donderdag 24 mei 2012

Corralito


‘¿Zullen we in Spanje een corralito beleven?’ vroeg Ana me nadat we naar verontrustende berichten op het journaal hadden gekeken. Verbaasd keek ik haar aan. Corralito? Nooit van gehoord. Het bleek een bekende term in de Spaanssprekende landen te zijn. Het komt van Argentinië, het jaar 2001, toen de Argentijnse regering de peso loskoppelde van de dollar en alle banktegoeden bevroor om een kapitaalvlucht te voorkomen. We hadden het nu dus over iets dat we tot nu toe niet voor mogelijk hadden gehouden. Dat Spanje uit de euro gaat. Daar zou ik als leraar economie eigenlijk een glashelder beeld van moeten hebben.

Ach ja, de economische wetenschap. Een gedragswetenschap, zo leg ik mijn studenten altijd uit. En zeker geen exacte wetenschap. Want het gedrag van mensen is in wezen onvoorspelbaar. En zeker als je zelf deel uitmaakt van hetgeen je onderzoekt. Het gedrag van konijnen kun je als mens bijvoorbeeld redelijk objectief bestuderen. Maar stel dat een konijn het gedrag van konijnen zou bestuderen. Dan zou dat konijn, als het zelf over veel wortels zou beschikken, al snel concluderen dat het voor de konijnenpopulatie als geheel nu eenmaal het beste is als de zwakkeren het onderspit delven en de sterken overblijven om zich vooral veel voort te planten. Zou het konijn zelf over weinig wortels beschikken dan wordt een theorie van een eerlijker verdeling van de wortels en de voortplanting waarschijnlijker. Mijn studenten reageren meestal verward op dit verhaal. ‘Wat hebben we nou voor een idioot voor de klas staan?’ zie je ze dan denken.

Nee, in de economie bestaan geen absolute waarheden. Al hoor je die wel vaak verkondigd worden. Bijvoorbeeld dat de ‘markt’ altijd gelijk heeft. De grootst mogelijke onzin. Dat blijkt toch wel uit de huidige crisis. En dat bleek al tijdens de tulpenmanie in de 17e eeuw in Holland. Toen werden er kapitale bedragen betaald voor tulpen. Tot die markt uiteenspatte. Net als nu de markt van onroerend goed. De markt laat zien dat veel mensen vaak achter elkaar aan rennen, ook als eigenlijk wel duidelijk is dat het de verkeerde richting is. ‘We zijn in oorlog met de markten,’ is een andere waarheid die ik wel hoor verkondigen. Vreemde zaak. Waarschijnlijk wordt er gedoeld op de grote spelers op de markt. De mensen willen graag iemand de schuld kunnen geven. De bankiers bijvoorbeeld. Of de kredietbeoordelaars. Standard & Poor´s, Moody´s en Fitch behoren nu in Spanje misschien wel tot de meest gehate instituten. Voor een deel lijkt dat onterecht. De boodschapper van het slechte nieuws krijgt de schuld. Je hoeft niet bepaald een geniale econoom te zijn om een land met een werkloosheid van 24% en enorme binnenlandse schulden minder kredietwaardig te achten, zeker als het taboe op het verlaten van de eurozone wordt opgeheven. Maar de kredietbeoordelaars geven niet alleen een beoordeling (waarbij ze in het verleden de nodige blunders hebben gemaakt, overigens), maar doen ook aanbevelingen. En dat doen ze vanuit een bepaalde economische theorie. Die van dat konijn met veel wortels. Er moet bezuinigd worden. Zelfs op onderwijs. Ontslagen. Gesaneerd. Geprivatiseerd. En als de huidige regering dat dan doet en dat niet het gewenste effect heeft, nou, dan verlagen ze de status van Spanje gewoon weer. Want natuurlijk kijken ze niet echt naar het beleid, maar gewoon naar het resultaat: de werkloosheid, de tekorten, de schulden.

Enfin, die avond na het nieuws zaten we dus te bomen over de toekomst. Spanje de euro uit? Terug naar de peseta? Zal het daarna beter gaan? Spanje zal dan goedkoper worden voor het buitenland, maar de koopkracht zal dalen. En Nederland? Euro´s of terug naar de gulden? En wat zou dat allemaal voor ons betekenen? Het werd ons bang te moede.

donderdag 10 mei 2012

Efficiënt vergaderen


‘¿Gaan we?’ vroeg Ana. Met tegenzin legde ik mijn boek op de tafel en trok mijn schoenen aan. Aan vergaderen heb ik altijd een bloedhekel gehad, of het nou schoolvergaderingen betrof of algemene ledenvergaderingen van de voetbalclub. En deze vergadering zou voor mij wellicht moeilijk te volgen zijn. Vol technische en financiële details. De vergadering van de comunidad de los vecinos. De vereniging van eigenaren van onze flat. In Nederland heb ik nog nooit zo´n vergadering bijgewoond. Ik heb altijd gehuurd bij een woningbouwvereniging. Dat was eigenlijk best wel praktisch. Weinig gezeur aan je hoofd. Door de overheid geregelde huurstijgingen. Als er iets echt stuk was dan belde je de technische dienst. Hier in Spanje is het sociale huren veel zeldzamer. De meeste mensen kopen een huis. Dat heeft bij het uitbreken van de crisis nog voor heel wat problemen gezorgd. Zeer veel mensen konden hun hypotheek niet meer betalen en liepen zo een erg hoge schuld op, terwijl het huis zelf in waarde daalde. Een huurschuld loopt minder snel op. Wellicht dat de uitgebreide sociale huursector een uitstekende buffer vormde bij het uitbreken van de kredietcrisis in Nederland.

‘¿Waar gaan we eigenlijk vergaderen?’ vroeg ik Ana toen we in de lift stonden. ‘Beneden,’ antwoordde ze. Ze drukte op de de knop met het minteken en vervolgens op de één. De lift zette zich in beweging. ‘Ik kan natuurlijk ook alvast wat kopen voor la cena (avondeten) terwijl jij vergadert, lekker cecina (een soort runderham, een regionale specialiteit) bijvoorbeeld,’ probeerde ik. Ze trapte er niet in. ‘Daar hebben we na de vergadering nog best tijd voor.’ We stapten de lift uit en kwamen bij de parkeergarage onder onze flat uit. Tot mijn verbazing stonden de overige buren daar al in een kring opgesteld. Zouden we echt in de parkeergarage gaan vergaderen?

We vergaderden daadwerkelijk in de parkeergarage. Het was er niet warm. De meesten van ons hadden hun winterjassen aan. Het ging over onderhoud, schoonmaak, reparaties, de financiën, enfin, de zaken waar je als eigenaren van gemeenschappelijke ruimtes nu eenmaal over moet vergaderen. Maar de locatie was echt wat ongelukkig gekozen. Zo af en toe moest de kring van vergaderaars verbroken worden omdat er een auto de parkeergarage binnen kwam gereden. Vervolgens moest die persoon onder toeziend oog van de hele goegemeente in de kleine ruimte de auto parkeren, om daarna met een schuldig gezicht, vanwege het niet aanwezig zijn bij de vergadering of misschien wel vanwege de slordige parkeertechniek, zich naar de deur te begeven. Een vergadering staand in een koude ruimte met onderbrekingen vanwege auto´s die in- of uitparkeren en af en toe het geluid van stromend water in het buizenstelsel als één van de buren boven het toilet had bezocht heeft één groot voordeel: er worden geen onnodige vragen gesteld. ‘Nou, dat viel toch best mee?’ vroeg Ana toen we even later bij de vleeswarenafdeling van de supermarkt La Familia op onze beurt stonden te wachten.

Misschien zou de anekdote over deze vergadering nooit de pagina´s van dit blog gehaald hebben, als we maanden later niet in één of andere stad, ik geloof Salamanca, met de auto voor een stoplicht hadden gestaan toen er in het gebouw langs de straat de deur van een parkeergarage openging. In de parkeergarage stond een groep mensen in een kring met elkaar te praten. ‘Kijk, een vergadering van de comunidad de los vecinos,’ constateerde Ana. Verbaasd keek ik haar aan. ‘¿Maar vinden die vergaderingen dan altijd plaats in parkeergarages?’ ‘Ik geloof het wel.’ Ik was er nog niet eens helemaal van overtuigd dat ik hier iets ´typisch Spaans´had aangetroffen tot er weer een paar weken later op de televisie een journaalitem te zien was dat ging over het feit dat comunidades de vecinos vanwege de crisis niet genoeg geld bij de leden kunnen ophalen, waardoor er veel noodzakelijk onderhoud achterwege blijft. Terwijl de voice-over deze droevige mededelingen deed, waren er beelden te zien van een groep mensen die in een parkeergarage stonden te vergaderen. Een voor alle Spanjaarden herkenbaar beeld, blijkbaar. En zover ik weet ik in Nederland zeer ongebruikelijk. Maar misschien wel iets om te imiteren. Wil je kort en efficiënt vergaderen? Doe dat in een parkeergarage!


 (het hele journaalitem is HIER te zien op, vanaf minuut 34.50 ongeveer)

zondag 29 april 2012

Hoogmoed voor de val


Emigreren is niet meer wat het geweest is. Dankzij internet kan ik de Nederlandse kranten lezen, televisieprogramma´s zien, de top-2000 beluisteren, videochatten, mailen, kortom, ik ben meestal vrij goed op de hoogte van wat er allemaal in Nederland gebeurt en dat zonder schotel aan de gevel. Maar afgelopen weekeinde was ik even niet online. We waren dat weekeinde met de schoonouders op visite bij de schoonzus in een piepklein dorpje bij Salamanca. Op zondagochtend gingen we met z´n tweetjes naar het stadje Alba de Tormes, waar ooit de beruchte Hertog van Alva (Duque de Alba) leefde. Daar kochten we lekker vers brood en El País. En natuurlijk namen we in een bar een aperitiefje. We zaten heerlijk aan een tafeltje met ons drankje en een hapje en bladerden elk in een katern van de dikke zondagskrant. Ik gaf een klein kreet je van vreugde. Enkele mannen keken even verstoord om van de televisie waar een formule-1-race op werd uitgezonden. ‘¿Heeft Mourinho ontslag genomen?’ vroeg Ana. ‘Beter nog’, antwoordde ik, de Nederlandse regering is gevallen!’ Enthousiast las ik haar de kop van het artikel in El País voor. ‘¿En is dat goed nieuws?’ vroeg ze.

‘Ja, ik heb me geschaamd voor dit kabinet. Een minderheidsregering van christendemocraten en liberalen, gedoogd door populisten. Wie heeft dat bedacht? Best goed hoor, dat de ontevredenheid met de multiculturele samenleving een stem in het parlement heeft, maar om nou helemaal van die ontevredenen afhankelijk te worden lijkt me een minder goed plan. Het ging soms ook wel een beetje ver. Oorlog met de islam, was de maatschappelijke analyse van Wilders. Daar hoor je hem overigens niet meer over. Is die oorlog dan opeens voorbij of was het een lege slogan? Wat ik ook altijd zo gek vind is dat de aanhang van dit soort partijen altijd verbonden worden met ‘ het volk’. Eén van de meest misbruikte woorden uit de geschiedenis. Waarom behoren de redelijke mensen niet het volk? De meerderheid moet toch zeker niets hebben van die extremistische moslimhaat?

Maar ook de zelfingenomenheid die Nederland binnen Europa uitstraalde begon me meer en meer tegen te staan. Dat men dingen zei als: ‘Eindelijk heeft de Griekse regering een groot aantal ambtenaren ontslagen.’ Ik weet dat de Griekse regeringen veel zaken fout hebben gedaan, maar dat is nog geen reden om blij te zijn met het ontslag van mensen die daar niets aan kunnen doen. Het verbaasde me ook niets dat de recessie in Nederland bij vele Europeanen een soort leedvermaak opriep. Opeens bleek het voor het rijke Nederland heel moeilijk om te bezuinigen, terwijl dat eerder van  andere landen op pedante wijze werd geëist.

