maandag 25 februari 2013

We zijn allemaal mensen


Humor is een van oudsher beproefde methode om nare berichten te verwerken. Hier in Spanje circuleren over internet vele filmpjes en foto’s met humoristische onderschriften over de crisis en de corruptie. Eén van mijn favorieten is een foto van de landing op mars met als tekst: Mars – vliegveld van Castellón 1-0. Maar laatst kreeg ik een humoristische filmpje opgestuurd dat me zelfs een beetje choqueerde, iets wat me niet vaak overkomt.

Het gaat hier om een parodie op de heren Rajoy (minister-president) en Montoro (minister van financiën) die op een balkon het volk toeroepen dat ze zo goed het geld weten te verdelen door het te geven aan de rijken en de corrupten. Best aardig. Dan gaan ze zingen. Bijna is het afgelopen als Rajoy wijst naar waar Eurovegas moet komen. Eurovegas is een controversieel project van ene Mr Sheldon Adelson, een puissant rijke Amerikaan. Het zal verrijzen nabij Madrid en er zal volop gelegenheid zijn voor gokken, roken (de Spaanse wetgeving zal in Eurovegas niet van toepassing zijn) en allerlei andere ondeugden. Het is natuurlijk maar de vraag of zo’n megaproject met de nodige steun van de overheid niet op net zo een catastrofe uit gaat lopen als het beroemde vliegveld van Castellón (al is er voor ondeugden altijd wel een markt, weet ik als docent economie). Enfin, in het filmpje roept Rajoy iets als: ‘¡Kijk daar komt Eurovegas!’, en de hele menigte begint te zingen en te dansen: ‘Señor judío, le recibimos con alegría’ (meneer de jood, we heten je van harte welkom). (Voor het fimpje op youtube klik HIER)

Waarom was ik een beetje geschokt? In principe vind ik dat je met iedereen mag spotten, ongeacht ras, godsdienst of seksuele voorkeur. Ten eerste wist ik niet dat die Adelson joods was, dus het verbinden van al die corrupte vuile zaakjes met het jodendom kwam nogal onverwacht. Er zijn nauwelijks joden in Spanje. Maar goed, als ze hadden gezongen: ‘Meneer de amerikaan, welkom in ons midden’ had ik er nauwelijks aandacht aan het geheel besteed. Dat Adelson een Amerikaanse investeerder is, lijkt me weer wel interessante informatie. Maar als het een neger was geweest of een homo, dan had ik een liedje daarover weer wel ontoepasselijk gevonden.

Het kan zijn dat ik wat overgevoelig ben rond het thema antisemitisme; in de jeugd van mijn ouders werden er meer dan honderdduizend joden uit Nederland gedeporteerd en vermoord. In Spanje leeft de Tweede wereldoorlog veel minder, omdat het land officieel neutraal was. De jodenvervolgingen in Spanje vonden plaats in de tijden van de inquisitie, te lang geleden om nu nog gevoelens van schaamte te kunnen oproepen. Zo spreekt men hier tijdens de heilige week (de week voor Pasen) van het doden van een jood, matar a un judío, als men het traditionele nogal sterke drankje limonada drinkt. Ook ben ik hier in Spanje voor het eerst van mijn leven mensen tegengekomen die serieus beweren dat de holocaust nooit heeft plaatsgevonden. Maar gelukkig zijn dat ook in Spanje uitzonderingen. Wat mij ook bijzonder bevreemdde was dat een soldaat die had gevochten bij de División Azul, de fascistische troepen van Franco die Hitler hielpen bij de oorlog in Rusland, hier in El diario de León werd beschreven als ‘een echte Spaanse oorlogsheld.’ . Er waren ook veel Nederlanders daar aan het oostfront, maar die noemen we toch maar liever niet oorlogshelden. (Voor het artikel in El Diario de León klik HIER)

Het vreemde is dat je het antisemitisme niet alleen aantreft bij fascistisch rechts, waar je het kunt verwachten, maar ook bij links. Soms gaat de solidariteit met de Palestijnen zo ver dat de staat Israël verward wordt met joden in het algemeen. Dat is niet helemaal onbegrijpelijk want veel zionisten zien elke kritiek op Israel als een vorm van antisemitisme. Maar voor een Nederlander blijft het verwarrend. Zo vroeg een keer een linkse Spanjaard me plotseling: ‘¿En wat is nu eigenlijk jouw mening over de joden?’ Ik wist me echt geen raad met de vraag en antwoordde: ‘¿De joden? ¿¿Allemaal?? Ik woon nu al meer dan drie jaar in Spanje, en ik heb nog niet eens een mening over alle Spanjaarden.’


