Posts tonen met het label Amsterdam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Amsterdam. Alle posts tonen

vrijdag 18 oktober 2024

De creatieve kracht van verveling

Ik zit met Ana aan het avondeten, la cena, zoals ze hier zeggen. We doen dat voor Spaanse begrippen vroeg; la cena vóór negen uur ’s avonds kan eigenlijk niet; dat is voor guiris (scheldnaam voor toeristen). 

We raken aan de praat over de serie die we aan het volgen zijn via Filmin, een Spaanse streamingsdienst. 
In de serie zit de politie achter een groep ontvoerders aan. Als er ergens een explosie klinkt, meten ze hoeveel verschil er is tussen het geluid dat zij direct horen en dat zij via de Skype-verbinding horen, en zo weten zij de ontvoerders te lokaliseren.

‘Dat is een sterk verhaal, ¿vind je niet?’ zegt Ana.
‘Wel een beetje, maar ik heb vroeger van mijn vader geleerd om te berekenen hoever een blikseminslag van je verwijderd is met behulp van de snelheid van het geluid.’
‘¿Echt?’
‘Ja, het geluid reist met ongeveer 1 kilometer per 3 seconden, dus als we een bliksemschicht zagen telden we altijd: “éénentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig…” tot we het geluid van de donder hoorden.
‘¿Waarom met twintig?’
‘Als je “een twee drie” telt, is dat te snel. Ik telde op dezelfde manier als ik wiphonkbal speelde.’

Wiphonkbal heb ik in het Nederlands gezegd, maar ook na een poging tot een vertaling (béisbol de balancín) blijft ze me glazig aankijken. Dus heb ik weer eens wat uit te leggen over mijn jeugd.

‘Als kind wilde ik graag tafelvoetbal spelen, maar dat hadden we niet in huis. 
Dus knipte ik uit een oude schoenendoos twee doeltjes. 
Ook knipte ik wat langwerpige stukjes karton en die vouwde ik doormidden in een hoek van ongeveer 90 graden. Dat waren de spelers. 
De bal was een rond stukje karton met een plakbandje eromheen.
Ik zette twee teams op de tafel en twee doelen aan de tegenoverliggende kanten. De speler die het dichtst bij de bal was mocht schieten of passen. Ik noemde het wipvoetbal.

Maar eigenlijk speelde ik in mijn kindertijd liever honkbal. Ik vertelde mijn broer Willem dat het jammer was dat dat met mijn spel niet mogelijk was omdat de kartonnen spelers niet van honk naar honk konden rennen. 
“Dan moet je tellen”, stelde hij voor. 
“Bijvoorbeeld: na een slag moet het veldteam binnen tien seconden de bal in het doel van het eerste honk spelen, anders is het een honkslag.” En zo speelde ik vaak wiphonkbal en telde ik “eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig …”’

‘¿Speelde je helemaal alleen?’ vraagt Ana.
‘Vaak wel. Ik herinner me dat een buurvrouw die op visite was een tijdje naar me stond te kijken hoe ik daar in de weer was met kartonnetjes en de hele tijd “eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig” mompelde. En dat terwijl er helemaal geen onweersbui in de buurt was. Zij vond me maar een merkwaardig ventje. 
Maar later kwam mijn buurjongen Henny wel eens bij me langs om mee te spelen. Hij had zijn eigen team gemaakt. 
Het vreemde was dat mijn spelers in de loop van de tijd een soort karakter kregen. Ik raakte op sommigen gesteld. Het werden mijn kartonnen vriendjes. 

‘Wat een interessant verhaal,’ zegt Ana. ‘Als er toen videospelletjes waren geweest als Playstation had je nooit dat spel gemaakt.’
‘En als het in Nederland altijd mooi weer was geweest, zouden we vaker buiten spelen. Wiphonkbal was het resultaat van de creatieve kracht van verveling.’

Deze brief is ook als video uitgebracht. Klik HIER

donderdag 26 oktober 2023

De boze buitenwereld

Altijd als ik in Amsterdam ben, fiets ik wel een keer door de Jacob van Arteveldestraat om herinneringen op te halen. Dat is niet makkelijk. De straat van mijn jeugd is drastisch veranderd. Het gebouw waar onze woning was, is vervangen door nieuwbouw die hopelijk wat tijdsbestendiger is dan de die goedkope woonblokken uit de jaren 50. Toch zijn er ook dingen hetzelfde gebleven. De gracht waar mijn vader zo vaak zat te vissen. Het gebouw van onze vroegere lagere school, waar nu onder andere een gym en een moskee in zijn gehuisvest. De Kolenkit natuurlijk.

Het nieuwe woonblok van ons huis heeft wel dezelfde nummering en hoogte gehouden, waardoor ik toch altijd een blik omhoog kan werpen naar waar ooit ons balkon was, op de derde verdieping van huisnummer 7. Daar woonden we met het gezin met drie kinderen. Dat was het rijk van mijn moeder, die precies vandaag, op 27 oktober, 100 jaar zou zijn geworden.

Ze was geen avonturierster, mijn moeder. Het liefst bleef ze thuis en zelfs een vakantie naar de Veluwe was voor haar een hele opgave. Ze was slechts eenmaal in het buitenland geweest, bij mijn weten, en dat was tijdens een vakantie in de Achterhoek toen ze daadwerkelijk een stap over de grens zette. Oh ja, ze vertelde dat ze in haar jeugd ook wel met het schip van haar ouders in de haven Antwerpen was geweest.

Misschien was haar jeugd ook wel iets te turbulent. Ze groeide op op een schip, eerst een zeilschip en daarna een motorschip, met haar twee zusters en haar broer. Daardoor moest ze bij elke ligplaats weer naar een andere lagere school. De aankoop van een motorschip door mijn opa net voor de crisis van de jaren 30 bleek een verkeerde beslissing. Na het faillissement verhuisde het gezin naar een eenkamerwoning in Amsterdam; mijn opa moest stempelen voor een uitkering en mijn moeder werkte ergens in de huishouding. Een middelbare school heeft ze nooit bezocht.
De oorlogsjaren maakten het leven nog zwaarder, met haar verloofde in militaire dienst, daarna krijgsgevangen en vervolgens via de Arbeidseinsatz in Duitsland. 

En zo werd in de jaren 50 het huis in de Jacob van Arteveldestraat haar kleine paradijs, waar ze veilig was voor de boze buitenwereld, haar heerlijke Hollandse maaltijden kon bereiden en het huishouden kon bestieren. De materiële verworvenheden van de verzorgingsmaatschappij werden met graagte geaccepteerd, maar soms had mijn moeder wat meer moeite met de mentaliteitsveranderingen die in de jaren 60 en 70 plaatsvonden. De seksuele revolutie en de vrouwenemancipatie leken vraagtekens te zetten bij haar status als hardwerkende huisvrouw, waar ze zo trots op was. Dan schudde ze soms haar hoofd vol vroegtijdig grijze haren en zei: ‘Het lijkt wel of de hele wereld gek is geworden.’

Later werd ze daar makkelijker in en voegde ze zich naar de nieuwe tijd. Zo waardeerde ze de buitenlandse maaltijden die ik haar voorzette (al bleven gekookte aardappels haar favoriet) en kon ze uitstekend opschieten met de werknemers van buitenlandse origine die bij haar woning in Almere als thuishulp over de vloer kwamen. Mijn verhuizing naar Spanje heeft ze niet meegemaakt; ik weet niet wat ze daarvan had gevonden, maar ik kan bijna haar schuddende hoofd vol grijze haren voor me zien. De veel te vroege dood van mijn twee broers heeft ze ook niet meegemaakt, misschien gelukkig maar. 

Tja, met het ouder worden gaat een mens steeds meer op de ouders lijken, schijnt het. Ook ik schud nu soms mijn hoofd als ik zie hoe het in de wereld toegaat. Sommige huidige politici lijken al te veel op de schreeuwerige volksmenners die tijdens de jeugd van mijn moeder heel Europa in een spiraal van geweld en vernietiging deden belanden. En ook ik zucht soms in navolging van mijn moeder: ‘Het lijkt wel of de hele wereld gek is geworden.’

Mijn moeder en ik (en de ficus)


vrijdag 2 juni 2023

Verlangen zonder wanhoop



El Pajariel is vandaag in mist gehuld. Wat zou ik daar graag willen zijn! De mist die alle geluiden dempt. Het beperkte zicht dat het bos des te mysterieuzer maakt. Er is niets mooier dan een zich onbespied wanende ree die langzaam door de laaghangende nevels waadt. Maar het mag niet zo zijn. Ik vervloek nogmaals mijn blessure. Het partijtje voetbal met mijn oude teamgenoten tijdens mijn bezoek aan Amsterdam leverde me, behalve een gebroken bot in mijn hand, een pijnlijke knie op. Het gaat al wat beter. Maar het dalen en stijgen gaat nog steeds moeizaam, zelfs hier in het trappenhuis. Het betekent het definitieve einde van mijn voetbalcarrière, vrees ik. Maar zodra het even kan, ga ik weer proberen een berg te bestijgen. Het voorjaar is te mooi om onopgemerkt voorbij te laten gaan.


woensdag 29 maart 2023

De drie stadia van migratie

Nu mijn voornaamste werkzaamheden bestaan uit het geven van online Nederlandse les, raak ik met mijn studenten vaak aan de praat over hoe het is om je eigen land te verlaten en je te vestigen in een nieuwe omgeving met een andere cultuur en taal. 
Echte vluchtelingen, die door oorlogsgeweld en onderdrukking hun land hebben moeten verlaten, komen niet bij mij terecht. Voor hen worden in de opvangcentra Nederlandse lessen georganiseerd, neem ik aan. Toch is het opvallend hoeveel van mijn studenten grote moeite hebben met de regimes in hun land, zoals degenen die komen uit Rusland, Iran, Turkije, China en Belarus. 