Laten we hopen dat Nederland een redelijk, sociaaldenkend, pro-Europees, realistisch kabinet krijgt, dat niet alleen wil bezuinigen maar ook hervormen en stimuleren. Want wat er in West-Europa na de tweede wereldoorlog is gebeurd is vrij uniek. Nog nooit is het algemene welstandsniveau ergens zo hoog geweest, en dat zonder dat er vrijheden voor hoefden te worden opgegeven. Het is alles waard om het systeem van beteugeld kapitalisme in stand proberen te houden, al was het alleen maar omdat je vanuit de betrekkelijke welstand ruimte overhoudt om na te denken over de toekomst; het milieu; de eindigheid van de natuurlijke bronnen. Dat doe je echt niet als je niet genoeg te eten hebt. Dat unieke Europese project moet gered worden. Want de radicalen van links en rechts komen al uit hun donkere holen te voorschijn om hun oplossingen te bieden voor de crisis, hetgeen in de geschiedenis altijd heeft geleid tot dictatuur en oorlog.’

Even nam ik een pauze voor een slokje wijn. ‘Ik heb hier het katern met de sportverslagen; zullen we ruilen?´vroeg Ana. Gretig stemde ik in en begon het verslag te lezen van de wedstrijd van Barcelona tegen Real Madrid van de avond ervoor, terwijl op de achtergrond het geraas klonk van de racewagens op de televisie.



Arrogante Hollander bij Kasteel van de Hertog van Alva

vrijdag 20 april 2012

De Polletiek


In de jaren tachtig heb ik aan de Universiteit van Amsterdam politicologie gestudeerd. Mijn ex-studiegenoten behoren nog steeds tot mijn beste vrienden. Niet één van hen is actief lid geworden van één van de vele politieke partijen die Nederland rijk is, voor zover ik weet. Ik ken geen burgermeesters, wethouders of leden van gemeenteraden, provinciale staten of het parlement. Wij gebruikten onze tijdens de studie opgedane kennis met name voor oeverloze discussies in voetbalkantines, cafés en restaurants, waarbij wij ons te vrij van geest waanden om ons te conformeren aan enige partijlijn of ideologie. De Nederlandse partijpolitiek is voor de werkelijk bevlogenen en voor de carrièrepolitici, waarbij het niet zelden voorkomt dat de bevlogene uiteindelijk tot carrièrepoliticus verwordt.

In Spanje ken ik wel veel mensen die actief zijn of waren in de politiek. Zo ken ik maar liefst twee burgermeesters persoonlijk. Dat heeft te maken met de kleinschaligheid van het Spaanse politieke bestel. Elk klein dorp heeft nog een burgermeester en wethouders, die naast hun gewone bezigheden het bestuur van hun gemeente op zich hebben genomen. Je hebt ze in alle soorten en maten. De beruchte caciques die er al jaren zitten en niets willen veranderen, maar ook enthousiastelingen die door roeien en ruiten gaan voor de belangen van de dorpelingen. Zo waren we vorig jaar op een uitstekend georganiseerd midzomernachtfeest in het mooie bergdorp Balboa, waar rond middernacht de excentrieke burgermeester in klaarblijkelijke feeststemming het podium beklom om een vreemde toespraak te houden die eindigde met het langdurig ritmisch scanderen van: ‘¡Animal, mineral, vegetal; animal, mineral, vegetal!’.

Maar ook in een stad als Ponferrada ken ik vele mensen die actief zijn in de politiek. Soms heeft iemand zich op een stemlijst laten zetten op verzoek van een bekende om aan het minimum aantal kandidaten op de lijst te komen. En er zullen er ook best bij zijn die echt lid worden uit politieke betrokkenheid. Maar in de meeste gevallen heb ik de indruk dat het actieve lidmaatschap van de partij en ook van de vakbond vooral dient ter verdediging van het eigenbelang. Je staat als ondernemer sterker bij het binnenhalen van opdrachten van lokale overheden als je mensen van één van de grote partijen kent. Bij sterk aan de staat gelieerde bedrijven als de musea, La Telefónica en de cajas de ahorros (de spaarbanken) zijn het de (ex)politici die de banen in de wacht slepen. Voor zo´n baantje via een partijvriendje bestaat zelfs een apart woord in het Spaans: el enchufe, letterlijk de stekker (die er dus door iemand anders wordt ingestoken). Ook geeft lidmaatschap van partij of vakbond aan werknemers bij de overheid meer baanzekerheid, wat vooral bij de huidige bezuinigingsdrift goed van pas kan komen. Het vreemde is dat daarbij van de gebruikelijke vijandigheid tussen de twee grote politieke partijen even geen sprake is. Men speelt elkaar de bal toe in de wetenschap dat de volgende keer de andere partij weer zal regeren. Spanje lijkt in dat opzicht wel wat op één van de vroegere Oostbloklanden: partijlidmaatschap is een voorwaarde voor een carrière. Gelukkig zijn er wel meerdere partijen; Spanje is beslist geen dictatuur. Maar wanneer we in een kroeg beginnen te praten over de corruptie, de enchufes en het clientelisme, dan daalt het volume van de conversatie aanzienlijk, waarbij er soms zelfs even achterom wordt gekeken of er niet iemand zit mee te luisteren. Het moet toch niet veel gekker worden!

Haast niemand is het met heersende systeem van vriendjespolitiek en clientelisme eens. Bij de polls waarbij de respondenten aangeven wat op het ogenblik volgens hen Spanjes grootste probleem is, eindigt ´de politieke klasse’ steevast op de derde plaats, nog net achter ´werkloosheid´ en ‘economische problemen’. Maar een cultuur verandert niet gemakkelijk. Het is een kwestie van meedoen of verliezen. Moeten we niet actief worden in de partijpolitiek? De zaak van binnenuit veranderen? Bah! Daar heb ik helemaal geen zin in. Veel liever blijf ik volkomen vrijblijvend vanaf de zijlijn mijn meningen spuien zonder me te conformeren aan enige partijlijn of politieke ideologie. Maar misschien is de lezer meer bevlogen?



dinsdag 10 april 2012

Alcohol


Misschien wel één van de meest ongelukkige uitdrukkingen in het Nederlands luidt: Van te hard werken is nog nooit iemand dood gegaan. In Amsterdam doorspekten wij de conversatie nogal eens met cynische varianten hierop. Sigaretje? Ja graag, van te veel roken is nog nooit iemand dood gegaan. Zullen we even naar de snackbar gaan voor een snelle hap? Lekker, van te veel vet is nog nooit iemand dood gegaan. En de meest gebruikte was toch wel: Een allerlaatste dan maar? Welja, van te veel alcohol is nog nooit iemand dood gegaan.

Toen ik nog in Amsterdam woonde dronk ik best veel. Dat kwam natuurlijk door mijn verkeerde vrienden. Bij de voetbalclub bijvoorbeeld. Als we op zaterdag weer eens hopeloos verloren hadden van WVHEDW 13 of Wartburgia 8, dan werd dat verlies op adequate wijze gecompenseerd middels diverse rondjes bier. Na enkele biertjes gingen mijn teamgenoten op huis aan, waar vrouw en kinderen op hen wachtten, en sloot ik me moeiteloos aan bij verkeerde vrienden uit andere teams voor het verder verwerken van voetbalverdriet. Aan alle mooie dingen komt een eind, en dus ging ik ´s avonds laat op de fiets richting huis, stiekem hopend dat ik onderweg nog een verkeerde vriend zou tegenkomen voor een werkelijk allerallerlaatste.

Mijn drinkgewoontes zijn hier in Spanje veranderd. Deels heeft dat te maken met het samenwonen. Alcohol is het sociale glijmiddel van de vrijgezel. Maar deels heeft dat ook te maken met de andere drinkcultuur die in Spanje heerst. In het begin moest ik daar erg aan wennen. Als we in Ponferrada met een groep in een kroeg zitten, dat wordt er één rondje gehaald. De drankjes worden tergend langzaam genuttigd, waardoor ik geruime tijd ongeduldig met mijn lege glas zit te spelen. Soms wordt er tot mijn vreugde toch besloten om nog een drankje te nemen, waarna er een uitgebreide discussie plaatsvindt over in welke kroeg we dat dan wel gaan doen, waarbij de kwaliteit van de pincho, het gratis borrelhapje, een belangrijk argument is. Daarna trekt iedereen zijn portemonnee en gaat de discussie over wie dit keer de rekening mag betalen. Als we dan eindelijk gaan, zetten sommigen hun glas bier of wijn half leeggedronken op de toog. Het toppunt van alcoholmisbruik.

In Nederland gaat het er, althans in de kringen waarin ik verkeer, anders aan toe. We nemen plaats aan een tafel in een kroeg, en daar zijn we dan voorlopig niet weg te slaan. Dan wordt er omstebeurt door iedereen een rondje besteld. Als de groep niet al te groot is, kan het zo maar gebeuren dat er iemand voor de tweede keer een rondje bestelt, waarop de hele cyclus zich herhaalt.

In Spanje wordt er wel eerder begonnen met drinken. Om een uur of één kan er al een aperatiefje worden genomen. Dan volgt de middagmaaltijd met wijn. Pas tegen een uur of acht ´s avonds stromen de kroegen weer vol voor het nuttigen van drankjes met pinchos. Bij het avondeten mag er natuurlijk weer een wijntje worden geschonken. De echte stappers gaan daarna echt los in de disco´s en nachtclubs, net als in Amsterdam, maar daar doe ik als bezadigde vijftiger natuurlijk niet meer aan mee.

De Nederlanders beginnen gemiddeld later op de dag, maar halen hun achterstand ruimschoots in. Borreltijd is ergens tussen vijf en zeven, dan wordt er uitgebreid gegeten, eventueel met wat wijn. Vaak komen er voor het slapengaan de flessen weer op tafel voor de nachtmutsjes. Ik denk dat de Nederlanders hun slechte naam op alcoholgebied in Spanje te danken hebben aan de gewoonte tijdens de vakanties beide drinkculturen te mengen. Uit respect voor de plaatselijke cultuur nemen ze rond een uur of één een aperativo, laten daarna de paella flink zwemmen in de witte wijn, waarbij ze niet nalaten de mediterrane keuken luidruchtig te roemen. Na afloop volgt een koffie met een coñacje. Om dan rond een uur of vijf te roepen: ‘Borreltijd!’ Aangezien pas tegen negenen de eerste restaurants opengaan duurt borreltijd eigenlijk net te lang om nog op fatsoenlijke wijze aan de avondmaaltijd te kunnen verschijnen.

Het heeft even geduurd, maar uiteindelijk heb ik geleerd om beide culturen niet meer te mengen. In Spanje houd ik me aan de Spaanse drinktijden en in Nederland aan de Nederlandse drinktijden. Hé, verrek, het is alweer één uur. Apertivotijd! Ach nee, ik ben weer even in Nederland. Ober, een glaasje melk, alsjeblieft!

donderdag 15 maart 2012

Misdaad


Een dezer dagen liepen we een band-en-garenwinkel binnen op de Calle Ancha in Ponferrada. De verkoopster was zichtbaar ontdaan. ‘Wat een schrik, wat een schrik’ mompelde ze. Bezorgd vroegen we wat er aan de hand was. ‘Er is een gewelddadige overval op een winkel gepleegd’ zei ze. Geschokt keken we haar aan. ‘¿Waar? ¿Hier?’ vroegen we verbaasd. Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, in Tarragona,’ vertelde ze. Even dacht ik haar niet te verstaan. ‘¿Tarragona, Cataluña?’ vroeg ik. Ze knikte. ‘Ik hoorde het net op de radio.’ Even voor de duidelijkheid. Tarragona ligt zo´n 1000 kilometer hier vandaan. Niet echt om de hoek. Dit was een duidelijk geval van hoe het nieuws vol geweld in de gehele wereld een volkomen onterecht angstgevoel kan oproepen, zo concludeerden we even later toen we op een terras een welverdiend pilsje tegen de schrik namen.

