donderdag 20 november 2014

Sportief

Eén van de fouten die je als immigrant kunt maken is denken dat de mensen in je directe leefomgeving typische respresentanten zijn van de gehele bevolking van het land. Een vooroordeel is snel geboren. Toen ik hier kwam wonen, nu alweer vijfeneenhalf jaar geleden, was ik al een ervaren Spanjereiziger en ik wist dat er niet veel klopte van de heersende stereotypen: flamenco, paella, stierenvechten, mañana mañana en altijd vrolijk.

Desalniettemin arriveerde ik hier met een reiskoffer vol vooroordelen, en zeker weten resteren me er nog een aantal.  Deze raakte ik deze zomer kwijt: Nederlanders zijn over het algemeen sportiever dan Spanjaarden. Heel veel Spanjaarden zullen bij het lezen van deze tekst (in opiniones de un guiri) schamper lachen. ‘¿Nederlanders sportiever dan wij? ¿Weet die arrogante Hollander dan niet dat we bijna een decennium lang in het voetbal hebben geheerst en dat wij één van de beste nationale basketballteams van Europa hebben, om nog maar te zwijgen over zoveel andere sporten?’

Mijn ideeën over de sportiviteit in de beide landen waren natuurlijk gebaseerd op mijn ervaringen met de mensen om me heen. Mijn Nederlandse vrienden zijn over het algemeen redelijk sportief. Vakanties brachten wij graag door in de bergen voor meerdaagse trektochten of skiën. Met een groot deel van mijn vrienden speelden we elke zaterdag voetbal bij de beroemde Amsterdamse club afc Taba. Nou moet ik toegeven dat dat laatste wel erg sportief klinkt, maar misschien niet altijd de meest gezonde bezigheid van de wereld te noemen is. Daarvoor vierden wij onze overwinningen net iets te uitgebreid met bier en kroketten. Omdat overwinningen niet al te vaak voorkwamen vierden we ook elk gelijkspel met bier en kroketten, terwijl de meeste zaterdagen eindigden met veel bier en kroketten als troost voor de zoveelste nederlaag. Eenmaal in El Bierzo kwam mijn leven in een iets rustiger vaarwater terecht. Bij toeval ontmoette ik vooral mensen wier voornaamste sportieve activiteit leek te bestaan uit het met de auto naar een dorp rijden om daar zo langzaam mogelijk naar het plaatselijk restaurant te wandelen. 

De eerste barst in mijn vooringenomenheid omtrent de sportiviteit van de Spanjaarden ontstond tijdens een dinertje met enkele Berciaanse vrienden. Ze vroegen me of ik van wandelen hield hetgeen ik met een kracht ¡Si! beaamde. ‘Hij is erg sportief,’ beaamde Ana vol trots. ‘Goed zo,’ zeiden de vrienden enthousiast,’ misschien wil je dit voorjaar dan wel meedoen met de Travesía de los Montes Aquilianos, een wandeling vanuit Ponferrada naar de bergtoppen en weer terug; zo’n vijfenzestig kilometer.’ ’¿Vijfenzestig kilometer op één dag?’ vroeg ik verontrust. ‘Er is ook een kortere route van maar vijfenveertig kilometer als je wilt’ zeiden ze geruststellend. Toevallig had ik deze route een paar weken eerder gelopen met mijn vriend Freek. We hadden daar drie dagen over gedaan met overnachtingen in de dorpen Espinoso de Compludo en Peñalba de Santiago en de tocht had ons een pittige prestatie geleken. ‘Ik zal het in overweging nemen,’ antwoordde ik hypocriet. 

Tijdens het joggen langs de rivier El Sil of op de bergrug El Pajariel was me al opgevallen dat sommige medejoggers beduidend sneller renden dan ik. Maar vooroordelen zijn hardnekkig. ‘Vast een professioneel,’ dacht ik dan, of ‘Ja, toen ik zo jong was ging ik ook zo hard.’ Maar dit voorjaar besloot een Engelse collega van me ons beiden in te schrijven voor de hardloopwedstrijd El Pajariel Vertical. Op een zonnige zondagmorgen verzamelden we bij de oever van El Sil en daarvandaan gingen we één voor één om de minuut van start. Op die dag, terwijl ik zwetend het kronkelige paadje naar de top van El Pajariel beklom en ik achter elkaar door Bercianen werd ingehaald die me bij het passeren nog groetten ook (alle Spanjaarden zijn enorm vriendelijk), werd me duidelijk dat mijn mening over de sportiviteit van de Spanjaarden gebaseerd was geweest op een te kleine en niet geheel representatieve steekproef.
Finish El Pajariel Vertical


vrijdag 7 november 2014

Prisoner's dilemma

Als leraar economie leg ik soms aan mijn studenten een onderdeel van de speltheorie uit, het prisoner’s dilemma geheten. Het gaat om een denkbeeldige situatie waarbij twee criminelen die samen een misdaad hebben gepleegd apart van elkaar door justitie verhoord worden. Als geen van beiden praat, krijgen ze een lage straf. De ander aangeven betekent een aanzienlijke strafvermindering, maar aangegeven worden resulteert weer in een hogere straf. Op het bord leg ik het met een voorbeeld uit:



B praat
B praat niet
A praat
Beiden 5 jaar cel
A vrij; B 10 jaar cel
A praat niet
A 10 jaar cel; B vrij
Beiden 1 jaar cel



Wat is de meest waarschijnlijke uitkomst?


Ofschoon niet praten tot de laagste gezamenlijke straf zou leiden, is dit niet de meest waarschijnlijke uitkomst, vooral als de gevangenen elkaar niet vertrouwen. In de economische wetenschap wordt dit model gebruikt om het gedrag van twee grote bedrijven in een markt (een oligopolie) te beschrijven die in een prijzenoorlog verwikkeld kunnen raken. Volgens mij is de prisoner’s dilemma ook van toepassing op het gedrag van de twee grote partijen in de Spaanse politiek: de rechtse PP (Partido Popular) en de linkse PSOE (Partido Socialista Obrero Español), die tegenwoordig soms gekscherend onder één noemer worden gebracht, de PPSOE.

Heel letterlijk lijkt de situatie van Bárcenas, de ex-penningmeester van de PP, op het prisoner’s dilemma. Hij zit nu alweer een tijdje in de cel, nadat er miljoenen euro’s op zijn bankrekeningen in Zwitserland waren aangetroffen. Ik weet niet of ze hem strafvermindering hebben toegezegd, maar een feit is dat Bárcenas besloten heeft te praten. Veel van zijn partijgenoten zullen onderhand wel spijt hebben dat ze hem niet gesteund hebben toe hij werd gesnapt, maar hem integendeel alle schuld probeerden toe te schuiven.

De onderlinge verhouding tussen de twee belangrijkste partijen lijkt ook op die van de criminelen van het prisoner’s dilemma. Nu de ene na de andere corruptiezaak aan het licht komt, verwijten ze elkaar steeds vaker de corruptste partij te zijn,. Veel politici van de PP en de PSOE vermoeden dat ‘die van de andere partij’ achter de aantijgingen in de pers en de justitiële vervolgingen van hun partijgenoten zitten. En het zou me niets verbazen als ze daarin deels gelijk hadden. In Spanje is de scheiding tussen de politieke en de justitiële macht niet erg groot. Veel rechters zijn verbonden aan één van de twee partijen.

We hadden al el caso Gürtel (PP-politici in Valencia en andere deelstaten ontvingen geld en cadeautjes van een vaag conglomeraat van ondernemingen), el caso de los ERE (in Andalusië roofden PSOE-politici en vakbondsbestuurders uit een fonds voor tijdelijk werklozen), el caso Puyol (Puyol is een Catalaanse ex-politicus met verdacht veel geld op buitenlandse rekeningen) en nog vele zaken meer, maar de afgelopen week kwam hier el caso Púnica bij. Met name in Madrid maar ook bijvoorbeeld hier in de provincie León, kregen lokale politici van vooral de PP, maar net zo gemakkelijk een aantal van de PSOE, geld toegeschoven in ruil voor het toewijzen van openbare projecten aan een groot bouwbedrijf. Niets nieuws onder zon, wellicht, maar dit keer lijkt er iets fundamenteels veranderd te zijn. Bij de laatste algemene verkiezingen verkreeg de PP nog 44,6% van de stemmen (en door een vreemde kronkel in het kiessysteem daardoor de absolute meerderheid in het parlement), ondanks dat de caso Gürtel allang bekend was. Dit keer lijken de Spaanse stemmers de corruptie zat te zijn. Bij een verkiezingsenquête kwam de nieuwe groepering Podemos (we kunnen) als grootste partij uit de bus. Natuurlijk is het maar de vraag of er bij echte verkiezingen ook zoveel stemmen zouden gaan naar deze nieuwe partij die nogal wat radicale veranderingen voorstaat. Nieuwe partijen stijgen en dalen nu eenmaal snel op de golven van de proteststemmen. Maar duidelijk is dat er ruimte is voor nieuwe partijen, zowel aan de rechterkant als de linkerkant van het politieke spectrum. Het zou wel eens afgelopen kunnen zijn met de automatische wisseling van macht tussen de PP en de PSOE. De speltheorie geeft het aan: als de twee partijen alles of niets spelen, is de meest waarschijnlijke uitkomst dat beide partijen verliezen.

Luis Bárcenas