maandag 23 januari 2023
Genomineerd
zaterdag 5 februari 2022
Vlees
zondag 22 oktober 2017
Zwarte maandag
Tijdens het lezen van het artikel bemerkte ik dat er iets vreemds aan de hand was. Het was buiten nog steeds donker. Hoe laat was het? Ver over negenen. Het had allang licht moeten zijn. Ik liep naar het raam en keek naar buiten. Mijn ergste vermoedens werden bevestigd. De hele stad was gehuld in een deken van rook. De zon kwam er niet doorheen. De straatlantaarns brandden nog.
Dat er diverse bosbranden aan het woeden waren wist ik al. Het weekeinde waren we in Salientes geweest, dat schitterende bergdorp in het noordelijke deel van El Bierzo. Op weg er naar toe zagen we dat sommige bergen in de fik waren gestoken. Volgens mensen uit het dorp was het juist daar waar veel beren leefden. Dat zou volgens hen wel eens geen toeval kunnen zijn, lieten ze er veelbetekenend op volgen. Zondagavond laat zagen we op de televisie dat vooral in Portugal en Galicië de toestand heel ernstig was. Enorme vuurzeeën. Er waren al doden gevallen.
En op maandag had de westenwind de rook van Galicië naar El Bierzo gedreven, hoewel er ook enkele lokale bosbranden gaande waren. Toen ik even later de straat opging om de dagelijkse boodschappen te doen, was het nog steeds donker en erg rokerig. De sfeer was grimmig en mistroostig tegelijk. Her en der stonden mensen in kleine groepjes bijeen om het gebeuren te bespreken. Een buurtgenoot sprak me aan: ‘¡Galicië brandt! ¡De brandbestrijders zelf zijn de daders!’ En met een cynische lach maakte hij met duim en wijsvinger het gebaar van geld verdienen. Zoals zo vaak werd er gedacht aan een samenzwering. De brandbestrijders, de grote bouwbedrijven, de maffia zelfs. Vanzelfsprekend kregen ook de politici de schuld. Die zouden allemaal moeten aftreden. Maar is er beleid te maken dat zo’n immens leeg gebied in tijden van langdurige droogte beschermt tegen brandstichters? En de grote vraag is: wie zijn de daders?
Hier in El Bierzo zijn ondertussen vier daders geïdentificeerd, zover ik weet.
De grote brand van april nabij de beroemde El Valle del Silencio (de vallei der Stilte) was een daad van een lokale veehouder die verse weidegrond wou creëren door het struikgewas af te fikken. Dat liep door de harde wind enorm uit de hand.
Vorige week pakten ze hier hoog in de bergen op de Campo de las Danzas (Het Veld van de Dansen) een zeventigjarige man op die een fikkie stookte. Of dat iemand uit één van de nabijgelegen dorpen was, werd niet vermeld, maar dat vermoed ik wel.
Op maandag zelf pakten ze een veertigjarige inwoner van Ponferrada op die met zijn mountainbike naar El Pajariel was gereden en daar op diverse plekken brand had gesticht. Hij is bezeten om El Pajariel af te branden, vermeldde El Diario de León. Waarschijnlijk was hij dan degene die een paar weken geleden rond het middaguur, toen heel Ponferrada aan de maaltijd zat of zat uit te buiken, recht tegenover ons huis El Pajariel in de fik had gestoken. Het was schrikbarend hoe snel de berg vlam had gevat.
En dan pakten ze deze week ook nog een 84-jarige dorpeling op die het tuinafval aan het verbranden was, verdacht dicht bij een brandhaard aan de voet van de bergen.
Het profiel van deze daders komt in het geheel niet overeen met wat de mensen in de straat veronderstelden. In plaats van grote bedrijven en de maffia moeten we wellicht onze directe buren wantrouwen. En vooral oudere eigenwijze dorpelingen die een stuk berg affikken voor hun vee of tuinafval verbranden omdat ze dat altijd al gedaan hebben. Ik sluit speculatieve motieven niet uit, vanzelfsprekend. Het is immers altijd zo dat de meest onbenullige daders het eerst tegen de lamp lopen.
Er moet onderzoek worden verricht naar de motieven van de brandstichters en de daders moeten streng worden aangepakt, daar is iedereen het wel over eens. Een verbod op het gebruik van vuur in rurale gebieden lijkt mij noodzakelijk. De langdurige droogte en het absurde warme najaar zijn echter een gevolg van klimaatverandering. Daar kunnen we alleen op de langere termijn wat tegen doen. Als we dat tenminste echt willen.