Ponferrada staat niet echt bekend als een criminele stad. Amsterdam heeft die naam wel. Wat dat betreft ben ik er in veiligheid op vooruit gegaan. Hoewel me eigenlijk in Amsterdam nooit iets ernstigs overkomen is. Er is nooit bij me ingebroken. Ik ben nooit overvallen. Het enige wat ik kan noemen zijn mijn gestolen fietsen. Dat moeten er in de loop van mijn leven een stuk of vijf zijn geweest. Maar op het moment dat ik besloot een flinke hoeveelheid geld te investeren in een aantal goede fietssloten was ook dat afgelopen. Het aantal junkies met de bijbehorende kleine misdaad neemt af in Amsterdam, vanwege de verminderde aanwas vanuit de jeugd. Junk zijn is niet hip. In de metro van Barcelona ben ik ooit een keer gerold. En de metro van Madrid is ronduit een schande. Het barst er van de zakkenrollers. Bij mij werd mijn rugzakje een keer opengeritst (gelukkig zonder dat daar iets kostbaars inzat) en bij mijn schoonzus gebeurde hetzelfde wat tot verlies van haar portemonnee leidde. Bij mijn lieve vrouw Ana is ook een poging gedaan haar tas te rollen hetgeen ik heb weten te voorkomen door heldhaftig ‘¡hé!’ te roepen toen ik het zag gebeuren. De zakkenroller rende daarna niet eens weg; hij posteerde zich brutaal op het perron op zoek naar andere slachtoffers. Vooral toeristen worden beschouwd als een gemakkelijke prooi. Dat geldt net zo goed in Nederland. In de trein tussen Schiphol en Amsterdam is het oppassen geblazen.

En hoe zit het met de zware misdaad? Amsterdam staat bekend als de stad van de afrekeningen in het drugscircuit. Als ik in Spanje naar het journaal kijk, is er een soort misdaad die erg vaak genoemd wordt: het geweld in de huiselijke kring, met meestal de vrouw of soms ook een kind als dodelijk slachtoffer. In Nederland zie je dat eigenlijk zelden op het journaal. Komt het in Nederland dan echt veel minder voor? Of zou men er minder ruchtbaarheid aan geven om navolging te voorkomen? Ik vroeg aan een Nederlandse vriendin die werkzaam is in een blijf-van-mijn-lijfhuis of huiselijk geweld in Nederland ook zo vaak een dodelijk afloop kende. Ze beweerde nogal stellig: ‘bijna nooit’. Ach, zo´n antwoord zou ik in Ponferrada zeker ook krijgen. En wie weet in Madrid of Barcelona ook wel. Het nieuws op de tv is wat dat betreft een slechte raadgever. De uitzondering wordt getoond. Het rustige alledaagse leven wordt weggelaten.

Ondertussen waan ik me in mijn beide geliefde steden betrekkelijk veilig. Maar mijn oude fietsje in Amsterdam draagt nog steeds twee zware sloten. Voor mijn mountainbike in Ponferrada heb ik puur voor de symboliek een piepklein plastic slotje gekocht. En als ik in de metro van Madrid van busstation Sur naar het vliegveld Barajas reis, zorg ik altijd dat El País pontificaal uit mijn jaszak steekt. Dat zal ze afschrikken, die zakkenrollers. Hier gaat geen buitenlandse toerist. Hier gaat een echte Spanjaard. Ja, met blauwe ogen, ¿nou, en?

vrijdag 2 maart 2012

Afwassen


De dagelijkse vaat, het is geen pretje. Nee, we hebben geen afwasmachine. Het ontbreekt ons aan ruimte. Bovendien heb  ik het idee dat een afwasmachine pas echt gaat lonen bij een huishouden van meer dan twee personen. Je hebt een flinke hoeveelheid bestek en borden nodig, zodat de machine zich kan vullen voordat je hem aanzet. En dus doe ik de afwas met de hand. Net als in Nederland. Maar toch anders.

In Nederland was ik altijd gewend een sopje te maken. In een afwasteiltje of eigenlijk gewoon in de gootsteen. Eerst even de vuile vaat voorspoelen, daarna een klodder Dubro Citron in de gootsteen, de stop op de afvoer en met heet water het sop laten opbollen. En dan lekker met de afwasborstel te keer gaan. ‘¡Gatverdamme!’ was de reactie van Spaanse vrienden die wel eens bij mij op bezoek waren. ‘¿Al die vaat in hetzelfde vieze sopje? ¿En dan zonder af te spoelen in het afdruiprekje? ¡Dat is niet hygiënisch!’ Verbaasd keek ik hen aan. ‘¿Maar ik heb toch voorgespoeld?’ sputterde ik tegen.

En inderdaad heb ik gemerkt dat er hier op een andere manier wordt afgewassen. Niks geen afwasborstel. Het gaat met een sponsje. Eerst afspoelen, net als in Nederland. Dan met schuursponsje en afwasmiddel de borden goed inzepen. Die zet je in de gootsteen. Dan alles vooral goed afspoelen voordat je het in het afdruiprekje zet. En eerlijk gezegd ben ik er aan gewend geraakt. Het is tegenwoordig zelfs zo dat ik tijdens mijn bezoeken aan Nederland op de Spaanse manier de afwas doe. Maar er is één aspect bij het afwassen, of liever gezegd bij het werken in een Spaanse keuken in het algemeen, waar ik in maar niet aan kan wennen. Sterker nog: als ik ooit teleurgesteld besluit Spanje voorgoed de rug toe te keren, zal dat om deze ene reden zijn: Spaanse aanrechten hebben geen opstaande rand. Wel een opstaande rand heeft de gootsteen. Net daar waar het water heen moet. En dat maakt het integreren in de Spaanse samenleving soms best moeilijk.

Lang heb ik gedacht dat het te maken had met de rijke Nederlandse traditie op waterbouwkundig gebied. De polders, de afsluitdijk, de deltawerken. Geen wonder dat de Nederlanders ook in staat zijn om een aanrecht te maken waarbij het overtollige water daar heen gaat waar het heen hoort te gaan: de gootsteen. Maar ik heb hier waterbouwkundige werken gezien waaraan de Hollanders nog een puntje aan kunnen zuigen. Gigantische stuwdammen die de druk van immense stuwmeren weerstaan. Toen wij in de lage landen nog in de moerassen leefden, werden er hier door de Romeinen honderden kilometers aan kanaaltjes aangelegd om het water van het hooggebergte naar een berg vol goudaders  te leiden. Onder druk van het water hebben zij grote delen van de berg weggespoeld en het goud er uit gefilterd. Daarvan is één van de belangrijkste monumenten van El Bierzo overgebleven: Las Médulas. De roodkleurige resten van de ondermijnde berg vormen het meest spectaculaire uitzicht van de wijde omgeving. Toch kan ik er niet naar kijken zonder dat mijn plezier vergald wordt door de gedachte: als dit mogelijk was in het jaar nul, dan moet een aanrecht met een opstaande rand toch ook tot de mogelijkheden behoren?

Ik schijn er mee te moeten leren leven. Je wast de sla. Je zet het vergiet op het aanrecht. Al het restwater stroomt direct over de rand heen naar de vloer. Of je wast een grote pan af. Te groot voor het afdruiprekje. Je zet de pan op zijn kop op het aanrecht. En ja hoor, een flinke plas op de vloer. Bij het afwassen heb ik al geleerd om van vaatdoeken een afwasdijk tussen de gootsteen en de rand van het aanrecht te construeren, alvorens vol vaderlandse trots de afwasspons ter hand te nemen.

donderdag 9 februari 2012

Verschillen en Vooroordelen


In het jaar 1992 werkte ik een zomer lang op de camping Can Banal in de Catalaanse Pyreneeën. Het was (en is nog steeds) een geheel Nederlandse camping, zowel wat betreft het personeel als de klanten. Tijdens de zomervakantie kwamen de Nederlandse gezinnen over naar deze zo mooie, groene en ruim opgezette camping. Gedurende de overige maanden was de camping zo goed als leeg; tot verdriet van de eigenaren prefereerden de Spanjaarden (Catalanen in dit geval) de overvolle campings van hun landgenoten. Maar het laatste weekeinde van augustus gebeurde het: een groep Spanjaarden kwam daadwerkelijk hun tenten opzetten. Vervolgens streken ze neer op het terras en bestelden daar wat drankje, zakken chips en zonnebloempitten, hetgeen ze luid met elkaar pratend consumeerden tot ze besloten tot een korte wandeling in de omgeving. Ze lieten het terras veranderd achter. De lege zakken lagen her en der over de grond verspreid, overal lagen de doppen van de zonnebloempitten, de tafels waren besmeurd met coca cola en resten chips. Wij van het personeel bekeken het rampgebied even beteuterd aan en wilden ons toen zetten tot de grote schoonmaak. ‘Wacht even!’, riep één der Nederlandse gasten. Hij rende naar zijn tent en kwam gewapend met een camera terug. ‘Een herrinnering voor later’ verklaarde hij terwijl hij het foto´s nam van het mishandelde terras.

Waarom kom ik nu opeens met deze anekdote aanzetten? Afgelopen zondag las ik in de kleurenbijlage van El País de column van de Spaanse schrijfster Rosa Montero over de piraterij op internet, waarin ze schreef: ‘Wij zijn het land waar de meeste piraterij plaatsvindt van de hele westerse wereld. Een pijnlijk record dat volgens mij zijn oorzaak vindt in het gebrek aan een sociale en collectieve cultuur in ons land, in de minimale waardering voor het gemeenschappelijke, in ons gebrek aan respect voor de naaste en ons tergend individualisme.´
Als dat allemaal waar zou zijn, dan zou dat mij als buitenlander in Spanje toch moeten opvallen. En zeker, er zijn veel verschillen tussen Nederland en Spanje. Maar er zijn ook veel vooroordelen. In de anekdote over de camping ging het om een groep jongeren en ik zou toch niet graag verantwoordelijk worden gesteld voor het gedrag van Nederlandse jongeren aan de Spaanse costa’s. Maar goed, in dit blog zie ik het vooral als mijn taak de zaken die me opvallen te beschrijven en dat zijn veelal de verschillen, waarbij ik soms een heel klein beetje overdrijf (dat van die Nederlander die zijn camera ging halen heb ik er bijvoorbeeld bij verzonnen voor het dramatisch effect).

Om te kijken wat de verschillen zijn in de ‘sociale en collectieve cultuur´ tussen Nederland en Spanje neem ik de lezer mee naar de openbare gelegenheid bij uitstek: de kroeg. In Spanje is het in het café heel gewoon gebruikte servetten, doppen, prikkers, noem het maar op, op de vloer te gooien, hoewel deze gewoonte langzamerhand minder wordt. Misschien moet de UNESCO zo´n authentieke Spaanse cafévloer maar eens opnemen in de lijst van werelderfgoed. 
Ik zie ook een verschil in de acceptatie ten opzichte van mobiel bellen. Hier is het volkomen normaal om in gezelschap te bellen. Zelfs aan tafels in restaurants zie je mensen rustig een gesprek aannemen omdat die vriend of dat familielid weer zo nodig moest bellen net op het moment dat het eten geserveerd werd. Volgens mij is het in Nederland iets gewoner om in zo´n geval naar buiten te gaan. Nou moet ik zeggen dat er in Nederland er ook een ware terreur van de mobiele telefoons heerst, met name in het openbaar vervoer. De Nederlandse stiltecoupé komt volgens mij in de verre toekomst ook in aanmerking voor de lijst van werelderfgoed van de UNESCO.
Een groot verschil is er tussen beide landen in het accepteren van de antirookwetgeving. In Spanje wordt deze wet volkomen gerespecteerd, terwijl in Nederland in steeds meer kroegen vooral ´s avonds gerookt wordt. Een doelpunt voor de collectieve cultuur van Spanje, dunkt mij. Voor de rest zie ik vooral overeenkomsten. De mensen drinken wat, lezen de krant, zitten gezellig te kletsen en willen gelukkig zijn. Jezus, wat saai! De volgende keer ga ik de verschillen gewoon weer lekker aandikken.

En nu betalen. Ik loop naar de bar om de rekening te vragen en zet, zoals ik in Nederland gewend ben, het lege glas op de toog. De bardame kijkt me aan alsof ik haar haar baan wil afpakken. 

maandag 30 januari 2012

Het schip van mijn opa


Eindelijk hebben we ze opgehangen: de schilderijen en tekeningen van mijn opa. Vijf kleine, omlijste werken zijn het. En allemaal hebben ze betrekking op het water. Op allemaal is minimaal één boot te zien. Mijn opa was namelijk schipper.