Het grootste gedeelte van mijn studenten zijn zogenaamde ‘expats’, een woord dat gebruikt wordt voor de beter betaalde arbeidsmigranten. Zij zijn veelal werkzaam in de moderne technologie en zijn het gewend om online te communiceren. Een enkele liefdesemigrant zit er ook wel tussen, met wie ik dan om die reden nog meer gemeen heb. 

Aan de hand van mijn eigen ervaringen en die van mijn studenten kom ik tot deze drie stadia van (vrijwillige) migratie.

Stadium 1: de eerste verliefdheid
Alles is nieuw. Er is zo veel te ontdekken. Dit stadium begon bij mij al tijdens mijn vakanties naar Spanje. Het fantastische eten, het heerlijke klimaat, de schitterende natuur, de taal en natuurlijk de gezellige en praatgrage mensen maakten dat Spanje mijn voornaamste reisdoel werd. Gedurende de eerste jaren dat ik hier woonde, bleef ik in dit gelukzalige stadium vertoeven, want je ergens vestigen is een nog veel wilder avontuur dan ergens op vakantie zijn.
Mijn studenten kennen hetzelfde gevoel. Aanvankelijk zijn zij razend enthousiast over de mooie Nederlandse stadjes, het vele groen, het uitgebreide culturele aanbod en de kleinschaligheid van de grote steden, waar de fiets en de benenwagen de voornaamste vervoersmiddelen zijn.

Stadium 2: de twijfel
Na een paar jaar komt onvermijdelijk de eerste twijfel opborrelen. En de nostalgie. Langzamerhand zie je de nadelen van het wonen in je nieuwe land. Het aanleren van de taal gaat niet zo snel als je dacht. Je begint dingen te missen. In mijn geval is dat mijn bewegingsvrijheid, die hier zoveel beperkter is. Het openbaar vervoer is schaars en fietsen staat gelijk aan je leven wagen. Nee, ik heb nog steeds geen rijbewijs. Ook liep ik tegen de onvolkomenheden van de Spaanse arbeidsmarkt aan. 
Mijn studenten noemen altijd als eerste probleem het vochtige en winderige klimaat in Nederland, direct gevolgd door de veel te dure Nederlandse restaurants met de onvermijdelijke patat met mayonaise. En dan is er natuurlijk de zo lastige Nederlandse taal. In stadium 1 kunnen zij zich nog prima redden met het Engels, maar meer en meer zien zij de noodzaak om hun Nederlands te verbeteren om ook in de late uurtjes van een feestje met de Nederlanders te kunnen communiceren. 

Stadium 3: het thuisgevoel
En op een gegeven moment ben je helemaal aangekomen. Je voelt je thuis. De jongeren onder mijn studenten kunnen dit niveau bereiken, maar mijzelf zie ik daartoe niet in staat, hoe goed ik ook mijn best doe. Misschien was ik een iets te oude immigrant om helemaal in te burgeren of was ik te veel bezig met Nederlandse en Engelse taallessen om het Spaans volkomen te beheersen. Ik ben en blijf een buitenstaander, een guiri, die met verwondering om zich heen kijkt. Enfin, dat geeft in elk geval voldoende inspiratie voor mijn blogs Brieven uit El Bierzo en Opiniones de un guiri.



vrijdag 8 juli 2022

De positieve interrailer

Langzaam zie ik op het afleesapparaatje twee rode streepjes verschijnen. Positief. Ik dacht het al. Dat kriebelende hoestje kon nog gewoon een verkoudheidje zijn, maar die pijn in de spieren wees op griep of covid. Waar zou ik het virus hebben opgelopen? Dat moet haast wel in de trein zijn geweest.

Het was een mooie reis! Goed, het is een hele zit in de trein van Ponferrada naar Amsterdam, twee dagen heen en twee dagen terug, twee keer met een overnachting in een pension. Maar je beseft tenminste wel dat je onderweg bent. Bovendien ontwijk je al die veel te drukke luchthavens en is het natuurlijk minder slecht voor het milieu. Net als in de jaren 80 reisde ik met interrail. Nostalgie! Maar veel dingen zijn veranderd. Zo is de interrailkaart nu digitaal. Dus geen stempeltjes meer in een boekje dat je kunt bewaren. Ook kun je tegenwoordig niet meer op de bonnefooi in een stadje aankomen en dan rustig een pensionnetje zoeken. Nee, om problemen te voorkomen moet er van tevoren geboekt worden, wat via dat verfoeilijke booking.com toch vaak het handigst gaat. Wat wel gebleven is: lekker lezen in de trein, af en toe wat doezelen, uit het raam kijken en een wandeling naar de restauratiewagon voor een versnapering.

Tot mijn verbazing bleken in Frankrijk en België de mondkapjes in het openbaar vervoer niet verplicht. Aanvankelijk voelde ik me bijna naakt, maar ja, het deed nog pijn achter mijn oren van de lange reis van Ponferrada naar de grens van de dag ervoor en bovendien: wie ben ik om me anders te gedragen dan de meeste Franse medereizigers? Het mondkapje ging af. Hooguit zette ik hem op als iemand in mijn nabijheid wat al te luid hoestte en in de bomvolle metro van Parijs. Ja, ook dat is gebleven, de overstap in Parijs van de ene gare naar de andere als je reist tussen Noord- en Zuid-Europa.

Enfin, na een zeer aangenaam verblijf in Amsterdam en ruime omstreken, reisde ik weer terug, vaak in treinen vol hoestende en proestende medereizigers. Ik begon me een beetje te ergeren. Waarom gingen die mensen op reis terwijl ze duidelijk niet gezond waren? Da’s niet verantwoord. De meeste van hen gewoon voor een vakantiereisje. Nee, mijn eigen reisje was natuurlijk wél van essentieel belang. Ik had immers een verjaardagsfeest van vrienden te vieren, een voetbaltoernooi te spelen bij mijn oude cluppie, muziek te maken met Flanders Fields en zoveel vrienden en familieleden te zien.

En nu weet ik het dus zeker. Voor het eerst heb ik covid onder de leden. Ik besluit een foto van het testresultaat op de sociale media te zetten. Even later krijg ik een berichtje van de familie in Amsterdam. Een aantal van hen heeft corona of corona gehad. Dan ben ik waarschijnlijk al voor de terugreis besmet geraakt. Dus misschien waren de medereizigers wel niet een gevaar voor mij, maar ik voor hen. 

Ik trek op een denkbeeldige kaart van Europa een lijn van Amsterdam naar Ponferrada en probeer in te schatten hoeveel virussen ik daar heb uitgeademd. Daarna trek ik lijnen vanaf deze hoofdlijn naar plaatsen waar mijn medereizigers heen zouden kunnen zijn gereisd en op hun beurt het virus verspreid hebben. Langzaamaan kleurt de kaart van West-Europa zwart. Het zweet breekt me uit. Maar dat schijnt vrij normaal te zijn, als je corona hebt. 


donderdag 18 november 2021

Het verloren maskertje

Wat deed me zaterdag zo laat in de middag nog El Pajariel beklimmen? Da’s niet moeilijk te beantwoorden. Het mooie weer. De hele ochtend had er een dikke mist boven Ponferrada gehangen, waardoor de temperatuur belachelijk laag bleef. Pas rond het middaguur brak het zonnetje door. Na het middageten, eigenlijk met een iets te volgevreten maag, besloot ik op stap te gaan. 

Het was inderdaad schitterend. Verschillende keren bleef ik staan om foto’s te nemen van het landschap met het contralicht van de laagstaande zon. Met de slechte camera van mijn mobiele telefoon levert dat soms hele mooie effecten op. 
Toen ik op de terugweg al bijna bij de brug over de rivier El Sil was aangekomen, drong het tot me door. Ik was mijn maskertje, la mascarilla zoals ze het hier noemen, verloren. Het was mijn paarse, eigenlijk al afgedankte maskertje, dat ik vaak meeneem als ik ga sporten, voor het geval ik op de terugweg door een drukke straat moet of ik nog iets ga nuttigen bij een bar.

Want mondkapjes zijn in Spanje nooit uit het straatbeeld verdwenen, zelfs niet nadat het niet meer verplicht was ze te dragen in buitenlucht. Ze bleven wel verplicht in winkels en uitgaansgelegenheden. De schrik van de eerste golf zat er goed in en dus besloot de ruime meerderheid van de Spanjaarden de maskertjes in bijna alle omstandigheden te dragen om de verspreiding van het virus zo veel mogelijk te beperken. En met succes, tot nu toe, al moeten we nog afwachten wat er in de winter gebeurt. 

