdat ik het leuk vind om te zien waar mijn eten vandaan komt. Het doet me goed te wandelen door de wijngaarden waarvan ik weet dat ik een jaar later de wijn zal drinken. Ik heb overigens zo’n donkerbruin vermoeden dat als ik de wijn in de supermarkt koop deze beduidend meer dan 0 km heeft afgelegd: eerst van de bodega naar een distributiepunt ergens in Spanje en dan weer terug naar de supermarkt in El Bierzo. Hetzelfde zal wel eens kunnen gelden voor de potjes geroosterde paprika’s, de ingemaakte kastanjes en andere producten waar El Bierzo op vermeld staat.

Als kersverse aanhanger van de km0-beweging laat ik me tegenwoordig door de slager in de overdekte markt uitgebreid informeren over waar het arme lammetje waarvan ik de koteletjes koop heeft rondgelopen, meestal rond de dorpen San Lorenzo en Molinaseca hier vlakbij. Een Rioja sla ik als wijn bij de maaltijd met geringschatting af. Als ik appels uit Holland in de schappen zie liggen trek ik een pruillip en als ik lees dat de tomaten uit Holland komen loopt er een heuse rilling over mijn rug. Maar toen ik in september bij de Albert Heijn in Osdorp een Bierzo-wijn zag liggen, kocht ik gelijk enthousiast een paar flessen, ook al hadden die net zo’n lange reis afgelegd als ikzelf. Niets 0km; gewoon regionale trots. En lekker!