Ik heb mijn opa niet bewust gekend; hij stierf toen ik nog een baby was. Maar natuurlijk ken ik de verhalen. Mijn grootouders hadden een zeilboot: een tjalk om precies te zijn. Daarmee zeilden ze in de jaren 20 en 30 over de Zuiderzee en later het IJsselmeer heen en weer tussen het westen en de het oosten van Nederland. De voornaamste lading die naar de steden in het westen werd gebracht was de turf uit de veenkoloniën. Het hele gezin leefde op de boot: mijn grootouders, mijn moeder,mijn tantes Hennie en Greet en mijn ome Jaap. Een zwaar leven moet dat zijn geweest. De kinderen gingen op school daar waar het schip toevallig lag. Elke keer weer in een andere klas.  Mijn moeder vertelde me hoe bang ze was voor de golven. Als mijn opa op de dijk aan het kijken was of de Zuiderzee wel bevaarbaar was voor een volgeladen tjalk, drong ze bij hem aan: ‘ het waait nog steeds te hard, het waait toch zeker nog steeds veel te hard!’

Eind jaren twintig werd de tjalk verkocht. Mijn opa kocht een motorboot. Een geduchte investering op het slechts denkbare moment. De crisis brak in volle hevigheid uit. Mijn opa ging failliet. Hij werd gedwongen om met het hele gezin op een klein woninkje in Amsterdam te wonen. De meiden zochten werk in de huishouding, terwijl mijn oom als jongste naar school bleef gaan. Mijn opa moest stempelen om zijn karige werkloosheidsuitkering te verkrijgen. En daarna kwamen nog de lange en ellendige jaren van de Duitse bezetting.  Kortom, mijn opa is nooit meer aan het werk geraakt.

Toen ik in Amsterdam mijn woning in De Jordaan betrok, vond mijn oom het tijd dat ik wat schilderijen en tekeningen van zijn vader zou krijgen. Hij liet me een flinke collectie zien. Een deel ervan waren kopieën van 17e eeuwse zeegezichten,  die mijn opa naschilderde van tweedehands boeken die hij kocht op het Waterlooplein. Een ander deel van zijn werk laat een idyllisch Nederland zien door de ogen van een schipper. Ik mocht vijf werken uitkiezen. Ze hingen eerst een aantal jaren in mijn woning in De Jordaan, en zijn nu in volle pracht en glorie te bewonderen in Ponferrada.  Ik vind ze allemaal mooi. De dromerige schets van een roeiboot in het riet met op oever een in de wind drogende palingfuik. De tekening van één van de grote rivieren met tussen de kribben twee bootjes en op de rivier de grote vaart op weg naar Duitsland. De schets van een botter in. De prachtige houtskoolschets van vissersboten in de schemering de haven uitvaren. En volgens mij de mooiste van allemaal: het naïef aandoende schilderij van het schip van mijn opa zelf varend op één van de trekvaarten in Drenthe. Althans, dat stel ik me zo voor. De boot is klein, de vaart is recht en de hemel boven het schip is immens. Enfin, kijk zelf maar.




zaterdag 24 december 2011

Mijn oude fiets


Vandaag is er iets vreemds gebeurd. Ik zette mijn fiets neer voor de Albert Heijn in Osdorp. Daarna deed ik uitgebreid boodschappen. Spullen voor de Kerstmaaltijd met de Nederlandse familie. En alvast wat zaken om mee naar Spanje te nemen. Stroopwafels. Een rookworst. Een pak boerenkool. Ik zal ze daar straks eens lekker verwennen. Ik kwam met een volle boodschappentas weer buiten, hing de tas over het stuur, en zocht in mijn zakken de sleutel van mijn ringslot. Nergens te vinden. Opeens wist ik zeker: vergeten op slot te doen. En toch was het slot dichtgeschoven. Kwajongenswerk, nam ik aan. En toen gebeurde het vreemde. Ik werd niet kwaad. Ik was niet eens teleurgesteld. Ik nam mijn tas weer in mijn hand en liep op mijn gemak langs de oever van de Sloterplas terug naar het huis van mijn oom. Deze opmerkelijke gelatenheid bij zoveel tegenslag had maar één reden. Mijn oude fiets was op. Nauwelijks meer te gebruiken. Versleten. Verroest. Hij kraakte en piepte. Ik gebruikte hem alleen nog maar voor boodschappen omdat je zo handig een tas aan het stuur kan hangen.

Daar langs de oever van de sloterplas begon ik toch mijn oude fiets al te missen, al was het maar vanwege het gewicht van de tas vol kerstboodschappen in mijn hand. Herinneringen kwamen boven. Wanneer had ik hem ook alweer gekocht? Geen idee, lang geleden. Op de Haarlemmerstraat. Een gloednieuwe fiets. Voor het eerst van mijn leven. Voordien gebruikte ik afdankertjes van vrienden, kocht ik tweedehandsjes of knutselde ik zelf wat in elkaar van fietswrakken. Mijn fietsen stonden ´s nachts altijd buiten. Een nieuwe fiets leek gezien het gevaar van diefstal onbegonnen werk. Nu durfde ik het aan. Wel met drie sloten: een grote ketting, een beugel en een ringslot.

Het was mijn beste fiets tot dan toe. Lange afstanden legde ik er mee af, puur voor het plezier. Ik fietste vanuit het centrum van Amsterdam naar de duinen bij Bloemendaal om de zee te zien, naar de polders in Noord-Holland in het broedseizoen van de grutto´s en de kieviten en naar ´t Gooi als de heide in bloei stond. Op zaterdagen bracht mijn fiets mij naar de voetbalvelden in de wijde omgeving. Doordeweeks arriveerde ik zonder vertragingen op de scholen waar ik lesgaf in Diemen en De Bijlmer. Op maandag werkte ik  vaak in Rotterdam. Normaal gesproken niet te doen op een stadsfiets. Op een ochtend hoorde ik op de radio dat er zuiderstorm zou komen. Als een kind zo blij nam ik de fiets mee in de trein, draaide mijn lesjes economie en statistiek af, en zeilde ‘s avonds op de zuiderstorm naar Amsterdam. Heerlijk!

Maar langzaamaan sloeg het verval toe. Toen ik een keer mijn sleutel van mijn beugel brak, nam ik niet meer moeite om een vervangend slot te kopen. Deze doodordinaire stadsfiets had aan twee sloten genoeg. De afstanden die ik aflegde werden minder. Een noodzakelijke reparatie aan het voortandwiel maakte de fiets definitief trager. De dag dat ik mijn Amsterdamse huis ontruimde verhuisde ik met twee tassen aan mijn stuur en een koffer achterop de bagagedrager mijn laatste bezittingen naar de kelderbox van mijn oom.

Toen ik al mijmerend met de booschappen bij het huis van mijn oom was aangekomen was ervan overtuigd geraakt dat ik deze fiets daar niet zo zielig en alleen voor de Albert Heijn wilde achterlaten. Ik liep weer terug en droeg hem naar een fietsenmaker. Daar werd het ringslotje doorgezaagd. Piepend en krakend reden we richting Sloterplas. En de fiets staat weer in de box in Osdorp trouw te wachten op een volgend bezoek van zijn baasje.

woensdag 14 december 2011

Kiezen


Tijdens de landelijke verkiezingen van Spanje op 20 november was ik in Nederland om te werken. Als tijdelijke remigrant, zeg maar. Nou heb ik aan die verkiezingen weinig gemist. Ik mocht als buitenlander toch niet stemmen. En bovendien zou het best moeilijk zijn om mijn stem te bepalen. Het was al ver van te voren bekend dat de regerende partij, de PSOE, een grote nederlaag zou lijden. De vraag was alleen of de rechts-conservatieve partij, de PP, een absolute meerderheid zou behalen. Nou, dat is dus wel gebeurd. Voor een buitenstaander lijkt het een vorm van masochisme dat zoveel mensen volkomen vrijwillig op een partij stemmen die in zoveel corruptieschandalen is verwikkeld. Misschien zijn de Spanjaarden cynisch geworden. Het maakt toch niet uit op welke partij je stemt, de corruptie krijg je er gratis bij. Hoewel, gratis? Volgens mij is de belangenverstrengeling van corrupte politici, louche ondernemers en lokale banken in handen van diezelfde politici (de cajas de ahorros) één van de belangrijkste oorzaken van het imploderen van de Spaanse economie.

Nog wel heb ik in Spanje het debat op de televisie gezien tussen de lijsttrekker van de PSOE (Rubalcaba) en de PP (Rajoy). Veel onderwerpen kwamen aan bod: de halfslachtige politiek van de PSOE voor en tijdens de crisis, het gebrek aan programma van de PP.  Maar het woord corruptie of vriendjespolitiek werd niet één keer geuit. En niet zonder reden. Dat zou alleen maar leiden tot wederzijdse verwijten en het opnoemen van alle schandalen waarin beide partijen betrokken zijn. En wellicht dat dan veel mensen zouden denken: verrek, die twee hebben gelijk, ik stem dus maar op een andere partij dan die eeuwige PP en PSOE.

Maar in Spanje telt niet elke stem even zwaar mee. Er bestaat een districtenstelsel. Dat betekent dat de partijen die veel stemmen behalen in een regio naar verhouding meer zetels krijgen dan de kleine partijen. Dit systeem is in het voordeel van enkele grote regionale partijen, zoals de Baskische PNV en Amaiur, en de Catalaanse CiU, en bovendien in het voordeel van de beide grote landelijke partijen. Die zullen daardoor niet snel geneigd zijn dit kiesstelsel te wijzigen. Veel mensen stemmen dan maar op de grote partij die het dichtst bij hun politieke voorkeur staat.

Zo blijft de hegemonie van de twee grote partijen in stand. En blijven ze de overheidsbaantjes verdelen als ze aan de macht zijn. In Spanje zijn zelfs rechters politiek verbonden met één van de partijen. Laatst zaten we lekker te eten in een Parador in la Sierra de Gredos,  toen mij werd verteld dat de Paradores (hotel/restaurants in historische gebouwen in heel Spanje) staatsbezit zijn, en dat nu een studievriend van Zapatero de directeur is van de Paradores. Ik had gelijk geen trek meer. 

En hoe is het in Nederland met de politiek gesteld? Er zijn veel partijen met zeer diverse standpunten: rechts, links, progressief, conservatief, internationaal georiënteerd of protectionistisch. Een uitgebreide keus. Dat is een voordeel. Daardoor duren coalitiebesprekingen soms erg lang. Minimaal drie partijen zijn er nodig voor een meerderheid in het parlement. Er zijn ook wel eigenaardige partijen bij, zoals de Partij van de Dieren. De Partij van de Vrijheid is zelfs één van de grotere partijen. En dat met ideeën zoals het invoeren van een speciale belasting op het dragen van hoofddoekjes en het verbieden van hoofddoekjes in het openbaar vervoer. Dat lijkt toch op het zoveel mogelijk treiteren van een bepaalde bevolkingsgroep. Om je  rot te schamen dat de huidige regeringscoalitie van zo´n partij afhankelijk is. Bijna genoeg reden om het Nederlanderschap op te geven.

Ik heb  een voorstel aan de PSOE of de PP. Als één van deze twee partijen nou eens komt met een daadwerkelijk hervormingsprogramma: een herziening van het kiesrecht zodat iedere stem even veel meetelt, een van de politiek onafhankelijke rechterlijke macht, zerotolerantie ten opzichte van corruptie, clientelisme en vriendjespolitiek, nou, dan laat ik me tot Spanjaard nationaliseren om op die partij te kunnen stemmen. Afgesproken?

maandag 21 november 2011

Steenkool


Het is een zonnige donderdagmiddag in Ponferrada. Ik loop langs de rivier El Sil naar het Nationale Energie Museum. De afgelopen maanden heb ik gezien hoe dit verwaarloosde gebouw met ingegooide ruiten langzaamaan veranderde in een uiterst modern museum. De beherende organisatie, la CIUDEN (La Ciudad de la Energía), houdt zich daarnaast ook bezig met het ontwikkelen en onderzoeken van vormen van duurzame energieopwekking, waarvan de afvang en opslag van CO2 één van de belangrijkste is. Dit kostbare project van de regering Zapatero was zeker niet onomstreden. Zo werden alle belangrijke baantjes binnen La Ciuden aan Zapatero´s partijgenoten vergeven. Vriendjespolitiek is een ernstige ziekte in Spanje.