Dat in Nederland het mondkapje niet bepaald populair was, werd ons afgelopen zomer duidelijk toen we bekapt een Amsterdamse supermarkt binnenwandelden en een vriendelijke winkelbediende ons erop wees dat een mondkapje niet meer hoefde. Ook heeft de overheid ze in Nederland nooit verplicht gesteld in de buitenlucht, omdat door het dragen van mondkapjes de mensen minder voorzichtig zouden worden en geen afstand zouden houden. Als dit soort argumenten in Nederland serieus genomen worden, ga ik ze beslist ook gebruiken, bijvoorbeeld als ik ooit in Amsterdam door de politie wordt aangehouden voor het fietsen zonder licht omdat de batterij van het lampje weer eens op is. ‘Maar agent, weet u dan niet dat zo’n lichtje een vals gevoel van veiligheid kan geven. Levensgevaarlijk!’
 
Natuurlijk is zo’n mondkapje een onding. En de brildragende medemens wordt weer eens dubbel gepakt. Het is vaak kiezen tussen niets zien door beslagen glazen of niets zien door oogafwijking -5. En dan is er de vervuiling. De straten en de bergpaden liggen ermee bezaaid. Ik ergerde me vaak aan de nalatigheid van de mensen die dat op hun geweten hadden.

En nu was ik zelf dus zo iemand. Wanneer was dat gebeurd? Dat laatste, wat steile pad omhoog tussen de dennenbomen, waar ik mijn jasje had uitgetrokken. Het maskertje zat om mijn rechterarm en moet bij het uittrekken zijn gevallen. Of misschien was het daarna gebeurd, toen ik het jasje verschillende keren van positie in mijn handen veranderde. Ik zag in gedachten het maskertje daar liggen, eenzaam op dat paadje waar maar weinig mensen kwamen. Het was te laat om terug te gaan. Gelukkig had ik, zoals altijd, een reserve bij me, voor het geval het elastiek zou knappen, zoals me een keer eerder was gebeurd. Maar dit was de eerste keer dat ik er werkelijk een verloor.

Zo besteeg ik op zondagochtend weer El Pajariel. Naarmate ik hoger kwam, werd de mist dikker. Soms brak een bleek zonnetje door. Van dichtbij klonken het geritsel van dieren in het struikgewas. Zelfs de door sommigen zo gehate want uitheemse eucalyptusbomen verkregen in het wazige licht een mysterieuze schoonheid. 
Waar ik mijn jasje de vorige dag had uitgetrokken lag niets. Ik moest wat verderop zoeken, daar waar ik een klein paadje naar beneden had gekozen. En daar lag hij dan, op het natte paadje in het dennenbos, enorm paars te wezen. Gelukkig zou dit mondkapje in de vuilnisbak belanden, zoals het hoort. Tevreden met mezelf wandelde ik terug naar ons warme huis. 


donderdag 23 september 2021

De boekwinkel van Óbidos

We waren het Portugese stadje Óbidos binnengereden in een lange rij auto’s. Gelukkig bleek parkeren dit keer geen probleem. Het stadje was helemaal ingericht op het ontvangen van grote stromen toeristen. Er was net buiten het historische centrum een enorme parkeerplaats gemaakt en in de straatjes binnen de stadsmuren gold voor wandelaars eenrichtingsverkeer. Overal werd in kleine toeristenwinkeltjes de plaatselijke likeur verkocht, samen met de onvermijdelijke petjes, T-shirts en mokken met opschriften. Het stadje was prachtig, maar de sfeer deed me net iets te veel denken aan Volendam of Giethoorn. Maar toen kwamen we bij een kerk die getransformeerd was tot een boekhandel. Een heerlijke boekhandel, ook met Spaans- en Engelstalige boeken! Wat een rijkdom!

In Ponferrada is de enige boekhandel waar je een beetje kon rondstruinen een paar jaar geleden failliet gegaan. Goed, in het overdekte winkelcentrum is er een vrij grote dependance van de keten Casa del Libro, maar overdekte winkelcentrum dienen vermeden te worden, vind ik. Boekhandels hebben het moeilijk door het online kopen via Amazone en de ontlezing. Er wordt wel gelezen, maar dat moet iets korts op het internet zijn: een berichtje, een kort artikeltje, het liefst met foto’s en het allerliefst kijken mensen naar een grappig videootje. Ach misschien word ik wel oud.

Reeds als ik kind ging ik graag naar de boekhandel op de Bos en Lommerweg, best wel een eindje lopen van ons huis. Zodra ik daar binnenkwam, ging ik regelrecht naar de afdeling met de natuurboeken, de vogelgidsen en fotoboeken met dieren. Daar zat ik dan lange tijd op mijn knieën te bladeren en te fantaseren over reizen naar die soms verre natuurgebieden. Ik weet zelfs nog waar die afdeling was. Helemaal achterin, rechts onderaan. Bijna nooit kocht ik er wat. Geen geld. Mijn leesboeken haalde ik vooral bij de bibliotheek.

Dat laatste bleef ik doen toen ik op mezelf ging wonen. Op mijn bescheiden boekenplankje stonden hooguit wat woordenboeken en de romans die ik voor mijn laatste verjaardag had gekregen en die ik na het lezen doorverkocht aan een tweedehandswinkel. Ik vond het bezit van boeken in mijn kleine huurwoninkje een overbodige luxe en kocht alleen de romans die ik iemand anders cadeau wou doen. Ik fietste elke drie weken naar de Openbare Bibliotheek om weer nieuwe boeken te halen. Sinds ik in Ponferrada woon, ben ik een graag geziene gast in de Nederlandse boekwinkels. Onze boekenkasten beginnen langzamerhand uit te puilen van al die Nederlandse en Engelse romans die ik meestal in Nederland heb gekocht. 

Onze blijdschap met de boekhandel met een internationaal tintje in Óbidos kende geen grenzen. We bleven geruime tijd langs de schappen lopen, nu en dan een boek in onze hand nemend om erin te bladeren. Uiteindelijk gingen we over tot de aanschaf. Eenmaal buiten namen we plaats op een terrasje. De meeste toeristen waren ondertussen al vertrokken. We bestelden een kopje koffie en begonnen een gesprek over het feit dat Portugal zoveel internationaler is dan Spanje. Men spreekt er veel beter Engels en buitenlandse boeken en kranten zijn voorhanden. Volgens mij was dat omdat het een klein land is. ‘Hoe groter het land, des te trotser op de eigen taal,’ sprak ik gedecideerd. Ana wees me erop dat Portugal weliswaar klein is, maar dat de Portugese taal in grote delen van de wereld gesproken wordt. Misschien had het meer te maken met het maritieme karakter van een land. Daarna begonnen we onze zojuist gekochte de boeken te lezen, totdat de uitbaatster van het koffietentje op een nadrukkelijke manier de tafels en stoelen om ons heen begon op te ruimen.



vrijdag 30 april 2021

Willem

Mijn twee oudere broers en ik groeiden samen op in de Bos en Lommerbuurt, tegenwoordig ook vaak de Kolenkitbuurt genoemd. Het was toen een typische naoorlogse wijk, veel gezinnen met kinderen, een kraamkamer van de babyboomgeneratie. We sliepen met z’n drieën samen in een slaapkamertje, waar de hond Rakker zich vaak bijvoegde. 

Toen mijn oudste broer Anton met Lenie trouwde, bleven Willem en ik over in dat kleine kamertje, hij 15 jaar oud en ik 10. Als vanzelfsprekend werd hij mijn grote voorbeeld. Soms stribbelde ik tegen en riep: ‘Dit is geen muziek!!’ als hij Soft Machine of Frank Zappa opzette. Maar een paar maanden later, dankzij Willems overtuigingskracht en de voortdurende herhaling van de muziek, zette ik zelf ook de langspeelplaten van mijn broer op en probeerde mijn vriendjes met dezelfde geestdrift als Willem ervan te overtuigen dat deze echt geniaal waren. 

Iets dergelijks gebeurde met de literatuur. Willem Frederik Hermans, Harry Mulisch, Remco Campert, Philip Roth, ik plukte de boeken van Willems boekenplank, las ze en had het sterke gevoel dat we samen iets deelden. Dat gebeurde ook wanneer we spraken over politiek. Dankzij hem zette ik al vrij jong de eerste schreden op weg naar mijn politieke bewustwording. 

We schaakten veel bij ons thuis. Een van de partijen tussen Willem en mij werd genoteerd en van commentaar voorzien in het kwaliteitsblad Wirant, een weekblad gemaakt door Willem en Roland. Naast de schaakrubriek stonden daar korte verhalen, strips en zelfs een kookrubriek in. Helaas is het weekblad maar twee keer verschenen en zijn beide exemplaren in de loop der tijd verloren gegaan.

Toen hij honkbal ging spelen, ging ik dat natuurlijk bij dezelfde club doen. Ik wil graag een anekdote delen die volgens mij iets zegt over Willem, zijn bijzondere gevoel voor humor en onze verhoudingen indertijd.

