dinsdag 28 oktober 2014

De banken

Ik heb de foto nog. Het zijn de jaren ’80. We drinken een pilsje op het terras van Café Zurich in Barcelona. Dan besluit ik mijn gloednieuwe giropas uit te proberen bij de Banco Central aan de overkant van de Ramblas. Dat zal de eerste keer zijn dat ik op straat geld trek uit een automaat die niet aan een Nederlands postkantoor hangt. En het lukt: de pesetabiljetten glijden langzaam uit de gleuf. Vol trots ga ik weer terug naar het terras van Café Zurich via de voetgangerstunnel onder De Ramblas door. Net als ik bovenkom drukt mijn vriend Wybe de foto af. We zien een jongeman (met best veel haar nog) na een geslaagde missie. Nooit meer zou het nodig zijn om met travellercheques in een postkantoor in de rij te staan.

Spanje liep in die tijd voorop wat betreft het bankwezen. Tijdens onze reizen viel het ons op dat zelfs in de kleine bergstadjes bijna altijd wel een geldautomaat voorhanden was. De banken waren alomtegenwoordig. En dat is eigenlijk nog steeds zo. Alleen al hier beneden in de straat, in La Avenida de América, zijn er maar liefst twee banken en drie geldautomaten te vinden. In veel grote winkelstraten, ook die van Ponferrada, domineren de bankgebouwen het straatbeeld. Ondanks de vele fusies is de diversiteit aan banken opvallend.

Het vreemde is dat het in Spanje makkelijker is om geld van mijn Nederlandse rekening op te nemen dan van mijn Spaanse rekening. Met een Spaanse pas moet je altijd goed letten op waar je het geld trekt, anders betaal je (geloof ik) € 3,50 commissie. Terwijl ik met mijn Nederlandse pas waar dan ook in Spanje (en in bijna heel Europa) zonder enige extra kosten geld kan trekken. Een merkwaardig verschil. En het is nota bene dezelfde bank; de ING is ook hier in Spanje actief. Tja, nog steeds bij de ING; ik schaam me er bijna voor het te zeggen. Daar kwam je als oud girogebruiker nu eenmaal vanzelf bij terecht. Ik ben altijd te lui geweest om van bank te wisselen, hoewel daar alle aanleiding toe was. Het toppunt van cynisme was toch wel dat ze Wim Kok, oud-vakbondsleider en ooit socialist, wisten te strikken voor het goedpraten van de perverse bonuscultuur.

Ook hier in Spanje hebben de bankiers zichzelf in de tijden van de economische voorspoed bijzonder goed beloond, niet alleen bij de grote banken, maar ook bij de vele cajas de ahorros: de spaarbanken. Ooit waren dat wellicht kleine banken met sociaal gezicht. Nog steeds organiseert de Caja España af en toe culturele evenementen in Ponferrada. Maar de meeste van deze spaarbanken zijn in de gretige handen gekomen van zichzelf verrijkende bestuurders. Veelal zijn dat representanten van de politieke partijen, de vakbonden en de werkgeversorganisaties. Die vormen het bestuur, al dan niet in coalitievorm. En da’s lang niet altijd goed gegaan.

Zo hebben ze aan veel spaarders preferente obligaties verkocht met de belofte van hogere rentes zonder al te veel risico. Dat risico bleek alleen laag zolang er de financiële luchtbel bleef uitdijen. Vooral veel oudere mensen raakten zo al hun spaarcenten kwijt. Op het ogenblik is vooral de vroegere Caja Madrid in opspraak. Daar hebben de bestuurders (vooral dankzij een coalitie van de regerende Partido Popular en de ooit communistische vakbond Comisiones Obreras) zichzelf gratis betaalpasjes gegeven om lopende kosten mee te dekken, hetgeen alle aanleiding gaf om uitbundig te shoppen bij diverse luxe winkels.

De verwevenheid van de politiek met het (financiële) bedrijfsleven is een ongezonde zaak. De economische en politieke macht moeten zoveel mogelijk gescheiden worden. Politici moeten niet zelf in het bankwezen zitten; ze moeten het bankwezen van buitenaf controleren en reguleren. Wij als oplettende burgers moeten op onze beurt dan weer de politici controleren en reguleren, natuurlijk. Oh ja, en ik moet binnenkort toch maar eens van bank veranderen, ten minste, als dat niet te veel tijd en moeite kost.