Posts tonen met het label Salamanca. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Salamanca. Alle posts tonen

vrijdag 26 maart 2021

Wat zwemt daar?

Daar waar net buiten de bebouwde kom van Ponferrada El Boeza in El Sil vloeit, is het landschap bijna Nederlands te noemen is. De grillen van de riviertjes maken het water soms turbulent, maar bij weinig regenval of smeltwater laat de grote stuwdam in de Sil boven Ponferrada minder water door en lijkt het alsof de rivier stilstaat, al is dat nooit helemaal het geval. Langs de zuidoever, vlak onder mijn vaste wandelberg El Pajariel, groeit er riet en is er in de lente veel vogelgezang te horen. Soms staat er een blauwe reiger aan de oever of vissen er aalscholvers in het diepere deel van het water.

Toen ik vorige week na een lange wandeling langs de samenvloeiing liep, dwaalden als vanzelf mijn ogen over het wateroppervlak. Iets donkers bewoog zich snel door het water in de richting van het riet aan de overkant. Ik dacht aan een meerkoet, een waterhoen, of misschien een aalscholver. Ik wilde al doorlopen, toen het dier terugkwam en diverse keren onderdook. Mijn kleine verrekijkertje bracht uitkomst. Een zoogdier. Een marterachtige. Was dat een otter? Dat was een otter! Mijn allereerste otter! Mijn hart begon sneller te kloppen.

De dag erna keerde ik naar dezelfde plek terug. Ik liep twee keer langs de oever en verdomd, daar was hij alweer, nerveus aan het vissen. Dit keer slaagde ik erin een video maken met mijn mobiele telefoon met helaas een zeer beperkte camera. Zie hier het nog steeds povere resultaat:

Nu zijn otters in Spanje een veel minder zeldzame verschijning dan in Nederland. Ik herinner me een Engelse les die ik gaf aan mijn student David, waarbij we aan de praat raakten over otters. Hij had er namelijk veel gezien in een rivier nabij León en maakte zich zorgen over de forellen aldaar. Ik vertelde hem dat we in Nederland otters uitzetten, omdat deze beesten in de jaren zestig uitgestorven waren door het overmatige gebruik van landbouwgif. Toen ik eraan toevoegde dat we de arme beesten soms met een zendertje uitrusten om ze te kunnen traceren, zei hij grinnikend: ‘Nou, dan moeten jullie ze hier maar komen vangen.’ 

Natuurlijk was ik er nog niet helemaal zeker van of het wel een otter was die ik gezien had. Komen die eigenlijk wel voor zo dicht bij een middelgrote provinciestad? De zoekterm otters in Ponferrada bracht mij naar het twitter-account van de lokale politie waar een levendige discussie plaatsvond over een dier dat langs de rivier gesignaleerd was. (HIER) De politie dacht aan een ontsnapte fret, maar iemand anders plaatste een foto van een otter langs de oever van wat leek op El Sil. Ook ontstond er een discussie of het wel verstandig was om dit bericht te delen. Als iedereen zou gaan kijken, zou de otter immers snel verdwenen zijn. 

Een fret leek mij onwaarschijnlijk, omdat die niet zo’n enthousiaste duiker is. Wat ik echter niet kon uitsluiten was dat het een Amerikaanse nerts betrof. Net zoals in Nederland zijn die soms ontsnapt uit de fokkerijen en hun gedrag lijkt op dat van de otter. Bij toeval had ik, of liever gezegd, had mijn Spaanse nichtje Ana er een gespot in Salamanca. Ik probeerde haar toen enthousiast te krijgen voor de edele kunst van het vogelen. Nadat we vanaf de Middeleeuwse brug over de Tormes inderdaad een heuse ijsvogel hadden gezien, slaakte ze plots een kreetje en wees naar beneden. Een zwarte marter sloop langs de oever van de rivier. Een Amerikaanse nerts.

Ik ben echt niet een hater van dieren of planten die niet inheems zijn. Natuur is nu eenmaal dynamisch. Zo vind ik de Eucalyptus best mooi, terwijl veel milieuactivisten hier deze geïmporteerde boom tot volksvijand nummer één lijken te hebben gebombardeerd. Je moet er natuurlijk niet teveel bij elkaar zetten, zoals met name in Galicië is gebeurd. Maar toch, een Amerikaanse nerts signaleren in plaats van een otter is net zoiets als in het Vondelpark een halsbandparkiet zien terwijl je denkt dat het een wielewaal is.

Ik ben nog enkele malen langs de plek van de otter gelopen, soms gewapend met de iPad van mijn vrouw die over een zoveel betere camera beschikt. Helaas. De otter heb ik niet meer teruggezien.

vrijdag 22 december 2017

De avonturen van het brilletje van de kleine Ana

Ik ben er uiteindelijk toch maar aan mee gaan doen: het verzenden van emoji in plaats van een tekstbericht. Soms is het gewoon wel gemakkelijk. Je wilt een einde maken aan een chat-conversatie; iemand bedanken voor iets onbenulligs of een compliment maken voor een flauwe grap. Je vindt de juiste woorden niet. Je zendt het zonnegezichtje met de glimlach. Of, zoals ik wel pleeg te doen, een bosje bloemen. Dat is eigenlijk gewoon luiheid. Het bosje bloemen is de eerste emoji die op mijn mobieltje verschijnt.