Wij speelden honkbal bij Blauwwit in Sportpark Sloten, zo’n 25 minuten fietsen van ons huis. Willem bracht me er vaak heen op zaterdag, omdat vader ook op zaterdag werkte en moeder het druk had in de huishouding. Ik had die dag een vroege wedstrijd, maar minder vroeg dan ik dacht. Ik had de verkeerde aanvangstijd aan mijn moeder doorgegeven. Toen we na 25 minuten fietsen bij Sportpark Sloten aankwamen, werd ons duidelijk dat we ruim een uur te vroeg waren. Willem dacht mijn moeder de fout had gemaakt; ik hield wijselijk mijn mond. We fietsten zwijgend terug, pakweg 25 minuten, maar onze moeder was boodschappen doen. Willem pakte een groot vel papier, schreef daar met stift in grote letters: ‘Bedankt!’ op, en legde het op tafel. We fietsten in ongeveer 25 minuten weer terug naar Blauwwit, waar ik mijn wedstrijd speelde. Onze moeder vertelde ‘s avonds hoe ze, toen ze van boodschappen doen thuis was gekomen, er werkelijk helemaal niets van had begrepen. De jongens waren toch op de club? Maar waarom ligt dat mysterieuze bericht dan op tafel? Gelukkig kon ze er later hartelijk om lachen.

Nadat Willem het huis uitging en met zijn huidige vrouw Els ging samenwonen, werd onze band vanzelfsprekend anders. Ik ontwikkelde mijn eigen muzikale, literaire en politieke voorkeuren, maar toch bleven we veel delen. Vakanties of dagjes uit, ook met de kinderen. Sinterklaas vieren met de familie en de laatste keer zelfs met zijn twee kleindochters via Zoom. Vaak vonden mijn vrouw Ana en ik bij Willem en Els een gastvrij verblijf. De laatste jaren werd hij door fysieke problemen gekweld. Toch kwam het eind voor mij onverwacht en veel te snel. Er waren nog zoveel muziekstukken om naar te luisteren, boeken om te lezen, films om te zien en onderwerpen om over te discussiëren. Je laat een leegte achter, Willem, we zullen je enorm missen.


Min of meer de tekst die ik sprak op de uitvaart van mijn broer Willem op dinsdag 20 april 2021. 

Mijn broer Willem en ik met de hond onder de kerstboom

maandag 26 oktober 2020

Wintertijd

Het is zaterdag 24 oktober 2020. Herfst. Maar nog niet erg koud. Wel zijn alle kleuren veranderd. De populieren bij de rivier zijn lichtgeel gekleurd; de wijnstruiken zijn okergeel en een enkele keer donkerrood. Op de grond liggen kastanjes. Soms valt er één met veel lawaai door takken en bladeren naar beneden, gelukkig niet op mijn kale kop. Het is hier prachtig.

Vannacht gaat officieel de wintertijd in. We sluiten weer een periode af. Een bijzondere periode. Een zomer zonder verre reizen. Een bezoek aan Nederland zat er niet in. Heb ik dat gemist? Zeker! Maar het leven in Spanje is toch fijn? Zeker. Dat is het gespletene van een emigrant. Je voelt je in twee landen thuis. Ik kijk vanaf deze berghelling over de uitgestrekte vallei naar de hoge bergketens die El Bierzo omringen. Dat heb je in Nederland niet. Maar soms mis ik het oneindige laagland. De vrienden. De familie. De taal. Mijn voetbalkluppie. Jammen met de mannen van Flanders Fields. Fietsen door Mokum.

Misschien wordt dit wel de laatste keer dat de klok verzet moet worden. Het nut lijkt immers beperkt. En dan komt er natuurlijk de discussie: gaan we voortaan in de zomertijd of in de wintertijd leven? Hier in Spanje zijn er mensen die de klok gelijk willen zetten met Portugal en Groot Brittannië. Ze denken dat ze nu in de verkeerde tijdszone verblijven. De biologische klok is daardoor in de war en dat zou verklaren waarom we hier ’s avonds zo laat eten en dus ook naar bed gaan. Ik geloof daar eerlijk gezegd niets van. Ik merk geen opzienbarend verschil tussen Spanje en Nederland als het gaat om de biologische klok. In beide landen is het donker als ik ga slapen en sta ik ‘s zomers op bij daglicht en ’s winters in het donker. Toen ik een keer tijdens een reis in Duitsland om vier uur 's morgens wakker werd door het daglicht dat door het raam naar binnen viel, bedacht ik me dat het misschien juist Duitsland is dat in de verkeerde tijdszone zit. 

Het late avondeten in Spanje heeft volgens mij te maken met de Spaanse dagindeling, vooral met de zeer uitgebreide hoofdmaaltijd ergens tussen twee uur ’s en half vier ’s middags. Ja, dan heb je om zeven uur ’s avonds nog geen honger. Dan wordt het avondeten een latertje. En deze dagindeling levert de nodige problemen op. Waar mijn Nederlandse vrienden met schoolgaande kinderen ’s morgens vroeg broodjes smeren voor het lunchpakket en ’s avonds met het hele gezin de avondmaaltijd nuttigen, wordt er in Spanje veelal op school voor de hoofdmaaltijd gezorgd. En die is niet altijd goed. Daar zijn veel klachten over. Maar misschien zou het ook niet de taak van een school moeten zijn om voor een hoofdmaaltijd te zorgen.

Overigens wil ik zelf niet per se van het huidige ritme af. Zeker op zondag niet. Morgen gaan we lekker om half drie uitgebreid eten in het kader van Las Jornadas Gastronómicas de El Bierzo. Veel restaurants bieden in de maanden oktober en november menu’s aan waarin regionale producten verwerkt zijn, zoals de kastanjes, de lokale wijn, de paprika’s, de kersen, de goudrenetten, de conferencia peren of, natuurlijk, de botillo. Morgen hebben we na die vast zeer rijke maaltijd nog de hele regenachtige middag om spijs te verteren. 

Nu is het nog heerlijk weer, al pakken dreigende wolken boven de bergen samen. Het uitzicht is werkelijk prachtig. Maar nu snel naar huis toe. Het is al half twee. Bijna etenstijd.


zondag 27 september 2020

Todo es mentira, dus don’t belive nothing

 Ik had de leus Todo es mentira, alles is gelogen, al eens gelezen op een viaduct langs de snelweg, toen ik als bijrijder even verveeld mijn ogen had laten dwalen over het landschap. Het lijkt een variant van de klassieke paradoxen: Alle Kretenzers liegen, uitgesproken door de Kretenze filosoof Epimenides, of Deze bewering is niet waar. Ik had de leus in mijn geheugen opgeslagen om eventueel te gebruiken voor een Brief uit El Bierzo, waarbij ik het verschijnsel complottheorie zou aankaarten, maar heb dat uiteindelijk laten varen. Er circuleerden ook toen al veel absurde theorieën, maar die werden in elk geval in mijn directe omgeving niet vaak gedeeld.

Maar laatst, tijdens een korte wandeling door Ponferrada, volledig in het kader van de coronacrisis, dus met mondkapje en iedere passant zoveel mogelijk ontwijkend, stuitten mijn vrouw en ik op deze tekst:

Omdat het leraarschap me in het bloed zit, was mijn eerste neiging om de fouten te verbeteren, maar ik had geen stift bij me. Met mijn telefoon maakte ik een foto van de tekst om er nu wel een Brief aan te wijden, want de tijden zijn veranderd. Er is immers een pandemie gaande, waarbij de gekste dingen beweerd worden over bijvoorbeeld Bill Gates of zendmasten. Ik heb, voor zover ik weet, geen kennissen die dergelijke onwaarschijnlijke theorieën aanhangen, maar wel heb ik vrienden in mijn reële en virtuele omgeving die de problemen rond het virus ontkennen of bagatelliseren. Op zich is dat vreemd genoeg, want de toestanden in de ziekenhuizen van bijvoorbeeld Madrid en Breda in het afgelopen voorjaar logen er bepaald niet om.

De mensen die tot deze groep van ontkenners of bagatelliseerders behoren, zijn niet zo gemakkelijk onder een noemer te brengen. Mijn onderburen van de rechts-populistische partij Vox hebben op het eerste gezicht weinig gemeen met Amsterdamse anarchisten, Berciaanse anti-vaccinisten en onverbeterlijke hedonisten uit zowel El Bierzo als Nederland, behalve misschien een hoge mate van stelligheid dat ze voorgelogen worden door de wetenschap, media en autoriteiten. ¡Todo es mentira! Don't belive nothing!

Dat de wetenschap niet altijd veel duidelijkheid geeft, schijnt de sceptici te sterken in het ontkennen van de problemen. Het al of niet gebruiken van het mondkapje is mooie illustratie van de onzekerheid. Niemand weet precies hoeveel zin het heeft om ze te dragen. In Nederland lijken weinig mensen ze te dragen, terwijl ik in Ponferrada echt niet de straat op kan zonder mijn mond en neus te bedekken. Zie ook deze mededeling die bij ons in het portaal hangt, vooral bestemd voor onze rechts-populistische benedenburen, neem ik aan. 

Informatie voor alle eigenaren:
Om gezondheidsredenen is het gebruik van het mondkapje verplicht
in alle gemeenschappelijke ruimtes.
Denk niet alleen aan jezelf.

Twijfel is de kracht van de wetenschap. Door niets voor zeker aan te nemen en hooguit voorlopige conclusies te trekken kan het inzicht voortschrijden. In dat opzicht is het juist de door zoveel sceptici verguisde wetenschap die niets gelooft, maar er alleen vanuit gaat dat iets waar kan zijn tot het tegendeel bewezen is. Het zijn de ontkenners die stellig blijven geloven in hun eigen gelijk, ook al beginnen de ziekenhuizen weer vol te lopen met COVID-19-patiënten. 