maandag 4 februari 2013

Mijn zangcarrière


Als klein kind wilde ik al zanger worden. Dat was in de jaren zestig van de vorige eeuw. Mijn oudste broer was een groot fan van de Beatles. Hij had een aantal singles in huis en ook op de radio was de muziek vaak te horen. Zonder iets van de betekenis te begrijpen murmelde ik de teksten mee. Op een dag was het grote moment daar. Ik pakte de mattenklopper van mijn moeder en ging de straat op. De plek had ik al van tevoren uitgekozen. Aan het begin van de straat, niet ver van de gracht, stond een waterpaaltje voor de brandweer. De tuit daarvan vond ik erg op een microfoon lijken. Ik pakte de mattenklopper vast als was het een gitaar, keek nog even naar waar ik de tribunes vol publiek fantaseerde: de twee huizenblokken aan weerszijden van de Jacob van Arteveldestraat in Amsterdam-West. En toen zette ik het op een bleren. Ik hoop dat het klonk als: She loves you, yeah yeah. En misschien dat ik ook wel een imitatie heb gegeven van Help, I need somebody. Tot mijn verbazing kreeg ik echt publiek. Op de balkons verschenen buren om te kijken waarom dat kleine mannetje van een jaar of zes met een mattenklopper in zijn handen daar zo enorm stond te schreeuwen.

Ik geloof dat ik enkele van die optredens heb gegeven. Daarna won de schroom het van mijn kinderlijke onbevangenheid. Alleen in mijn kamer zong ik nog wel eens met Lennon en McCartney mee. Later ook met mijn eigen platen. The Who, Pink Floyd, Yes, ja, zelfs Frank Zappa. Zelf vond ik dat best goed klinken. Toen ik een jaar of negentien was kocht ik een gitaar en leerde de akkoorden. De Beatles keerden terug in mijn repertoire. Een enkele keer zong ik iemand een lied voor. Meestal werd er dan wat bedenkelijk gekeken. Soms zei iemand: ‘Nou, je kunt best al aardig gitaarspelen.’ Een enkeling zei recht voor z’n raap: ‘Man, jij zingt hartstikke vals.’ Ik nam een lied op met een cassetterecorder en luisterde het terug. Nu pas hoorde ik het ook. Het pad naar roem bleek bezaaid te liggen met doornen.

Met wat vrienden richtten we begin jaren tachtig een bandje op. ‘t Weiland, met Nederlandstalige vrolijke nummers, hetgeen geheel tegen de tijdsgeest van Punk en New Wave inging. Ik speelde bas. Soms probeerde ik nog wat mee te zingen als tweede of derde stem. Tot dat me ten stelligste werd afgeraden. Ja, één nummer mocht ik zingen, meestal het laatste nummer van een optreden. Geen frituur, heette dat. Een woordspeling op No future, de zwartgallige slogan van die tijd, maar dat ontging de meeste toerhoorders. In het nummer komen wat dronken mensen na een avond stappen de snackbar binnen en willen dan na sluitingstijd toch nog patatten en kroketten. Ik ben de snackbareigenaar. Ik word kwaad en mag dan in het nummer uitzinnig uit mijn dak gaan: ‘Geen frituur!! Dus geen patatten! Nee, ook geen frikadellen!! Op dit late uur!!’ Mijn zang kon blijkbaar nog wel als komisch element gebruikt worden.

Toen ik me definitief in Spanje vestigde kocht ik een akoestische gitaar. Niets is ontspannender dan even lekker tokkelen. Soms zong ik ook wat. Langzaamaan ontstond er een lied vol weemoed en verlangen. Toen ik het uiteindelijk Ana voorzong, zag in haar ogen tranen blinken. Enthousiast geworden maakte ik er een clip van en zette die op Youtube. Mijn Spaanstalige blog werd bij toeval ontdekt door de makers van het online multimediakanaal Estado Público.com. Tot mijn verbazing wilden ze behalve mijn teksten ook mijn videoclip plaatsen. Mijn zangcarrière was in een beslissende fase beland.

En nu is het wachten op mijn definitieve doorbraak. Misschien via het Eurovisiesongfestival. Als representant van Nederland of Spanje, dat maakt niet uit; mijn pasodobles doen niet veel onder voor mijn Nederlandse levensliederen. In elk geval zal bij de prijsuitreiking mijn dank uitgaan naar alle mensen die het mij mogelijk hebben gemaakt mijn droom te verwezenlijken: alle medewerkers van Estado Público.com voor hun uitstekende muzikale smaak, mijn kameraden van popgroep ‘t Weiland voor de creatieve ontwikkeling die we samen doormaakten, mijn lieve vrouw Ana voor haar onvoorwaardelijke steun en mijn moeder voor haar mattenklopper.

Voor de videoclip bij Estado Público.com klik HIER


't Weiland, een vrolijke noot in de jaren '80