dinsdag 22 december 2009
Brieven uit El Bierzo 6
Het regent. Zoals zo vaak in Galicië. Toch stappen we uit de auto. Het is in elk geval niet koud. Wel staat er een stevige wind. Wat wil je? Het is december en we zijn aan de kust van de Atlantische Oceaan. We lopen naar het toegangshek. Tot onze verbazing is de camping gewoon open. ´¿Mogen we de camping op?´, vragen we aan de man in het receptiehuisje. Ook hij is verbaasd. ´¿Wat komen jullie doen, dan?´ ´Nou, gewoon even rondkijken.´ Hij knikt ongeïnteresseerd en leest verder in zijn krant.
We herkennen de kantine van de camping. Die is niet veranderd. Het zwembad wel. Daarin staat nu een hele ingewikkelde glijbaan in lelijke kleuren. Zonde eigenlijk. Maar voor kinderen misschien wel leuk. We lopen verder de camping op. ´¿Weet jij nog waar jullie tent stond?´ vraag ik. ´Ik weet het niet precies; ik ben hier verschillende keren geweest. Ook nog na die tijd. ¿En jullie?´ ´Ik herinner me dat we op een veld stonden. Dat moet daar zijn geweest, aan het begin van de camping. Wij zorgden er altijd wel voor dat we dicht bij de voorzieningen stonden.´ Langzaam lopen we verder. De camping is schitterend gelegen. Dat is niet veranderd. Aan drie kanten omgeven door water. Links het strand. Rechts een soort waddengebied. De monding van een rivier. We lopen terug. Nu met wind tegen. De regen wordt daardoor onaangenamer. ´Laten nog even naar het strand kijken´, stel ik voor. We lopen tussen twee bungalows door en zien het langgerekte strand, dat met een wijde bocht eindigt bij de haven van Baiona. Hier ergens moet het geweest zijn. Het kampvuur. Zo lang geleden. De zomer van 1983.
Zo jong nog. Zo onbevangen. We waren op reis met onze Interrailkaarten, mijn vriend Wybe en ik. Een maand lang onbeperkt met de trein door Europa. We waren in Barcelona geweest. Daarna dat ruige feest in Pamplona. Om uiteindelijk hier aan te komen aan de Westkust van Galicië. Een fijne camping. Lekker bijkomen op het strand. Maar na een paar dagen sloop er al onrust in onze jonge lijven. Zo´n interrailkaart moet je natuurlijk wel gebruiken. In het station kochten we twee reserveringen voor de trein naar één of ander vergelegen oord. ´s Avonds aten we nog eenmaal pulpo en gingen vroeg onze slaapzakken in. De trein zou in de vroege morgen vertrekken. Om een uur of twaalf werden we gewekt. Het waren de meiden van de tent verderop. ´We hebben een feestje op het strand. ¿Komen jullie ook?¡ En neem vooral ook je gitaar mee!´ Binnen de kortste keren waren we weer in de kleren. Op het strand was een kampvuur. We raakten in gesprek met wat meisjes. Uit El Bierzo kwamen ze. Nooit van gehoord.
Later die nacht gebeurde het. Ik haalde de twee reserveringen uit mijn portemonnee en zei: ´Wyb, ik gooi de reserveringen nu in het kampvuur, hoor.´ Wybe onderbrak even zijn gitaarspel en antwoordde: ´Een uitstekend idee.´ Het was een nonchalant gebaar vanuit de pols die de twee papiertjes fladderend in de vlammen deed verdwijnen. Een simpele handeling die uiteindelijk meer dan 20 jaar later een onverwachte wending aan mijn leven zou geven. Natuurlijk waren er ook andere bepalende momenten geweest. De beslissing om een gitaar mee te nemen, bijvoorbeeld. Een heel gesleep. Maar zonder gitaar waren we nooit voor het feestje op het strand uitgenodigd. De beslissing om naar Spanje te gaan. Om te gaan kamperen, hier op deze camping, langs deze voor ons zo onbekende kust. De beslissing om … Ana schudt aan mijn mouw. ´¿Blijf je eeuwig zo staren? Laten we gaan; het wordt koud.´ Gearmd onder de paraplu lopen we terug naar de auto.