Overigens heb ik zelf, ondanks alle economische en medische problemen die zich voordoen, toch ook een zeker positief gevoel bij alle maatregelen die de Europese overheden treffen. Ik had een jaar geleden nooit gedacht dat men bereid zou zijn zo’n groot economische verlies te accepteren om de levens van kwetsbaren te redden. Het leven gaat boven het geld. Ik zal proberen dat positieve gevoel vast te houden, want het zal allemaal nog wel even duren. 


maandag 31 augustus 2020

Een huishouden van Jan Steen

Ik heb er geen statistisch bewijs voor. Misschien is mijn vermoeden gebaseerd op een veel te kleine hoeveelheid waarnemingen. Een steekproef moet voldoende groot zijn, zo vertelde ik in een vorig leven mijn studenten bedrijfsstatistiek. En dan vergelijk ik ook nog twee zeer verschillende grootheden: een middelgrote stad in een kleine regio in het noordwesten van Spanje en de hoofdstad van Nederland. En bovendien baseer ik me op mijn persoonlijke contacten, wat niet bepaald een representatieve steekproef te noemen is. Het kan zijn dat ik vooral keurige Spanjaarden en studentikoze of volkse Nederlanders ken. Ook kan ik niet de mogelijkheid uitsluiten dat vooroordelen een rol spelen. Maar ik heb de indruk dat Spanjaarden, over het algemeen, in het huishouden veel netter zijn dan Nederlanders. 

Hoe ik daarbij kom? Wel, tijdens eerste jaren van mijn verblijf in Ponferrada gaf ik privéles Engels aan huis en kwam ik bij nogal wat inwoners van over de vloer. Dat waren soms alleenstaanden, soms gezinnen met één of meerdere kinderen. Wat me daarbij opviel was dat velen een huishouden voerden waar werkelijk niets op aan te merken viel. Alles stond precies op zijn plek. Geen plukje stof was te bekennen. Je zou er van de vloer kunnen eten. Soms was ik zelfs bang om binnen te komen, zo schoon zag het eruit.  Als ik uiteindelijk aan tafel zat, durfde ik me nauwelijks te bewegen uit angst de uitgebalanceerde ordening der dingen te verstoren.

Nou is het niet zo dat ik mezelf wat het huishouden betreft als representatief beschouw voor alle Nederlanders. Mijn vrijgezellenwoning in Amsterdam had een zekere reputatie. Ik maakte eigenlijk alleen schoon als er visite dreigde te komen. Dat duurde tot ik verkering kreeg met mijn huidige Spaanse vrouw. Toen zij voor de eerste keer bij mij zou komen logeren, had ik het donkerbruine vermoeden dat zij niet helemaal overtuigd zou zijn van mijn huishoudtheorieën, zoals stof verhoogt de lichamelijke weerstand en de douche houdt zichzelf wel schoon. De dag voor haar komst besteedde ik maar liefst een hele middag aan het schoonmaken van met name de douche, die zijn best had gedaan mijn theorie onderuit te halen.

Maar ook als ik kijk naar de huishoudens van mijn Amsterdamse vrienden en familie zie ik een opvallend verschil met Ponferrada. In Nederland liggen her en der kranten of tijdschriften op de tafels en de bank, als er kinderen zijn ligt er overal speelgoed op de vloer, stoelen staan schots en scheef, vaak staat er nog een halfvolle fles wijn op tafel en schotels vol kruimels. Hier in Ponferrada zie ik van dat alles weinig. De tafels zijn afgeruimd en schoon met een klein stapeltje speciaal geselecteerde tijdschriften of boeken erop, het liefst over design, binnenhuisarchitectuur of leefstijl, en zelfs de kinderkamers zien er piekfijn verzorgd uit.

En waar voel ik me nu het meest thuis, nu ik alweer meer dan elf jaar in El Bierzo woon? Het spijt me, beste Bercianen, maar één van mijn theorieën is nog steeds stevig gefundeerd: rommelig is gezellig. Het hoeft echt geen huishouden van Jan Steen te zijn, maar willen jullie alsjeblieft als ik op visite kom in elk geval een paar kranten her en der in de huiskamer neerleggen en ten minste één vuil koffiekopje op de tafel laten staan zodat ik me thuis voel? Dan zal ik, als jullie bij ons langskomen, daadwerkelijk stof afnemen en de enkele magazines met mooie kleurenfoto’s van ideale interieurs netjes opgestapeld op de salontafel leggen.



dinsdag 23 juni 2020

Ik vond het leuk!

Het is al zomers warm. We zitten op het balkon te eten als Ana me vraagt:
‘¿Wat is de bijzonderste vakantie-ervaring die je ooit hebt meegemaakt?’
Terwijl ik over het antwoord nadenk, kijk ik naar de roodgekleurde lucht boven de bergen. De merel beneden neemt met een lied vol nostalgie afscheid van alweer zo’n mooie dag. Nog steeds niet zeker van mijn antwoord neem ik een slokje van die heerlijke lokale wijn. Eigenlijk zou dit moment zelf in aanmerking komen, maar ik ben niet op vakantie. Ik woon hier.
  ‘Ik denk dat dat de treinreis was van Barcelona naar Vigo in 1983.’
‘¡Maar dat was zonder mij!’
Ze zegt dit met speelse verontwaardiging.
‘Zonder jou, maar onderweg naar jou. Een paar dagen later zouden we elkaar immers leren kennen, daar op die camping aan de Atlantische kust.’

Wat maakte die treinreis tot een onvergetelijke vakantie-ervaring? We waren samen aan het interrailen, mijn vriend Wybe en ik. Toen onze Catalaanse vrienden ons vertelden dat er een groot feest gaande was in Pamplona en dat we beslist ook naar Galicië moesten gaan, aarzelden we geen moment. We namen de nachttrein van Barcelona naar Pamplona. Het was zeker een gedenkwaardig moment toen wij om zes uur ’s morgens met onze rugzakken het station van Pamplona uitliepen en in een feestvierende menigte terecht kwamen. We hielden het daar vier dagen vol. Toen besloten we om gezondheidsredenen het feestgedruis ter ere van San Fermín te verruilen voor de rust van de Galicische kust.

De trein naar Vigo was best vol en we hadden geen zitplaatsen gereserveerd. Maar de conducteur kwam met een oplossing. In elk station stapten wel weer reizigers uit en in, dus we konden altijd wel ergens zitten, maar steeds op andere plaatsen. En dat was geweldig. We zaten meestal niet naast elkaar waardoor we gedwongen waren om met de paar Spaanse woorden die we kenden te converseren met de passagiers die bij toeval naast of tegenover ons zaten. Dat waren mensen uit alle streken van Noord-Spanje. We werden langzamerhand zelf een toeristische attractie. Bij elk station riep er wel iemand: ‘¡Eens kijken waar die jongens nu weer terecht komen!’ Tijdens die treinreis kwam ik tot drie belangrijke conclusies. Ik zou Spaans gaan leren. Spanje zou voortaan mijn vakantieland worden. En de volgende keer moest ik meer schone T-shirts meenemen op vakantie. 

‘¿Je hebt daarna die reis nog een paar keer gemaakt, toch?’
‘Zeker, maar het was nooit meer zo speciaal. Misschien omdat ik voortaan een zitplaats reserveerde. En de tijden veranderden. Ik werd ouder en ook in het noorden van Spanje werd een guiri (bijnaam voor typische toerist uit Noord-Europa) een steeds gewoner verschijnsel. Maar die keer dat mijn gebrekkige Spaans tijdens zo’n reis tot een pijnlijk misverstand leidde, zal ik nooit vergeten.’
‘¡Vertel!’

Dat was een paar jaar later. Ik reisde alleen en nam de nachttrein van Barcelona naar Ponferrada. Toen ik ’s avonds instapte, zat er maar één andere passagier in de coupée, een jongeman van ongeveer mijn leeftijd. We probeerden te converseren. Hij maakte me duidelijk dat hij wel eens in Amsterdam was geweest. Ik knikte hem enthousiast toe. Ik dacht even na over hoe ik hem kon vragen of hij het daar leuk had gevonden. Eén van de problemen van de  Spaanse grammatica is dat de vraag Vind je het leuk? vertaald wordt met ¿Te gusta? waarbij het voorwerp dat je leuk vindt het onderwerp van de zin is, een beetje zoals in de zin Het bevalt me. Dat deel van de grammatica had ik inmiddels aardig onder de knie, maar helaas de verleden tijd van die constructie niet helemaal. Ik keek de jongeman aan en vroeg:
‘¿Te gusto?’
Hij werd een beetje zenuwachtig, merkte ik, en zei dat hij me niet begreep. Daarom herhaalde ik de vraag enkele keren waarbij ik langzaam en zo duidelijk mogelijk articulerend sprak.
’¿ T e     g u s t o ?'
Het was op dat moment dat de trein stopte bij een station en, tot zichtbare opluchting van mijn medepassagier, een andere reiziger in onze coupée stapte. Later kwam ik erachter dat eigenlijk alleen de klemtoon fout was geweest. ¿Te gustó? zou betekend hebben: Vond je het leuk? ¿Te gusto? betekent: Vind je me leuk? En dat was blijkbaar niet helemaal het geval.