Vandaag wordt er in het museum een zogenaamde filandón georganiseerd.  De filandón is een eeuwenoude traditie uit de provincie León. De dorpelingen verzamelen zich na het avondeten rondom een vuur voor het uitwisselen van verhalen. Vandaag wordt er over de steenkoolwinning in El Bierzo gepraat.  Het is een onderwerp dat mij aanspreekt, omdat  bij de discussie rond de toekomst van de steenkool zoveel zaken die ik in mijn economielessen behandel tezamen komen:  werkgelegenheid, economische groei, lokale ontwikkeling, globalisering, milieuvervuiling, klimaatverandering, de economische gevolgen van subsidieverstrekking, enfin, je kan het zo gek niet bedenken.

Nou ben ik hier in El Bierzo waarschijnlijk de enige tegenstander van subsidieverstrekking aan de steenkoolproducenten. Zeker, met subsidies kun je de sector in stand houden. Maar met subsidies zou je zelfs een bedrijf dat water naar de zee draagt in stand kunnen houden (vreemd eigenlijk dat water naar de zee dragen om een nutteloze daad aan te geven een Nederlandse uitdrukking is, terwijl in de Nederlandse polder water naar de zee dragen bijzonder noodzakelijk is). De steenkoolmijnen in El Bierzo zijn subsidieverslaafd, waardoor zij de concurrentie niet te lijf gaan met inversteringen en innovatie. Toen twee jaar geleden de subsidies aan de steenkoolsector dreigden te worden stopgezet, werden er gewoon geen lonen meer uitbetaald. Vanzelfsprekend volgden er demonstraties. Mijnwerkers blokkeerden de treinrails en de toegangswegen van Ponferrada. ´Deze arbeiders worden door de ondernemers gebruikt als  stoottroepen om hun subsidies binnen te krijgen´, zo concludeerde ik indertijd mezelf verbijtend in een stilstaande bus.

Als ik het lokaaltje binnenkom zie ik dat in een grote kring stoelen zijn neergezet rondom een electrisch nepvuurtje. Dit alles om de sfeer van een filandón te creëren. Op de stoelen zitten vooral oudere mannen, in sommige gevallen vergezeld van hun echtgenoten. Een vlotte presentatrice neemt het woord. Zij vraagt de oudere mannen, allen noeste mijnwerkers, hoe het vroeger was in de mijnen. Even ben ik teleurgesteld. Geen discussie over de zin en onzin van steenkoolproductie, zoals ik verwacht had. Maar als de mannen omstebeurt hun verhaal doen raak ik geboeid. Ze vertellen over hun zware arbeid, de donkerte van de mijnen, het gevaar van verstikking, de armoede, de uitbuiting, deonderlinge solidariteit als er stakingen werden georganiseerd. Eén van de mijnwerkers spreekt zijn angst uit dat de mijnen binnenkort gesloten gaan worden, waardoor hun kinderen de mogelijkheid ontnomen wordt om in de mijnsector te werken. De opmerking bevreemdt me. Zo leuk was dat werk in toch niet? Maar ik hou mijn mening voor me. Starend in de electrische vlammen luister ik naar sonore stemmen van de mijnwerkers.

woensdag 19 oktober 2011

Weer terug


Weer terug in Ponferrada na bijna zeven weken werken in Nederland. Ik heb een onwezenlijk gevoel. Het is maandagmorgen. Op straat hoor ik mensen schreeuwen en rotjes afsteken. Nog steeds wordt dagelijkse die demonstratie van de werknemers van het bedrijf in keukenapparatuur gehouden. Nog steeds hebben zij dus geen loon ontvangen. Nu al maanden lang. In Nederland zou dat toch niet kunnen? Zo´n bedrijf zou voor de rechter gesleept worden, dunkt mij. Ik kijk uit het raam. In de verte liggen de Montes Aquilianos te baden in het zonlicht. Het wordt vandaag wel 30 graden. En dat in oktober. Een heel verschil met de buien die Nederland teisteren. Laat ik er maar gewoon van profiteren. Boodschappen doen en dan lekker op een terras met een kop koffie en een krantje.

Het is rustig op straat. Overal staan auto´s fout geparkeerd. Midden op zebrapaden. Aan de linkerkant van de rijstrook. Ja, zelfs op de rotonde voor het postkantoor heeft iemand pardoes zijn auto neergezet. Ponferrada  is een natte droom van een Amsterdamse parkeerwachter. Ik ga naar La Cuesta. Een klein kroegje. Met fijne koffie die me zonder te bestellen wordt gebracht. Een churro erbij. Niets is veranderd. Ik begin me alweer een beetje thuis te voelen. Straks even langs de groenteboer. En dan koken. De uitgebreide middagmaaltijd. Dat wordt weer even wennen aan het Spaanse eetritme.

We liggen uit te buiken op de bank. We kijken naar La Novela. Officieel Amar en tiempos revueltos geheten. De nimmer eindigende soap over de jaren vijftig in Madrid. Met geweldige acteurs. Ik heb moeite het verhaal te volgen. Zal mijn Spaans nu al achteruit zijn gegaan? Of komt het door de vele nieuwe figuren en verwikkelingen? Dan klinkt de eindtune. 'Kom, we gaan wandelen', stelt Ana voor. We nemen de trap naar beneden. Het voorportaal ligt vol met reclamekrantjes die met pakken tegelijk hier worden bezorgd.  Aan NEE-NEE-stickers doen ze hier niet.

We wandelen langs de rivier El Sil, vlak voor ons huis. Oude mensen zijn er aan het werk in hun huertas, de kleine tuintjes. We spreken een vrouw aan. '¿Is het mogelijk om een klein stukje grond te huren?' vragen we. Ze verwijst ons naar een vervallen schuurtje verderop. 'Dan moet je bij Maruja zijn,' zegt ze. We blijven staan voor de ingang van het schuurtje. Een oude vrouw met vieze kleren zit op een krukje met om haar heen een gigantische hoeveelheid paprika´s. Eén voor één pakt ze de paprika´s op om ze te ontdoen van de lijst en pitten. 'Volgende week ga ik ze roosteren,' legt ze uit, 'en dan inmaken.' We vertellen haar de reden van onze komst. '¿Een stukje grond?,' antwoordt ze, 'mensen weten tegenwoordig nauwelijks hoe ze op het land moeten werken, dat was vroeger toch wel anders, en nu is er zoveel werkloosheid, ¿maar denk je dat het bij iemand opkomt om me hier te komen helpen?, vergeet het maar, ze weten tegenwoordig niet eens wanneer en hoeveel gif je moet strooien tegen het ongedierte, ze laten alles maar verwaarlozen en ….'

Terwijl haar klaagzang voortduurt, besef ik dat op dit moment één van mijn illusies is doorgeprikt. Hoe vaak heb niet lopen pochen over de markt van Ponferrada, waar mensen hun eigen gekweekte onbespoten groenten en fruit verkopen zonder dat ze dat ecologisch noemen. En nu hoor ik dat er gewoon gif wordt gestrooid zonder daar de minste verstand van te hebben. Voortaan die groenten maar extra wassen. Ik hoor hoe Ana de vrouw bedankt voor haar informatie. We lopen de donkere schuur uit. De ondergaande zon kleurt de hemel rood. Vanuit het struikgewas langs de rivier klinkt het gefluit van een Cetti´s zanger. Er heerst een weldadige rust. 

zaterdag 1 oktober 2011

Aan het werk!


Het is een grauwe dinsdagmorgen in Rotterdam. Ik leg aan een groep studenten de wet van toe- en afnemende meeropbrengsten uit. ´Begrijpen jullie wel? Dus hoe meer je produceert hoe efficienter je kan werken, tot je bij een punt komt dat je steeds minder efficient werkt´. Met mijn handen beeld ik het golvende verloop van de curve uit, die achter mij op het bord geprojecteerd staat. De studenten staren me vermoeid aan. Ze lijken niet echt geïnteresseerd in de wet van toe- en afnemende opbrengsten. Terwijl die toch zo belangrijk is voor het verloop van de marginale kostencurve. Blijkbaar hebben ze een zwaar weekeinde gehad. Want stappen, dat doen deze studenten volop. Aan geld ontbreekt het ze niet. Bijna allemaal hebben ze een baantje. Voor de studie houden ze maar weinig tijd over, zo luidt een algemene klacht onder docenten. Eén student steekt zijn hand op. Ha, een vraag. 'U woont toch in Spanje? Is het daar nou echt zo erg met de crisis?' Dat was nou niet bepaald hetgeen ik aan het uitleggen was. Een overduidelijke poging me van de taaie kost af te leiden. Maar goed, interesse moet aangemoedigd worden.

´De werkloosheid is in Spanje erg hoog,´ leg ik uit. ´Maar liefst 20%, en ja, dat merk je bij ons in Ponferrada ook. Bij ons in de straat beneden vindt bijvoorbeeld elke dag een demonstratie plaats van werknemers van een bedrijf in keukenapparatuur, omdat nu al sinds maanden de lonen niet meer uitbetaald worden. En deze mensen krijgen ook geen werkloosheidsuitkering omdat ze niet ontslagen worden.´ Ik merk dat het best wel goed is om eens over concrete economie te praten in plaats van over abstracte modellen en vervolg: ´Ook het aantal bedelaars is toegenomen. En het type bedelaar is veranderd. Nu zie je soms bedelaars van wie je denkt: Hé, die heeft vast vroeger een kantoorbaan gehad.´

´Maar hoe komt het toch dat er in Spanje zoveel werkloosheid is?´ vraagt dezelfde student. De aandacht van de overige studenten verslapt. Sommigen beginnen met elkaar te kletsen. Ik begin een verhaal over de lage rente die in Spanje tot overmatige kredietverstrekking heeft geleid, waardoor er veel te veel gebouwd werd. Totdat de onroerendgoed-luchtbel ontplofte met alle werkloosheid en kapitaalverlies van dien. Ook de vragensteller lijkt niet meer zo geïnteresseerd. Waarschijnlijk had hij gehoopt op een wat sappiger antwoord in de trant van: De Spanjaarden houden nu eenmaal meer van siesta, paella en sangria dan van hard werken. Want op deze manier wordt er nu veelal over Zuid-Europa gepraat. Vooral door de populisten. Deze hebben de moslims allang ingeruild voor de Grieken als de zondebokken van deze crisis. Lui, onbetrouwbaar en corrupt, zo worden ze genoemd. Maar zou Nederland niet gewoon de volgende keer aan de beurt zijn? Misschien moet ik in de nabije toekomst uitleggen: ´Er waren in Nederland nu eenmaal veel te veel mensen die met een fikse uitkering vervroegd met pensioen gingen. Het onderwijs werd meer en meer verwaarloosd. Er was een uitgebreid zwartgeldcircuit dankzij de bloeiende drugshandel, hetgeen een corrumperende uitwerking had op de samenleving. En het zo van de handel afhankelijke Nederland keerde zich steeds meer af van het buitenland.´

Alle studenten zijn nu druk met elkaar in gesprek. Dat verhaal over de Spaanse economie is immers geen examenstof. Ik roep ze tot de orde. Dan laat ik ze de volgende grafiek zien en zeg: ´Kijk, en hier zien we wat het gevolg is van de wet van toe- en afnemende meeropbrengsten op de kostencurves. Wie van jullie ziet bij welke prijs deze monopolist zijn maximale winst behaalt?´ Zwijgend staren de studenten me aan.


donderdag 15 september 2011

Moeilijk te krijgen


Bij het zoeken van werk heb ik altijd de strategie gevolgd die in het Engels zo mooi ´playing hard to get´ wordt genoemd. En zo heb ik het, na wat tijdelijke klussen als uitzendkracht, fietsgids en leraar Algemene Economie, toch maar mooi tot een zeer gewaardeerde huisman in Ponferrada geschopt. Toen ik, nu al weer meer dan twee jaar geleden, in El Bierzo ging wonen dacht ik eigenlijk vrij gemakkelijk aan de bak te kunnen komen. Goed, er was crisis. Spanje was het land met het hoogste werkloosheidspercentage van Europa. Maar dan is toch zeker niets nuttiger dan een economieleraar die in perfect steenkoolengels de wet van toe- en afnemende meeropbrengsten kan uitleggen?