Zoals bijna alle kale mannen met een blij gemoed lijk ik best wel een beetje op de zo’n smiley. Het zonnetje in huis. En dat was helemaal het geval toen ik een roze zonnebrilletje met hartjesvormige glazen droeg. Het was volgens mij nog voordat de emoji met de hartjesbril of –ogen populair werd. Ik koester de stille hoop dat ik er model voor heb gestaan. Maar waarom droeg ik zo’n belachelijk brilletje? Dat ga ik hier vertellen.

Het was een paar jaar geleden. Ik woonde al in Ponferrada, maar keerde regelmatig terug naar Nederland om enkele weken te werken als leraar economie en statistiek op een Rotterdamse business school. Deze keer reisde ik in het weekeinde eerst met mijn vrouw naar Salamanca voor een bezoek aan mijn schoonzus, haar man en ons nichtje Ana van toentertijd zes, denk ik. Het was december, maar toch mooi weer. Terwijl mijn vrouw en haar zus op zaterdag gingen winkelen, nam ik mijn nichtje mee naar de speeltuin. Ze droeg haar favoriete zonnebrilletje met een roze hartjesvormig montuur. Al gauw was het brilletje lastig toen ze het klimrek opging. Ze gaf het aan mij en ik stak het in mijn jaszak.

En ik het vond het brilletje van de kleine Ana pas weer toen ik op zondagmorgen op het vliegveld Barajas van Madrid mijn zakken controleerde voordat ik door de douane ging. Wat nu te doen? Ik pakte mijn mobiel voor een Whatsapp-berichtje aan de ouders waarin ik de situatie uitlegde, met een bosje bloemen erbij natuurlijk, maar bedacht toen dat het grappiger was om het brilletje op te zetten en een selfie te sturen. Dat zou de kleine Ana leuk vinden. Daarna besloot ik selfies te maken gedurende mijn verblijf in Nederland en deze naar Salamanca te zenden, een beetje in navolging van de film Amelie, waarin iemand een tuinkabouter van een oude man steelt en vervolgens foto’s opstuurt van de tuinkabouter op de meest exotische plekken van de wereld. De volgende dag nam ik een foto op de terugweg vanuit mijn werk in Rotterdam een foto in de trein ergens in de buurt van Leiden. Eigenlijk kwam ik als dagelijkse forens tussen Amsterdam en Rotterdam helemaal niet op veel spectaculaire plekken voor foto’s en ’s winters is het in Nederland vroeg donker. Een vriend van me nam nog een foto van me bij het Centraal Station in Amsterdam met de Schreierstoren op de achtergrond, maar het cameraatje van mijn mobiele telefoon was niet echt tot nachtfoto’s in staat. Op een gegeven moment was het afgelopen met de avonturen van het brilletje, toen het toch iets te klein bleek voor mijn volwassen hoofd en één van de poten brak.

Eenmaal terug in Ponferrada vond ik de foto van mezelf in de trein best grappig. Die tegenstelling tussen dat brilletje en mijn ernstige blik, die overigens voortkwam uit het feit dat het maken van een selfie mijn volledige concentratie behoefde. Ik gebruikte de foto voor mijn facebook-profiel en voor nog wat sociale media. De reacties van mijn vrienden en familie waren wisselend, van ‘dat is nou eens een mooie positieve foto’, tot ‘snel veranderen die profielfoto, hoor.’ Dat laatste deed ik nooit en ik vergat de foto een beetje.

Een paar maanden geleden werd ik tot mijn grote verbazing uitgenodigd voor een oriënterend sollicitatiegesprek. Het ging om een exportbedrijf in A Coruña, niet echt naast de deur, maar wel dichterbij dan Rotterdam. Mijn idee was dat ik, nadat ik het bedrijf zou hebben overtuigd van mijn onmiskenbare kwaliteiten, wellicht zou kunnen afdwingen om twee dagen per week te werken, op donderdag en vrijdag bijvoorbeeld, en de rest van de week vanuit huis. Per slot van rekening zijn de Nederlandssprekenden in Galicië niet echt dicht bezaaid. Het sollicitatiegesprek ging via Skype. Ik had een net overhemd aangetrokken en ervoor gezorgd dat op de achtergrond dikke economie- en statistiekboeken op de boekenplank prijkten. Voor de spiegel had ik een paar keer de uitspraak van de Spaanse Z en C geoefend: ‘¡Cerveza!’ Die baan had ik al zo goed als in mijn zak, dacht ik. De eerste vraag die ze me stelden was: ‘Ik zie een foto van een ernstig kijkende man met een roze brilletje op met een hartvormig montuur. Bent u dat?
Ik heb na dat gesprek nooit meer iets van het bedrijf gehoord.