Ana moet hartelijk lachen om mijn anekdote. Ondertussen is het helemaal donker geworden. De stilte is weldadig. We schenken voor de laatste keer onze glazen vol en proosten op alle reizen die we gemaakt hebben en op alle reizen die we samen hopelijk na de coronacrisis nog gaan maken.


dinsdag 5 mei 2020

Dodenherdenking

Het is vandaag 4 mei. Ik weet nog niet goed wat ik vanavond om acht uur ga doen. Twee tradities botsen. Zoals dat wel vaker gebeurt bij een emigrant.

Ga ik applaudisseren op het balkon? Dat doen we nu al zeven weken lang. Iedere avond. En we zijn gehecht geraakt aan dit ritueel. Het is dankbaarheid tonen aan al die mensen die doorwerken in deze barre tijden. Maar het is ook om samen met de buurtgenoten te zijn. Soms is er een gesprek, al gaat dat moeizaam met al dat geklap en de versterkte muziek. We mogen sinds dit weekeinde weer wat vaker naar buiten, maar voorlopig zal deze traditie nog wel standhouden denk ik.

Of ga ik vanavond de twee minuten stilte in acht nemen? Dat doe ik immers al mijn hele leven lang. Op 4 mei stilstaan bij de doden van de Tweede Wereldoorlog. Een enkele keer ging ik naar de officiële herdenkingen. Op de Dam in Amsterdam bijvoorbeeld. Het is indrukwekkend als zo’n mensenmenigte stil is. Je hoort opeens midden in de stad de merels zingen. Ook ben ik een paar keer naar de Noordermarkt in De Jordaan geweest; minder massaal maar zeker ook zo mooi. Maar meestal herdacht ik thuis of waar ik ook maar op dat moment bij toeval was. Dit jaar zal iedereen thuis herdenken. Massale bijeenkomsten zijn voorlopig niet mogelijk. Ik hoop dat deze traditie ook stand zal houden, nu de generatie die de oorlog werkelijk heeft meegemaakt bijna helemaal verdwenen is. Een ook de tweede generatie, waar ik toe behoor, begint aardig op leeftijd te raken.

Vaak heb ik me afgevraagd waarom er in Spanje geen dodenherdenking van de gevallenen van de Spaanse burgeroorlog wordt gehouden. Maar zeker sinds ik hier woon, weet ik het antwoord. De burgeroorlog is nooit echt verwerkt. Dat is bij een burgeroorlog misschien veel moeilijker. Er is ook niet een duidelijke bevrijdingsdag. Het einde van de burgeroorlog was het begin van de Franco-dictatuur, met alle ellende van dien.

Een officiële herdenking van de burgeroorlog zou hier onmiddellijk leiden tot discussies vol verwijten en beschuldigingen tussen links en rechts. Dat werd al duidelijk toen voor de slachtoffers van de terroristische aanslag in Madrid van 11 maart 2004 vele jaren twee herdenkingen moesten worden gehouden: die van rechtse en die van linkse organisaties. Ook heeft het wel heel lang geduurd voordat eindelijk het Franco-monument El Valle de los Caídos min of meer werd ontmanteld door de regering van Pedro Sanchez. Dat gaf aanleiding tot een stroom van protesten van de rechterzijde. Eigenlijk is dat onbegrijpelijk. Moderne rechtse partijen moeten toch duidelijk maken dat ze niets te maken hebben met Franco of welke dictatuur dan ook. Je kan je toch niet voorstellen dat Merkel zich sterk zou maken voor het behoud van een Hitler-monument? Het had volgens mij beter geweest als de rechtse regering Rajoy het monument had verwijderd. Dat zou zowel links als rechts hebben geaccepteerd. Daar was de tijd blijkbaar niet rijp voor. 

Deze scheiding der geesten zie je ook terug in de reactie op de coronacrisis. Er is geen eensgezindheid. In de meeste landen scharen alle partijen zich achter de maatregelen van de regering. Hier niet. De nieuwe regering is ook wel wat kwetsbaar: voor het eerst een coalitieregering met maar net voldoende steun in het parlement.  Veel politieke leiders lijken de coronacrisis al te beschouwen als onderdeel van hun verkiezingscampagne.

Maar het is bijna acht uur. Weet je wat? Ik ga naar het balkon en houd daar twee minuten stilte. En ga ik als een gek klappen om die twee minuten in te halen. De gulden middenweg

Dodenherdenking op de dam zonder corona

dinsdag 21 januari 2020

Toch niet zo Greta

In de trein van Ponferrada naar Irún
Het is woensdag 11 december 2019. Ik zit in de trein van Ponferrada naar Irún. Het plan is als volgt. In Irún ga ik slapen in een wel heel erg goedkoop pensionnetje en morgen neem ik in Hendaye de TGV naar Parijs om daar over te stappen op de Thalys naar Amsterdam. Een lange reis, wellicht, maar vol romantiek en met weinig CO2-uitstoot. Van alle Nederlandse zestigplussers die in El Bierzo wonen, ben ik zonder enige twijfel het meest Greta!

Op zich vind ik de trein een prettig vervoersmiddel. Je kunt lezen, uit het raam staren, een dutje doen en af en toe de benen strekken voor een wandeling door de trein en als je dan toch in de buurt van de restauratiewagon bent daar een pilsje bestellen. Vooralsnog staar ik uit het raam. Het berggebied van El Bierzo heeft plaats gemaakt voor de Spaanse hoogvlakte. Het licht lijkt op dat van de Nederlandse polders. En het barst hier van de roofvogels. Ik heb al tientallen rode wouwen en buizerds geteld.

De trein heeft altijd een belangrijke rol in mijn leven gespeeld. Omdat mijn ouders geen auto hadden, gingen we met de trein naar Zandvoort of De Veluwe. Daarna kwamen de interrailvakanties met mijn vrienden van de middelbare school. We reisden door Joegoslavië van Amsterdam naar Athene en via Italië weer terug. Daarna volgden de treinreizen door Frankrijk naar Spanje. Op één van deze reizen ontmoette ik in Galicië een jong meisje uit El Bierzo, dat zo’n 30 jaar later mijn vrouw zou worden.

Ook voor mijn werk reisde ik vaak met de trein. Het bleek best efficiënt te zijn om als economieleraar bij een HBO te werken met filialen in diverse steden. Zo kon ik met exact dezelfde lesvoorbereiding en exact dezelfde grappen studenten in Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Arnhem bedienen. Ondanks al het geklaag in Nederland over de NS kwam ik zelden te laat voor een les. Een enkele keer konden de lessen geen doorgang vinden door storm of staking.

Het woord staking in deze gedachtegang doet me naar mijn telefoon grijpen. Toch eens kijken hoe het ervoor staat met de Franse treinstaking. Nee, vooralsnog geen melding van problemen.

In Irún
Toen ik in Irún aankwam, kletterde de regen uit de hemel. Snel liep ik met mijn rolkoffer door de lege straten van het stadje op zoek naar het wel heel goedkope pensionnetje. Dankzij de mobiele telefoon loop je eigenlijk nauwelijks meer fout. Da’s minder romantisch maar best handig, vooral als het hoost. Het wel heel goedkope pensionnetje bleek prima in orde. Een bed, een lelijke maar schone kamer en een douche. In een nabijgelegen kroeg at ik een bord pasta terwijl ik naar een voetbalwedstrijd op de in Spaanse cafés altijd aanwezige tv keek. En nu vroeg naar bed.

In de trein van Irún naar Ponferrada
Het is donderdag 12 december. Ik zit weer in de trein, maar in de verkeerde richting. De dag begon zo goed, ondanks de regen. Een Spaans ontbijt in Irún met geroosterd brood en olijfolie, een metrotrein over de brug van de grensrivier naar Hendaye en daarna een korte wandeling naar het treinstation. Maar daar was bijna niemand. Een groot spandoek hing er. Iets met staking, pensioenen en solidariteit. Ik wist natuurlijk dat er problemen konden zijn, maar voor vandaag waren er geen stakingen aangekondigd. Ik belde naar de NS, waar ik mijn ticket van Hendaye naar Amsterdam had gekocht. Ook daar wisten ze niet goed raad. Wel kon ik mijn geld terugkrijgen. Ik zocht nog even zelf naar alternatieven. Een busreis was misschien mogelijk. Maar dan zou ik de hele dag in het zeer regenachtige San Sebastian moeten doorbrengen en daarna een hele nacht en een dag in een overvolle bus moeten zitten. Een beginnende verkoudheid deed zich voelen. Voor de zekerheid keek ik of er een goedkope vlucht van Santiago naar Amsterdam zou gaan. Jawel, op maandag. En dat slechts voor 45 euro’s, de helft van de prijs van mijn treinticket van Irún naar Amsterdam.