Het bleek lastiger dan ik dacht. Tekenend is dat in Ponferrada de uitzendbureaus, in Nederland zo karakteristiek voor het straatbeeld, geheel en al ontbreken. In Nederland had ik mijn onderwijsbanen meestal via advertenties in de kranten gevonden. Dus kocht ik op zondag El País. Helaas. Slechts een paar advertenties met hoge, goedbetaalde managementfuncties in de omgeving van Madrid. Op een één of andere manier had ik het gevoel dat mijn jarenlange ervaring als teammanager van TABA 4, spelend in de 5e reserveklasse onderbond West, wel eens niet zo relevant zou worden bevonden. Ik kocht El Diario de León om het eens wat dichter bij huis te proberen. Vooral veel advertenties voor schoonmakers, persoonlijke verzorgers van bejaarden en een enkele klusjesman. Vertwijfeld keek ik naar mijn twee linkerhanden.

De eerste open sollicitaties gingen de deur uit. Naar scholen, bodegas, hotels, kortom, allerlei bedrijven waarvan ik dacht dat talenkennis wel eens van pas zou kunnen komen. Vrijwel nooit kreeg ik enige reactie terug. Niet eens een standaardmailtje met zoiets als: ´Wij danken u voor de belangstelling die u voor ons bedrijf heeft getoond maar tot onze spijt moeten wij u meedelen dat wij op het ogenblik niet over openstaande vacatures beschikken voor iemand met uw profiel.´ Ik sprak hierover mijn verbazing uit tegenover Ana. Ze antwoordde: ´Je moet ook niet alleen een mail sturen; zo werkt het hier niet; je moet bellen, er naar toe gaan, handen schudden, vrienden maken.´ ´Maar mijn strategie is: ´Playing hard to get,´sputterde ik tegen. ´¡Ach, klets toch geen onzin!´

Wanneer begon het idee voor een eigen bedrijf post te vatten? Geen idee. El Bierzo is een schitterende regio met ongerepte natuur en culturele monumenten. En nog vrijwel onontdekt. Hier zouden toch mogelijkheden moeten liggen. Voor iemand zonder werk is tijd een gratis investering. Ik begon te werken aan een meerdaagse wandelroute. Vanuit Ponferrada. Over smalle bergpaden en langs snelstromende beken. Slapen in casas rurales in rustieke bergdorpjes. Zou daar een markt voor zijn? Via El Consejo del Bierzo volgde ik een cursus: ´Zelf een onderneming beginnen´. Daar hadden we het over marketingstrategieën en marketingmix. Het eigen karakter van het bedrijf benadrukken. De steeds grotere rol die de sociale media daarbij gaan spelen. Facebook, twitter, youtube, blogs. Blogs? Hé, dat kwam dan mooi uit.

Dus. Als een van de lezers eens een mooie meerdaagse wandeltocht wil maken in een onontdekt stukje Spanje met schitterende natuur en cultuur, nou, dan zal ik eens kijken of er hier in de bergen nog wat ruimte is. Maar niet allemaal tegelijk, hoor, want El Bierzo moet natuurlijk wel gewoon El Bierzo blijven. 

woensdag 22 juni 2011

Pech

Emigreren betekent opnieuw beginnen met tellen. Het eerste boek uit de bibliotheek van Ponferrada, de eerste maaltijd bij een Chinees, de eerste blauwe reiger, de eerste keer stemmen, de eerste keer naar de tandarts, de eerste keer dat je daadwerkelijk naar een praatprogramma op de radio luistert, de eerste keer dat je botillo eet en denkt: ´hé, eigenlijk best lekker´, de eerste keer dat je een Argentijnse film echt kunt volgen, de eerste serieuze aanval van heimwee, de eerste droom in het Spaans. Afgelopen zondag heb ik een belangrijke stap gezet op weg naar mijn integratie in de Spaanse maatschappij. Ik had mijn eerste lekke band.

Ik was die morgen vertrokken in de richting van Bembibre. Zoals wel vaker op zondag zouden we gaan eten bij mijn schoonouders. En in El Bierzo betekent dat om twee uur ´s middags aanschuiven. Als het even kan ga ik op de fiets. De route is bijzonder mooi en op deze manier weet ik wat honger te kweken voor de over het algemeen bijzonder voedzame maaltijd. Twee vliegen in één klap (of twee vogels in één schot, zoals ze hier zeggen). Wel zitten er wat pittige klimmetjes in de route. Zweten is onvermijdbaar. Gelukkig is mijn lieve vriendin altijd bereid om wat extra schone kleren met de auto mee te nemen.

El Bierzo is ideaal voor de mountainbike. Als je wilt kun je lange routes maken zonder op asfalt te rijden. De geasfalteerde wegen zijn soms gevaarlijk. Er wordt hard gereden en er is buiten de bebouwde kom nooit een fietspad. Spanjaarden waarschuwen me vaak voor het gedrag van de automobilisten. Ze hebben geen respect voor de fietser, zeggen ze dan. Mijn indruk is geheel anders. Ze rijden over het algemeen met een wijde boog om de fietser heen.

Op de terugweg gebeurde het. Ik had een mooi afstekertje gevonden, met veel losse stenen en behoorlijk steil, dat wel, en daalde af naar de stuwdam van de rivier El Sil. Daar nam ik even rust, dronk de laatste druppels lauwe water uit mijn veldfles en wilde vol enthousiasme de laatste klim inzetten. Hé, wat is dat? Een vreemde beweging van het achterwiel. Ik stap af en constateer: lekke band.

Uit ervaring weet ik dat je nooit onvoorbereid op weg moet gaan. Plakspullen, bandenlichters, eventueel een reservebinnenband, een pomp, dat allemaal behoorde tot de standaarduitrusting voor mijn wat langere fietstochten in Nederland. Maar in Nederland had ik een fiets met een bagagedrager. Alles gewoon achterop. Hier draag ik alles mee in een door zweet doordrenkt rugzakje. Gelukkig hadden ze bij de sportzaak een handig spuitbusje te koop: Stop and Go, beloofde het etiket. Een pomp en plakspullen zouden dan niet nodig zijn.

Daar stond ik dan op de stuwdam. Het uitzicht was nog steeds schitterend. Maar daar had ik even helemaal geen boodschap aan. In de blikkerende zon las ik met moeite de kleine lettertjes van de gebruiksaanwijzing. Even schudden, op het ventiel zetten, en spuiten maar. Mountainbikes hebben een ventiel dat lucht naar buiten blaast als je er druk op uitoefent. En dat gebeurde precies op het moment dat de spuitbus begon te spuiten. Het resultaat was dat mijn achterwiel volkomen onder een kleverig schuim zat en de achterband nog steeds bijzonder plat was. Dat werd lopen. Ruim een uur, schatte ik. In de hitte. Langs een drukke, smalle weg zonder fiets- of voetpad. En stekelige bramenstruiken aan beide zijden. Maar met werkelijk schitterende vergezichten.

En zo gebeurde het dat ik de volgende dag op straat een fiets stond te repareren. Net als vroeger. Wat gaat het verwisselen van een band toch gemakkelijk met zo´n mountainbike. Je klikt gewoon het achterwiel eruit. Hoe vaak heb ik in Nederland niet staan vloeken alleen al om de kettingkast verwijderd te krijgen. En dan nog de rem losmaken, de kettingspanners, de ketting eraf halen. Over het algemeen zag de fiets er na de reparatie behoorlijk gehavend uit en lag de kettingkast aan flarden in de vuilnisbak. En het ergste was dat er in Amsterdam dan altijd wel een oudere man langskwam met de opmerking: ´Nou, in mijn tijd deden we dat heel anders.´ Hier niets van dit alles. Hooguit wat verwonderde blikken. Kijk nou, iemand repareert zijn fiets. Een buitenlander, vast en zeker.


woensdag 8 juni 2011

Voetbal en Politiek

Het is zaterdag 28 mei. Zojuist heeft Barcelona de Europacup gewonnen. Een waar voetbalfeest. Ik kijk thuis voor de buis naar de nabeschouwingen. Telkens weer benadrukken de commentatoren dat Barcelona een vertegenwoordiger is van het hele Spaanse voetbal. En niet alleen van Catalonië, willen ze zeggen. Op straat en in de cafés hoorde ik de laatste tijd veel mensen mopperen over de successen van Barcelona. In plaats van gewoon te genieten van het mooiste voetbal dat misschien wel ooit wel gespeeld is. Maar nee. Barcelona heeft de scheidsrechters op zijn hand. Er hangt een luchtje aan de overwinning van Barcelona op Madrid in de halve finale van de Champions League. En daarmee praten ze Mourinho na.

Niet iedereen hier in El Bierzo is voor Real Madrid. De meningen zijn verdeeld. Hier aan de overkant van de straat is een Madrid-kroeg. Verderop een café waar iedereen in Barcelonashirts naar de televisie kijkt. Opvallend is dat veel linkse mensen als club Atletico Madrid hebben. Da´s vreemd. Atletico werd jarenlang geleid door een bijzonder louche ondernemer, Jesús Gil geheten, die het zelfs tot burgermeester van Marbella wist te schoppen. Real Madrid wordt vooral geassocieerd het centralisme van de Spaanse staat. Er zijn er die Real Madrid verbinden met de rechtsconservatieve Partido Popular (PP)

Er is inderdaad een opvallende gelijkenis tussen de complottheorieën van Mourinho en die van de PP. Als bestuurders van deze partij beschuldigd worden van corruptie (en dat gebeurt nogal eens) dan spreken zij van manipulaties door de socialistische regering van het justitiële apparaat. Vreemder nog zijn de complottheorieën rondom de bloedige aanslag op het Atocha Station in Madrid in 2004. De regering van Aznar van de PP probeerde toen te doen voorkomen dat het een aanslag van de ETA betrof, hoewel alle indicaties wezen op een aanslag van moslimfundamentalisten. Het was een blunder van jewelste vlak voor de verkiezingen die vervolgens door de socialisten van Zapatero gewonnen werden. En nog steeds denken veel leden van de PP dat de ETA de aanslag gepleegd heeft, maar dat de socialisten al het bewijsmateriaal hebben achtergehouden. Zelfs zijn er die denken dat de socialisten zelf de aanslag beraamd hebben om de verkiezingen te winnen. Na de liquidatie van Osama Bin Laden was de reactie van de presidente van de deelstaat Madrid, Esperanza Aguirre (PP), dat al-Queda de aanslag in Madrid nooit heeft opgeëist. En daarbij lachte ze veelbetekenend. In Spanje is het niet de gewoonte dat journalisten dan doorvragen: ´Wat bedoelt u eigenlijk precies?´ Men laat hier de politici hun luchtballonnetjes zonder weerwoord oplaten. Bij de huldiging van Real Madrid vanwege het winnen van de Copa del Rey leken Mourinho en Aguirre het uitstekend met elkaar te vinden.

Maar je moet oppassen met al te gemakkelijke vergelijkingen tussen voetbal en politiek. Ik weet nog goed hoe voor het vallen van de muur de teams uit Oost-Europa vaak volkomen onterecht werden beschreven met termen als kadaverdiscipline en gebrek aan creativiteit. In de jaren zeventig werden de successen van de Nederlandse teams met hun langharige spelers op het conto geschreven van het ´progressieve, moderne´Nederland. Terwijl onze bondscoach Michels toch het bijna fascistische ´Voetbal is Oorlog´ predikte en er in de verdediging slagers als Suurbier stonden opgesteld. Wedstrijden tussen Duitsland en Nederland stonden altijd in het teken van de Tweede Wereldoorlog met als triest dieptepunt Ronald Koeman die als heldhaftige verzetsdaad, maar helaas 43 jaar te laat, zijn kont afveegde met het shirt dat hij net met een Duitse tegenstander had geruild. Het succes van Ajax in 1995 was voor progressief Nederland het succes van de multiculturele samenleving. Het verdedigende en agressieve spel van het Nederlandse team tijdens de wereldcup in 2010 werd juist weer verbonden met de bekrompenheid van geest die zich met het rechtspopulisme van Nederland had meester gemaakt.