Ana's brilletje bij Leiden

Ana's brilletje bij het CS van Amsterdam

donderdag 10 mei 2012

Efficiënt vergaderen


‘¿Gaan we?’ vroeg Ana. Met tegenzin legde ik mijn boek op de tafel en trok mijn schoenen aan. Aan vergaderen heb ik altijd een bloedhekel gehad, of het nou schoolvergaderingen betrof of algemene ledenvergaderingen van de voetbalclub. En deze vergadering zou voor mij wellicht moeilijk te volgen zijn. Vol technische en financiële details. De vergadering van de comunidad de los vecinos. De vereniging van eigenaren van onze flat. In Nederland heb ik nog nooit zo´n vergadering bijgewoond. Ik heb altijd gehuurd bij een woningbouwvereniging. Dat was eigenlijk best wel praktisch. Weinig gezeur aan je hoofd. Door de overheid geregelde huurstijgingen. Als er iets echt stuk was dan belde je de technische dienst. Hier in Spanje is het sociale huren veel zeldzamer. De meeste mensen kopen een huis. Dat heeft bij het uitbreken van de crisis nog voor heel wat problemen gezorgd. Zeer veel mensen konden hun hypotheek niet meer betalen en liepen zo een erg hoge schuld op, terwijl het huis zelf in waarde daalde. Een huurschuld loopt minder snel op. Wellicht dat de uitgebreide sociale huursector een uitstekende buffer vormde bij het uitbreken van de kredietcrisis in Nederland.

‘¿Waar gaan we eigenlijk vergaderen?’ vroeg ik Ana toen we in de lift stonden. ‘Beneden,’ antwoordde ze. Ze drukte op de de knop met het minteken en vervolgens op de één. De lift zette zich in beweging. ‘Ik kan natuurlijk ook alvast wat kopen voor la cena (avondeten) terwijl jij vergadert, lekker cecina (een soort runderham, een regionale specialiteit) bijvoorbeeld,’ probeerde ik. Ze trapte er niet in. ‘Daar hebben we na de vergadering nog best tijd voor.’ We stapten de lift uit en kwamen bij de parkeergarage onder onze flat uit. Tot mijn verbazing stonden de overige buren daar al in een kring opgesteld. Zouden we echt in de parkeergarage gaan vergaderen?

We vergaderden daadwerkelijk in de parkeergarage. Het was er niet warm. De meesten van ons hadden hun winterjassen aan. Het ging over onderhoud, schoonmaak, reparaties, de financiën, enfin, de zaken waar je als eigenaren van gemeenschappelijke ruimtes nu eenmaal over moet vergaderen. Maar de locatie was echt wat ongelukkig gekozen. Zo af en toe moest de kring van vergaderaars verbroken worden omdat er een auto de parkeergarage binnen kwam gereden. Vervolgens moest die persoon onder toeziend oog van de hele goegemeente in de kleine ruimte de auto parkeren, om daarna met een schuldig gezicht, vanwege het niet aanwezig zijn bij de vergadering of misschien wel vanwege de slordige parkeertechniek, zich naar de deur te begeven. Een vergadering staand in een koude ruimte met onderbrekingen vanwege auto´s die in- of uitparkeren en af en toe het geluid van stromend water in het buizenstelsel als één van de buren boven het toilet had bezocht heeft één groot voordeel: er worden geen onnodige vragen gesteld. ‘Nou, dat viel toch best mee?’ vroeg Ana toen we even later bij de vleeswarenafdeling van de supermarkt La Familia op onze beurt stonden te wachten.

Misschien zou de anekdote over deze vergadering nooit de pagina´s van dit blog gehaald hebben, als we maanden later niet in één of andere stad, ik geloof Salamanca, met de auto voor een stoplicht hadden gestaan toen er in het gebouw langs de straat de deur van een parkeergarage openging. In de parkeergarage stond een groep mensen in een kring met elkaar te praten. ‘Kijk, een vergadering van de comunidad de los vecinos,’ constateerde Ana. Verbaasd keek ik haar aan. ‘¿Maar vinden die vergaderingen dan altijd plaats in parkeergarages?’ ‘Ik geloof het wel.’ Ik was er nog niet eens helemaal van overtuigd dat ik hier iets ´typisch Spaans´had aangetroffen tot er weer een paar weken later op de televisie een journaalitem te zien was dat ging over het feit dat comunidades de vecinos vanwege de crisis niet genoeg geld bij de leden kunnen ophalen, waardoor er veel noodzakelijk onderhoud achterwege blijft. Terwijl de voice-over deze droevige mededelingen deed, waren er beelden te zien van een groep mensen die in een parkeergarage stonden te vergaderen. Een voor alle Spanjaarden herkenbaar beeld, blijkbaar. En zover ik weet ik in Nederland zeer ongebruikelijk. Maar misschien wel iets om te imiteren. Wil je kort en efficiënt vergaderen? Doe dat in een parkeergarage!


 (het hele journaalitem is HIER te zien op, vanaf minuut 34.50 ongeveer)