En nu zit ik weer in de trein op de terugweg naar Ponferrada. Een weekendje langer thuis. Maandag vliegen. Misschien ben ik toch niet zo Greta als ik dacht.
De vroege ochtend in Hendaye


donderdag 5 december 2019

Tien jaar Facebook en nog steeds niet geradicaliseerd

Toen ik nog bij mijn ouders thuis in de Jacob van Arteveldestraat in Amsterdam-West woonde, hadden we op een gegeven moment een schaakcomputer in huis. Mijn vader zette zich met de witte stukken voor het apparaat en opende met een zet die hij ons altijd ontraden had. Verbaasd keek ik hem aan. ‘Met zo’n onverwachte zet maak je de computer in de war,´ verklaarde hij. Ik kon daar niet over uit. ‘Computers raken niet in de war; mensen raken in de war,’ betoogde ik. Met een trotse glimlach won mijn vader vervolgens op overtuigende wijze de partij, wat ik weet aan het lage niveau van het programma dat slechts twee zetten diep dacht.

Maar nu ik ouder word, ga ik toch steeds meer op mijn vader lijken. Ook ik probeer de rekenkracht van een machine te verslaan met onverwachte zetten. Het gaat om de algoritmes van Facebook, waarvan ik vorige week het heuglijke bericht ontving dat ik al tien jaar bij de club was. Om dat te vieren hadden ze een ongelooflijk lelijk filmpje gemaakt met kinderlijke kleuren en een soort lego-figuurtjes die zich tussen enkele van de door mij in de loop van die tien jaar geplaatste foto’s voortbewogen. Nee, ik heb het filmpje niet gedeeld, maar wel nagedacht over het medium en mijn lidmaatschap heroverwogen. Want Facebook ligt onder vuur. Via de hogere wiskunde worden je voorkeuren geanalyseerd en aan de hand daarvan selecteert Facebook de berichten die je te zien krijgt, zodat je altijd bevestigd wordt in je opinies en vooroordelen. Radicalisering ligt op de loer.

Aanvankelijk deed ik daaraan mee. Mensen die mij al te onwelgevallige berichten deelden, ontvriendde ik terstond. Daarna heb ik een tijdje geprobeerd al te onjuiste berichten en nepnieuws te corrigeren. Een Spaanse Facebookvriend die het bericht deelde dat Moslims de viering van de Paasweek (la Semana Santa) op Nederlandse scholen onmogelijk maakten, legde ik uit dat in Nederland de Paasweek sowieso nauwelijks gevierd wordt en al helemaal niet op openbare scholen. Een andere vriend, die een vreemde scheldkanonnade deelde die geschreven zou zijn door Arturo Perez-Reverte, wees ik er fijntjes op dat het stukje niet bepaald in de stijl van deze bekende schrijver was. Dit laatste was overigens pas nadat ik voor de zekerheid even had geverifieerd of het inderdaad niet van hem afkomstig was; je kan maar nooit weten. Maar waarom doet niet iedereen dat? Gewoon even de bron checken voordat je iets plaatst!

Maar ik ben er ook mee opgehouden dit soort commentaren te plaatsen; je maakt er beslist geen Facebookvrienden mee en bovendien lezen de algoritmes mee. Tegenwoordig laat ik de meest vreemde berichten en slogans rustig tot me komen en lees ik ze zelfs, ter lering en vermaak. Het geeft een mooi inkijkje in de denkwereld van de extremistische medemens en de algoritmes raken van slag. Het succes van deze strategie werd me duidelijk toen YouTube een samenvatting van een wedstrijd van Ajax onderbrak voor een reclamefilmpje, waarin een Duitssprekende personal trainer me uitlegde hoe ik moest afvallen. Ze hebben er dus geen idee van wie ik ben! De mens verslaat de machine!

Ondertussen geloof ik nog steeds in zaken als democratie, consensus, overleg, stapje voor stapje de wereld verbeteren en rustig aan, dan breekt het lijntje niet. Ja beste mensen, tien jaar Facebook en nog steeds niet geradicaliseerd. Dat is toch wel een applausje waard! 👏👏👏


donderdag 19 september 2019

Honderd

Onze vader vond zijn geboortedatum best grappig. Negentien september negentiennegentien, oftewel 19-09-1919.Maar welbeschouwd was het een geboortedatum die niets dan rampspoed voorspelde. Ik heb, toen hij allang gepensioneerd was, bij het Nederlandse Instituut voor Oorlogsdocumentatie proberen te achterhalen hoe lang hij in feite in krijgsdienst was geweest. Als dat meer dan vijf jaar was, zou hij voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking kunnen komen voor al het ondergane leed en de verloren jeugdjaren. Hij haalde die vijf jaren net niet, omdat de Arbeitseinsatz niet werd meegeteld.

Hij werd soldaat in 1937, meen ik me te herinneren, en werd na zijn normale dienstplicht onmiddellijk gemobiliseerd vanwege de oorlogsdreiging. Bij het uitbreken van de oorlog was hij gelegerd aan de IJssellinie, waar de Duitsers zonder veel strijd aan voorbij gingen en mijn vader geraakte in krijgsgevangenschap. Toen hij daar uit kwam, werd hij al spoedig opgeroepen voor de Arbeitseinsatz, verbleef ergens in de buurt van Düsseldorf tot hij een infectie opliep en naar huis werd gestuurd om te helen, waarna hij tot het eind van de oorlog ondergedoken zat in Den Haag.

Hij praatte niet graag over die tijd. Maar soms, na een glaasje sherry, kwamen er toch verhalen. Over hoe hij zag dat de Duitse vliegtuigen de IJssel overvlogen hetgeen het begin van de oorlog inluidde. Hoe hij een brug over de IJssel opgeblazen zag worden. Hoe hij daarna, bij gebrek aan orders, naar de stad Zutphen liep, waar de Duitsers al het verkeer stonden te regelen. Over hoe sommige tewerkgestelden in Duitsland, waaronder hijzelf, van de bombardementen gebruik maakten om sabotage te plegen. Hoe hij in de oorlogswinter hout ging sprokkelen in het Haagse Bos, waar hij zag hoe de Duitsers V2’s afschoten richting Engeland.

Als kind heb ik hem, na het zien van een gewelddadige oorlogsfilm, wel eens enthousiast gevraagd of hij ook een vijand had neergeschoten. ‘Gelukkig niet,’ antwoordde hij. Toch waren het voor mij wilde avonturen waar hij over vertelde. Heel anders dan het gezapige leven dat we daar leidden daar in het Amsterdam Nieuw West van de jaren zestig. Maar hij vertelde er over zonder enige sensatiezucht, met veel tegenzin zelfs, zoals zoveel van zijn generatiegenoten.

Gelukkig had hij na de oorlog al snel een baan bij De Gruyter, een vrouw, een gezin, een huis en alles waar hij waarschijnlijk tijdens de oorlogsjaren alleen maar van had kunnen dromen: groeiende welvaart en bestaanszekerheid, al moest hij daar hard voor werken. Soms veranderde hij, onder invloed van zijn zonen, in een kleine jongen. Dat was met name als er een bal rolde op een veld, als we wandelden met de hond of als we op vakantie waren in de bossen op De Veluwe. Na zijn dood ben ik naar het bos rondom de camping bij het dorp Garderen gegaan om hem te herdenken. Ik probeerde de plek te vinden waar we elke ochtend hazelwormen zagen, het kreupelhout waar we met de hond doorheen liepen in de hoop op zwijnen of reeën te stuiten en de bosweide waar we eens op een zeer vroege morgen een edelherthinde met een jong zagen lopen. Dat was toen zo schitterend.

Wat een zorgzame man hij was, werd me eens te meer duidelijk tijdens zijn laatste dagen. Ondanks zijn lijden, kon hij niet anders dan zich zorgen maken over onze moeder, die zonder hem verder zou moeten.  Hij was ronduit goed, onze vader. Hij zou vandaag 100 zijn geworden.

De familie Knoppe in 1959

maandag 12 augustus 2019

De reis van Ponferrada naar Amsterdam

Fragmenten uit een reisdagboek (6 en 7 juni)

14:20 de trein van Ponferrada naar Vitoria
Ik zit in de trein van Ponferrada naar Vitoria. Net op het perron afscheid genomen van mijn vrouw Ana. Altijd een emotioneel moment, al is het anders dan vroeger toen ik nog in Amsterdam woonde. Het is nu slechts voor twee weken. Het reizen gaat tot nu toe goed. Lekker lezen, een beetje schrijven en af en toe uit het raam kijken. De Spaanse hoogvlakte ligt er al droog bij. Er scheert een roofvogel over de stoppelvelden. Een grauwe kiekendief, waarschijnlijk.

15:30 de trein van Ponferrada naar Vitoria
Eens kijken of dit gaat bevallen. Het is al zo lang geleden dat ik met bus en trein naar Nederland heb gereisd. Maar ik heb er genoeg van zoveel gevlieg. Vliegschaamte, wellicht. We kunnen er niet meer onderuit. Het menselijk handelen, en dan vooral van de Westerlingen, heeft het wereldwijde klimaat veranderd. En zelf heb ik daar, zeker sinds ik in Spanje woon en minimaal twee keer per jaar naar Nederland reis, flink aan bijgedragen. En ik houd ook helemaal niet van vliegen. Vliegvelden zijn akelige plekken. En het is altijd een beetje eng, met name het opstijgen en de landing.

19:00 Vitoria
Vitoria is een fijne stad. Veel fietspaden, groene parken en veel ruimte voor voetgangers. Dat laatste kwam van goed pas, want het treinstation is best ver van het busstation verwijderd. Maar na de wandeling zit ik nu rustig op een terrasje met een pilsje te wachten tot het moment is aangebroken om de bus naar San Sebastian te nemen. Prettig om zo’n ruime overstaptijd te hebben. In Vitoria kom ik zeker nog eens terug.