Ondertussen zijn op de televisie de persconferenties begonnen. Guardiola beantwoordt in het Catalaans een vraag van een Catalaanse journalist. Veel Spanjaarden zullen zich daaraan ergeren ook al beantwoordt hij daarna in perfect Spaans een andere vraag. Even later komt Ferguson aan het woord. Live in het Engels. Een probleem voor de Spaanse publieke omroep die vreemde talen zoveel mogelijk van de buis probeert te weren. Tot zijn grote schrik wordt Reina, de Spaanse keeper van Liverpool die aanwezig is als hulpcommentator, gevraagd simultaan te vertalen. Ik hoor nog net hoe Ferguson, een Engelse gentleman, het spel van Barcelona prijst. Dan zet Reina zijn geïmproviseerde vertaling in, terwijl zijn collega-commentatoren er dwars doorheen kletsen. Het is een heerlijke puinhoop. Ik zet de televisie uit. Voorlopig genoeg voetbal.

vrijdag 6 mei 2011

Op zoek naar de bijeneter


Hier ergens moet het geweest zijn. Ik stap van mijn mountain bike en zet mijn helm af om beter te kunnen luisteren. Links heb ik een schitterend uitzicht op de vallei van El Bierzo. In de verte zie ik de bergen die de grens met Galicië en Asturië markeren. Rechts van me een steile helling vol jong eikenloof. Ik hoor nachtegalen. Maar daar barst het hier van. Ik hoor een roodborstje. Ook daar was ik niet echt naar op zoek.

Gisteren was ik hier ook. Een verkennende fietstocht langs het stuwmeer van de rivier El Sil en terug langs de flanken van deze heuvels. En toen, op dit mooie karrenspoor halverwege de helling, hoorde ik het. Een soort gezellig gekakel van een grote groep vogels. Maar niets te zien. Ik bleef geruime tijd staan luisteren en fietste toen snel naar huis. Daar zette ik gelijk de computer aan. www.soortenbank.nl. Een site waar je van bijna alle vogels het geluid kan horen. En mijn theorie bleek juist. Bijeneters! Bijeneters in El Bierzo!

Ach ja, vogels kijken. Een hobby waar ik absoluut geen talent voor heb. Maar dat heeft me nog nooit ergens van weerhouden. Het zijn mijn slechte ogen die me parten spelen. Verrekijker en bril, een ongemakkelijke combinatie. Gelukkig maken vogels geluiden. Vooral die kleine rotzangvogeltjes. Maar hoe weet je welk geluid bij welk vogeltje hoort? Vroeger was ik afhankelijk van mijn vogelgidsje. Daarin staat dan bij het geluid van de bijeneter: ´Herkenbare, vérdragende, lage, ijle tonen. Proep Proep´* Dat schiet niet echt op. En hoezo herkenbaar, als je het beestje nog nooit gezien hebt?
Een belangrijke stap vooruit was toen ik bestaan ontdekte van geluidscassettes met vogelzang. Een koele vrouwenstem kondigde de vogel aan: ´Het Goudhaantje´, waarna het beestje tekeer ging: ´siedli-ie-siedli-ie-siedl-ieoe´. Toen ik veertig werd, heb ik tijdens mijn verjaardagsfeestje zo´n cassettebandje opgezet, waarmee ik de spottende blikken van mijn voetbalvrienden trotseerde. Die wisten niets van deze hobby. Ik was uit de kast gekomen, concludeerde iemand. Het vogelkastje, om precies te zijn, vulde een ander aan. Hun gelach overstemde de prachtige uithalen van de zanglijster.

Emigreren betekent wennen. Andere taal, ander eten, andere dagindeling, andere vogelgeluiden. In de Jordaan werd ik wakker met het geroekoe van de houtduiven op balkon. Overdag klonk dat bijna mechanische getinkel van de pimpelmezen en koolmezen achter in de tuin. Het droeve lied van de merel luidde het vallen van de avond in. Hier in El Bierzo klinkt alles anders. Op een schoorsteen aan de overkant van de straat heeft een zwarte roodstaart zijn vaste stek. In de coniferen laten Europese Kanaries hun zenuwachtige trillers horen. Helemaal gek werd ik van een zeer luid gestjilp dat hier zowel in de zomer als in de winter langs de rivier klinkt: ´tsjie, tjewie, tjewetsjewetsjejuewewe.´ Ik kwam er maar niet achter welk beestje het was. Een gemankeerde nachtegaal, wellicht? Ik zocht op internet. En eindelijk had ik hem te pakken. De Cetti´s Zanger. El ruiseñor bastardo, heet hij hier. Zoiets als de nepnachtegaal, dus.

Ondertussen laten de bijeneters niets van zich horen of zien. Ik zet mijn helm op en fiets langzaam richting Ponferrada. En denk terug aan mijn kindertijd. Mijn buurjongen Hennie en ik bladeren in de vogelgids die ik voor mijn tiende verjaardag van mijn Ome Jaap heb gekregen. We herkennen het roodborstje en de koolmees die we die middag in het Gerbrandypark hebben gezien. Dan zien we de afbeelding van de bijeneter. Prachtig! Een droomvogel. Als we die toch eens zouden mogen zien.

* Alle transcripties van vogelgeluiden komen uit het boek Vogels van Europa van Capitool

donderdag 14 april 2011

Stemmen

´Inschrijven in het kiesregister? Voor de komende verkiezingen? Nee, dat kan niet meer.´ ´Maar ik heb gemaild met het Nationaal Instituut van de Statistiek en die zeiden dat het tot vandaag kon!´ ´Oh even, vragen.´ Even later komt ze terug. ´Dus u weet zeker dat u hier woont?´ ´Jazeker, ik sta ingeschreven en heb zelfs een spaans ID-nummer.´ Ik laat haar een groen formulier zien waarop staat: ´España. Certificado de Ciudadano de la Unión.´ Dat overtuigt haar. Ze geeft me een formulier. ´Dan moet u dit invullen en weer inleveren met fotokopieën van uw Spaanse ID en van het paspoort uit uw land.´ Ik begin het vrij onbegrijpelijke formulier in te vullen. Dan ga ik naar buiten.

La Plaza del Ayuntamiento blikkert in de zon. Overal staan en zitten scholieren. Ik loop naar de boekwinkel verderop. Daar hebben ze een kopieermachine. Een lange rij met scholieren. Waarom moet het nu net schoolpauze zijn? Eindelijk aan de beurt. ´Deze één maal en deze bladzijden van mijn paspoort ook één keer,´ leg ik de winkelbediende uit. Ze knikt begrijpend en kopieert. Ik loop weer terug naar het gemeentehuis. De scholieren op het plein zijn verdwenen. De vrouw achter de balie wijst naar een andere balie. ´Daar moet u het formulier inleveren.´ Gelukkig is het niet echt druk hier. De vrouw bij de andere balie neemt mijn papieren in ontvangst. ´Ik weet niet helemaal zeker of ik alles wel goed ingevuld heb; niet alle vragen op het formulier waren me helemaal duidelijk.´ ´Volgens mij is het helemaal goed zo,´ antwoordt zij zonder ook maar één blik op het formulier te werpen. Ze niet de papieren aan elkaar vast en legt ze in een bakje op andere formulieren. Ik kijk haar aarzelend aan. ´Dat was het,´ zegt ze chagrijnig. Ik groet en verlaat het pand. Het is nog steeds heerlijk weer. En ik ben stemgerechtigd voor de gemeenteraadsverkiezingen. Althans, dat mag ik hopen.

Op de hoek van het plein lonkt een terras. Ik strijk neer en bestel een café con leche. Die wordt gebracht met een lekkere torrija erbij. Een wentelteefje. Wat zal ik 22 mei gaan stemmen? Problemen zat in Spanje. Een werkloosheid van 20%. Vooral het gevolg van het uiteenspatten van de huizenmarkt. Ook hier in Ponferrada werd als een gek gebouwd. We stonden soms hoofdschuddend naar de snelverrijzende nieuwbouwwijken te kijken. Wie zou daar gaan wonen? Nou, niemand dus. Maar volgens mij is de corruptie de moeder van vele problemen in Spanje. Zal ik eens een campagne beginnen op facebook?

Stem niet op corrupte politici! Stem niet op de Partido Popular in Valencia, ook al ben je rechts! Stem niet op de Partido Socialista Obrero Español in Andalusië ook al ben je links! Het probleem van de corruptie overstijgt de politieke tegenstellingen! Een corrupte politicus heeft geen mening! Een corrupte politicus liegt!

Misschien komt er wel een grote beweging uit voort. Even zie ik voor me hoe het Plaza de Ayuntamiento zich vult met een menigte. Er worden borden gedragen met daarop ´Weg met de corruptie´ en ook ´Corruptie is een ziekte´. Ik sta op de trappen van het gemeentehuis en houd een vurige toespraak. Na afloop klinkt er een luid gejuich. Er wordt gescandeerd: ´Superguiri, superguiri.´* Mijn lijst El Bierzo Holandés Ya wint daarna natuurlijk de verkiezingen. Ik schop het tot burgermeester. Kan ik mooi mijn vrienden en familieleden uit Nederland laten overkomen om wat overheidsbaantjes te betrekken. Overheidsprojecten schenk ik aan bevriende ondernemers tegen een kleine commissie. Een immigrant dient zich aan te passen, niet waar? Ja, dat zou mooi zijn.

De klok van het klooster slaat twaalf. Ik schrik op uit mijn gedachten. Ach, zo laat alweer? Ik reken af en loop naar de supermarkt Gadis. Daar hebben ze altijd verse vis.

*Guiri: scheldnaam voor typische buitenlandse toerist

dinsdag 5 april 2011

Terug

Ik schud mijn oom nog een laatste keer de hand en zeg: ´Jaap, nogmaals bedankt voor de gastvrijheid; het was weer fijn om hier te zijn.´ Hij knikt me bemoedigend toe. ´Het was een wederzijds genoegen,´ zegt hij. Ik loop naar de lift. Mijn zware rode koffer draag ik in mijn hand, omdat de wieltjes te veel lawaai maken op de geribbelde vloer van de galerij. Eenmaal buiten zet ik de koffer op de grond en loop over het fietspad richting bushalte. Er schijnt een pril lentezonnetje.

Daar verderop is de straat waar ik de afgelopen maand zo vaak boodschappen heb gedaan. Volop keuze. Maar liefst vier bakkers. Drie mohammedaanse en één Nederlandse. Hoe kan het toch dat die elkaar niet wegconcurreren? Iedere bakker zal zijn eigen publiek hebben. De autochtone Osdorpers halen hun brood en tompoezen bij de Nederlandse bakker. Op zaterdag stonden daar steeds lange rijen. Meestal ging ik naar één van de Turkse bakkers. Croissants en vers wit brood dat snel oud wordt. Net als het Spaanse brood. Mijn lunchpakketje voor vandaag heb ik gemaakt van Hollands volkorenbrood met oude kaas. In dezelfde straat drie Turkse supermarkten met de groenten en het fruit uitbundig uitgestald op straat en binnen een slagerij met producten die ik herkende van de overdekte markt in Ponferrada: koeienstaarten, lamskoppen, zwezerik, niertjes en lever. Alleen geen varkensvlees, vanzelfsprekend. Voor rookworst moest ik naar een Nederlandse winkel.

Bus 63 komt voor de halte tot stilstand. Toch handig, die OV-chipkaart. Geen gerommel meer met strippenkaarten. Voor me in de bus zit een bejaarde Nederlandse vrouw geanimeerd met een gesluierd moslimmeisje te praten. Ze glimlachen en kijken bijna trots, alsof ze willen zeggen: ´Zie je wel, zo kan het ook´. Een vriendelijk gesprek als politieke daad. Vreemd dat zoveel Nederlanders zich opeens verzetten tegen tolerantie en cultuurrelativisme. Angst voor de buitenwereld. Angst voor de moderne tijd. Ze lijken op de ortodoxe moslims die ze zo verfoeien. In Spanje leeft het antimoslim¬sentiment veel minder, volgens mij. En dat terwijl er zo´n brute aanslag is gepleegd in Madrid. Hoe zal dat komen? De Moorse wortels van de Spaanse cultuur? Het verleden als emigratieland? Of gewoon omdat er nog geen partij is die de onvrede weet te mobiliseren?

De trein van Station Lelylaan naar Schiphol doet er slechts tien minuten over. Net genoeg tijd om een sinaasappeltje te eten. Die mag niet mee het vliegtuig in. Ook die appel moet ik snel opeten. Door het raam zie ik de Oeverlanden. Een strookje natuur in het overvolle Nederland. Daar fietste ik gisteren nog. Geen ijsvogels gezien. Wel veel mannen op zoek naar anonieme seks. Toen ik ´s avonds mijn Ome Jaap hierover sprak toonde die zich zoals zo vaak tolerant. ´Daar heeft niemand last van, laat ze hun gang maar gaan.´ ´Als ze maar niet overal condooms neergooien,´ antwoordde ik streng. De natuur ligt me nu eenmaal na aan het hart. Daarna spraken we over het milieu, atoomenergie en klimaatsverandering. Voorlopig mijn laatste goede gesprek in het Nederlands. Wat is het toch fijn als je je heel precies kan uitdrukken.

Langzaam taxiet het vliegtuig naar de startbaan. Heb ik voldoende uit dit bezoek aan Nederland gehaald? Ik heb veel mensen gezien. Vrienden en familie. Nederlands gepraat. Stamppot en haring gegeten. Gefietst. Muziek gemaakt. Slechts tien minuten gevoetbald vanwege een scheut pijn in mijn hemstring. Toch ben ik weer tijd te kort gekomen. Zoals altijd. Een veel te druk programma. En nu lekker naar huis. Ik voel hoe het vliegtuig accelereert en loskomt van de grond.

zondag 6 maart 2011

De cultuur van de openhartige leugen

Ik las pasgeleden in de zaterdagkrant van El País een artikeltje over de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Karl-Theodor zu Guttenberg, die ervan beschuldigd wordt in zijn afstudeerscriptie(cum laude geslaagd) plagiaat te hebben gepleegd. De volgende frase viel me op: ´Een buitenlandse waarnemer zou zich kunnen verbazen over de impact van dit schandaal´ (Un observador extranjero podría sorprenderse por la magnitud que ha alcanzado este escándalo).
Een onjuiste opmerking van de correspondent van El País. Er is geen enkele Nederlandse waarnemer die zich afvraagt hoe het komt dat een minister die zijn in zijn scriptie plagiaat heeft gepleegd in de problemen komt. Ik heb het donkerbruine vermoeden dat men hier in Spanje anders tegenover het verschijnsel liegen staat dan in Nederland.

Misschien wordt er in Nederland wel net zoveel gelogen als in Spanje. Daar kom je niet gemakkelijk achter. Maar hoe gaat men met leugens en de leugernaar om? In Nederland kwam iemand als Rita Verdonk al in de problemen toen zij loog over haar lidmaatschap van de PSP in haar jonge jaren. Een leugentje van niks, maar het maakte haar volkomen ongeloofwaardig. Hier in Spanje hoeft de leugenaar niet door het stof te gaan. Hier wordt zo openlijk gelogen, dat het bijna een vorm van de waarheid zeggen wordt. Hier heerst de cultuur van de openhartige leugen.

Neem de corruptiezaken. Daar wemelt het van in Spanje. In onder andere de deelstaat Valencia speelt een grote corruptiezaak die El Caso Gürtel wordt genoemd. Gürtel is een keten van obscure bedrijven die allerlei lucratieve projecten in de wacht weet te slepen van de autoriteiten van de deelstaat Valencia, naar verluidt na het geven van cadeautjes aan diverse politici van de rechtse Partido Popular, waaronder de president van Valencia: Francisco Camps. Tot zover niets nieuws onder de zon. Dit komt in vele landen voor. Maar hier in Spanje zijn de corrupten schaamteloos. De leider van Gürtel, Francisco Correa, laat zich graag Vito Corleone noemen, naar de rol van Marlon Brando in de film The Godfather. Dit is zijn foto:

Je mag natuurlijk nooit iemand op zijn uiterlijk beoordelen, maar deze man ziet er niet uit als iemand die uit alle macht zo eerlijk mogelijk probeert over te komen. Toch?
Toen de president van Valencia terecht moest staan voor zijn rol in dit corruptie-schandaal, noemde hij vlak voor het proces (waarin de zaak werd geseponeerd) de rechter ´meer dan een vriend´ van hem. Niks geen schaamte.

Het ontbreekt de Spaanse politieke partijen aan zelfreinigend vermogen. Ze steunen altijd hun van corruptie beschuldigde partijgenoten, meestal door te beweren dat de andere partij erger is, wat bijna een vorm van schuldbekennen is. Zo is een debat in het parlement over corruptie ongeveer zo weer te geven: ´¡Caso ERE!´ (een corruptiezaak in Andalusië waar socialisten bij betrokken zijn). ´¡Caso Gürtel!´ ´¡¡Nee, Caso ERE!!´ ´¡¡¡Nee, Caso Gürtel!!!´

Maar ander mooi voorbeeld van een openhartige leugenaar is Gerardo Díaz Ferrán. Hij was de president van de belangrijkste werkgeversbond in Spanje van 2007 tot eind 2010. Zijn onderneming, van onder andere goedkope vliegvakanties, ging echter failliet en dat had nogal wat gevolgen. Er waren grote schulden. Klanten hadden betaald maar hun vluchten waren geannuleerd. Er was geknoeid. Kortom, het kwam tot rechtszaken. Natuurlijk ontkende Gerardo Díaz Ferrán alle schuld. En hoe deed hij dat? Met de woorden: ´Ik zou zelf nooit bij mijn bedrijf Air Comet een reis hebben geboekt´. (Yo no hubiera elegido Air Comet para volar a ningún sitio). En vervolgens bleef Gerardo Díaz Ferrán gewoon in functie als leider van de Spaanse werkgevers en wist hij midden in deze tijden van crisis nog een arbeidsovereenkomst tussen de werkgevers en werknemers te torpederen. En niemand van de werkgevers die eens tegen hem zei: ´Gerardo, je bent een beetje, eh, in diskrediet gekomen; zou je niet eens overwegen op te stappen?´

Ook het edele voetbal ontkomt niet aan het openhartig liegen. Deze foto verscheen in de Madrileense krant AS.
Een mooie analyse van een spelmoment waarbij we Alves duidelijk buitenspel zien staan. Hieronder de foto in het sportblad Marca, die bijna op hetzelfde moment genomen is.
Er is opeens een verdediger bijgekomen. Die was er bij AS ´per ongeluk´ weggehaald. Alves lijkt nu op één lijn te staan. Er kwam de dag erna een rectificatie van de krant. Een foutje bij het opmaken van de pagina, werd het genoemd. Ik weet zeker dat er niemand ontslagen is vanwege deze manipulatie. Integendeel. ´Goede truc, jongen, zoiets zouden die Catalanen ook gedaan hebben.´

Waarom zal men in Spanje toch zo anders met liegen omgaan? Er zijn mensen die beweren dat het met het geloof te maken heeft. De protestantse god is minder vergevingsgezind dan de katholieke god. Als je hebt gezondigd, nou dan biecht je dat op bij een pastoor of maak je een pelgrimstocht naar Santiago de Compestela, da´s hier toch niet ver vandaan. Ik geloof eigenlijk niet dat daar de verklaring ligt. Goed, Spanje en Italië (waar de cultuur van de openhartige leugen zijn hoogtepunt heeft bereikt) zijn katholiek, maar Griekenland kent volgens mij het zelfde probleem en laten we het vooral niet het megalomane liegen van de (ex)dictators van Noord-Afrika vergeten. Het lijkt een mediterraan verschijnsel te zijn. Het zou toch niet het eten zijn? De mediterrane keuken is enorm lekker en heel gezond. Maar wie weet heeft een overdaad aan olijfolie als bijwerking dat je het met de waarheid niet meer zo nauw neemt. En ik woon al bijna twee jaar hier. Moet ik me zorgen gaan maken? Is het allemaal wel waar wat ik zojuist geschreven heb?

dinsdag 8 februari 2011

Naam en Betekenis

Lang geleden, tijdens een van mijn eerste treinreizen in Spanje, kwam ik geheel bij toeval tegenover een nogal voluptueuze Spaanse vrouw te zitten. Ondanks mijn zeer gebrekkige Spaans wist ik een gesprek aan te knopen. We stelden ons aan elkaar voor. ´Pilar´, zei ze, terwijl ze me de hand schudde. ´Pilar´, herhaalde ik verbaasd. En ik had daar het liefst op laten volgen: ´Aangenaam kennis te maken. En mijn naam is Paal. Lantaarn Paal´ Gelukkig was ik tot dat soort volzinnen nog lang niet in staat. Wel zocht ik later in mijn zakwoordenboekje het woord Pilar op. Ja hoor, Pilar betekent gewoon pilaar. Hoe zouden ouders het in hun hoofd halen hun dochter zo te noemen?

Later ben ik nog veel meer vreemde Spaanse namen tegengekomen. Vooral bij vrouwen. Mannen heten gewoon Pedro, Carlos, Juan of Santiago. Namen van koningen of bijbelfiguren. Een vriend van ons heet zelfs Jesús. In Nederland een vrij ongewone naam. Zijn vrouw heet overigens Belén en het heeft bij mij heel lang geduurd voor ik erachter kwam dat Belén Bethlehem betekent. We gaan dus regelmatig bij Jezus en Bethlehem op visite. Hoewel Belén ook kerststal kan betekenen.

Veel vrouwen heten hier Ana. Als je in een drukke winkelstraat op zaterdag ´¡Ana!´ roept, zal bijna de helft van de vrouwen opkijken. Het is een naam waar niets aan mankeert, natuurlijk. Mooi in zijn eenvoud en symmetrie. Maar ook zijn er namen als Concepción (conceptie), Consuelo (troost), Adoración (verheerlijking) en zelfs Socorro (hulp of help!). Deze laatste naam komt tegenwoordig niet zo vaak meer voor. Roep in een drukke winkelstraat op zaterdag ´¡Socorro!´ en haast niemand kijkt op. In Nederland zouden zulke namen toch niet kunnen? ´Weet iemand waar ik Troost kan vinden?´ ´Conceptie, je komt wat ongelegen.´ Enfin, verzin zelf je grappen maar. Wij Nederlanders zijn een spotziek volkje. Hier in Spanje heb ik nooit ook maar de geringste aanzet tot een glimlachje gezien als iemand zich voorstelde als Concepción.

Een goede vriendin van ons heet Encina. Steeneik. Een mooie boom. Statig als hij groeit op de hoogvlakte, ruig en verweerd als hij zich moet handhaven in de bergen. De eikeltjes dienen als voer voor de beroemde zwarte Iberische varkens. Ooit zou men in Ponferrada in een omgehakte steeneik een beeld van Maria hebben teruggevonden dat eeuwen daarvoor voor de Moren verstopt was. Genoeg reden om je dochter Steeneik te noemen. Op de Canarische eilanden heten veel vrouwen Pino, omdat daar Maria ooit in een Pijnboom is verschenen. En ook de weinig flatteuze naam Pilar komt van een verschijning van Maria. Op een pilaar dus. Het zal wel weer typisch Nederlands zijn om dan allerlei plekken te verzinnen waar Mariaverschijningen ook plaatsgevonden zouden kunnen hebben. Op een schoorsteen, om maar iets onschuldigs te noemen. ´Hola, Chimenea, ¿Qué tal?´

In Nederland zijn het de achternamen die soms wat vreemd aandoen. Naaktgeboren, Spring in ´t Veld of De Kwaadsteniet, bijvoorbeeld. Er gaat een legende dat toen Nederlanders door Napoleon verplicht werden zich in te schrijven in het bevolkingsregister zij als daad van verzet dit soort achternamen kozen. Sterke verhalen over verzet moet je vaak met een korrel zout nemen. Maar zouden achternamen met vreemde betekenissen meer voorkomen in Nederland dan in Spanje? Laat ik als willekeurige steekproef eens de namen nemen van de beide voetbalteams die in Zuid-Afrika in de finale tegenover elkaar stonden. Bij de Spanjaarden zien we de volgende namen met een betekenis: Del Bosque (van het bos), Casillas (huisjes), Ramos ((bloem)bossen) Torres (torens) Mata (struikgewas) en Villa (villa of stad). Niet echt hilarisch. De Nederlanders hadden Van der Vaart, Sneijder, De Jong, Robben, Kuijt (bij wie ik toch vooral denk aan viskuit), Braafheid en Schaars. Misschien dat de namen Arjen Lobos del Mar, Dirk Huevas de Pescado, Edson Docilidad y Stijn Escaso een glimlachje weten te toveren op de gezichten van Concepción, Consuelo, Pilar en Pino.

Roland Knoppe (geen geintjes nou, mensen)