22:00 San Sebastian
Ook in San Sebastian is het goed toeven. Alweer een terrasje en nu met de plaatselijke, licht sprankelende wijn, Txakoli, en natuurlijk één van de zo vermaarde pintxos (een lekker hapje). Een goed begin van de langste etappe van deze reis. De bus van San Sebastian naar Brussel. Wat is het toch jammer dat de langere trajecten over de rails zo belachelijk duur zijn. De trein is veel comfortabeler dan de bus. Het schommelt minder, je kunt gemakkelijker lezen, af en toe wat lopen. Maar de bus is veel goedkoper.

01:30 de bus van San Sebastian naar Brussel
Dat was een onrustig begin van de busreis. Eén van de medewerkers van Alsa, de Spaanse busmaatschappij, maakte een enorme drukte. Iedereen die de bus binnenkwam, sprak hij op fanatieke wijze aan op de te grote afmeting van de handbagage, ook als het, zoals in mijn geval, om een klein rugzakje ging met daarin een boek en een tandenborstel. Sommige passagiers werden kwaad, maar ik onderging het gelaten. De man was duidelijk in de war. Eigenlijk best goed dat Alsa zo iemand eenvoudig werk aanbiedt als stewart in een busstation. Groot was mijn schrik echter toen dezelfde man even later achter het stuur plaatsnam. Gelukkig verliet hij ergens in Frankrijk, nog voor Bordeaux, de bus. De collega die het stuur heeft overgenomen komt een stuk stabieler over, al pleit tegen hem dat hij zojuist op zijn mobiel even wat berichten begon te lezen.

7:35 de bus van San Sebastian naar Brussel
De vorige stop was pure reisromantiek. Een lelijk wegrestaurant ergens in de buurt van Poitiers. Buspassagiers die wat verdwaasd door dat lege en al gesloten restaurant dwalen en uiteindelijk uit de automaat een fles water en wat nootjes kopen. Het is warm ook al is het midden in de nacht. Buiten ontstaan spontaan gesprekken. Een meisje vertelt me dat ze gaat werken als vrijwilligster in het vluchtelingenkamp bij Calais. Een heldin. Ah, we gaan stoppen voor een Frans ontbijt.


11:30 de bus van San Sebastian naar Brussel
Parijs! Het is een uur of elf ‘s morgens. Ik wil een mooie foto te maken van een kenmerkend gebouw, de Eiffeltoren als het even kan, maar we komen bij lange na niet dichtbij genoeg. Het had best lekker geweest als ik hier had uitgestapt en de Thalys had genomen naar Amsterdam. Maar deze is vrijwel onbetaalbaar als je niet heel ver van tevoren boekt. Er wacht me nog een lange busreis naar Brussel. Dat wordt weer veel lezen en dutten.

17:30 de trein van Brussel naar Amsterdam
Gelukkig stopte de bus vlakbij het treinstation Bruxelles du Midi. Ik kocht mijn kaartje gewoon aan het loket. Dat voelde al vertrouwd aan. Ik sprak mijn eerste Nederlandse woorden tijdens deze reis. Even zocht ik in dat immense station een geschikte eetgelegenheid. Uiteindelijk werden het wat belegde broodjes om die lekker buiten op het perron te nuttigen. De laatste etappe tot Amsterdam.

19:30 de trein van Brussel naar Amsterdam
Ben er nu bijna. Buiten het mij zo bekende polderlandschap. Op het Amstelstation neem ik straks de bus naar het huis van mijn broer. De reis was lang en vermoeiend maar toch ook wel mooi. Dit ga ik vaker doen!

De technische details van de reis:
Reismaatschappij
van
naar
Prijs
Renfe
11: 28 Ponferrada
16:25 Vitoria
€   12,20
Alsa Bus
20:10 Vitoria
21:25 San Sebastián
€     7,00
Alsa Bus internacional
22:30 San Sebastián
14:40 Brussel (door vertraging 16:00)
€   75,00
NS
16:50 Brussel
19:38 Amsterdam
€   36,60


Totaal
€ 130,80




Nadelen:
Duurt lang
Slapen in stoel
Stijve nek en rug
Voordelen:
Tijd voor lezen (internationale pers en een mooi boek)
Hapjes en drankjes in verschillende landen
Dit is pas reizen!

zondag 30 juni 2019

Een nostalgische fietstocht langs al mijn huurwoningen in Amsterdam

Het is pinksterzondag. Ik word vroeg wakker in het huis van mijn broer en zijn vrouw. Er is al zoveel licht ’s morgens en helemaal vandaag, nu het zonnetje uitbundig schijnt. Tot drie uur vanmiddag heb ik eigenlijk geen afspraken staan. Weet je wat? Ik ga een mooie fietstocht maken door de stad. Langs alle plaatsen waar ik ooit heb gewoond. Een nostalgische route. En dan kan ik daar wellicht een mooi stuk over schrijven in zowel mijn Nederlandse als mijn Spaanse blog. Want er is een frappant verschil tussen Nederland en Spanje als je het hebt over hoe de mensen wonen. In Spanje zijn er bijna geen sociale huurwoningen. Veel mensen, ook degenen die zichzelf tot de lagere middenklasse rekenen, kopen een huis. Kinderen blijven meestal bij de ouders wonen totdat zij genoeg inkomen hebben om een hypotheek af te sluiten. En als Spanjaarden huren, is het meestal gemeubileerd. Terwijl we in Nederland bij elke verhuizing, ook als we huren, gaan behangen, verven, potteren en boren. Eigenlijk was zo’n verhuizing altijd wel een sociaal evenement; met vrienden en familie een touw met blok en een busje (of een enkele keer een bakfiets) regelen. Na afloop patat met bier. Ik krijg zin in de fietstocht en loop naar buiten.

De eerste stop. De Jacob van Arteveldestraat 7, drie hoog
Wat is het hier toch veranderd. Mijn ouders kwamen hier wonen ergens in de jaren vijftig. Ze waren enorm blij met de woning, maar klein was het wel. We sliepen met drie zonen op één kamer. Maar de huur was betaalbaar en de parkachtige omgeving ideaal voor kleine kinderen. Het was echter wat ze noemen revolutiebouw: snel uit de grond gestampte woningen die al snel aan vervanging toe waren. Ik neem een foto van het nieuwe gebouw, dat hopelijk wat steviger in elkaar steekt. Maar daarboven ergens heb ik mijn jeugd doorgebracht.

De tweede stop. Planciusstraat 10, drie hoog rechts.
Hier woonde ik begin jaren 80 voor het eerst zelfstandig. Een eenkamerwoning met een heerlijk lage huur. Ik betaalde in het begin 80 gulden per maand, dat is omgerekend zo´n 34 euro. Nu zijn de huren een stuk hoger, maar het gebouw is dan ook volkomen gerenoveerd. Het gebouw is overigens een monument, als één van de eerste sociale woningcomplexen van Amsterdam uit de 19e eeuw.

De derde stop, Houtmanstraat 13, 1 hoog.
Het gaat hier om hetzelfde gebouw als de Planciusstraat, maar hier met de ingang aan het mooie, autovrije straatje. Deze woning was voor mijn familie speciaal. Toen mijn opa van moeders kant in crisis van de jaren 30 als schipper failliet ging, was hij gedwongen zijn schip te verkopen om met zijn gezin naar de stad te komen. Ze kwamen uiteindelijk op deze woning terecht. Ongelooflijk dat ze met z’n allen (familie met vier kinderen) hier in deze tweekamerwoning woonden. Mijn Ome Jaap bleef er na de dood van zijn ouders wonen. Toen hij ging verhuizen, regelden we met de woningbouwvereniging dat ik er in kon trekken, hetgeen voor mij een verdubbeling van mijn woonruimte betekende. Ik dacht dat ik er nooit meer zou vertrekken, tot een renovatie mij dwong om elders mijn heil te zoeken. Maar als je huis gerenoveerd wordt, krijg je voorrang op de lange wachtlijsten voor sociale woningen. Ik had zodoende al snel wat gevonden.

De vierde stop, Tuinstraat 142, 2 hoog.
De enige tegenvaller bij de verhuizing was dat het hier ging om misschien wel het enige portaal zonder haak in de nok, zodat touw en blok niet konden worden gebruikt. Alles moest over de trap. Ik heb hier de laatste jaren in Amsterdam, van 2005 tot juni 2009 heerlijk gewoond in De Jordaan, het laatste jaar samen met mijn huidige vrouw. Daarna vertrok ik naar Spanje, eerst voor een jaar om te proberen. Het huis had ik via de woningbouwvereniging onderverhuurd. Ik kreeg vervolgens nog een jaar uitstel voor onderverhuur. Maar daarna moest de knoop worden doorgehakt. De Jordaan of Ponferrada. Het werd, zonder veel twijfel, Ponferrada. Hoewel De Jordaan sindsdien nog veel toeristischer is geworden, blijft het een fijne buurt. Helaas zal het aantal sociale woningen zijn afgenomen. Naar verluid is het steeds moeilijker om in Amsterdam een betaalbare huurwoning te vinden. Ik ben benieuwd hoe lang het systeem van sociale huurwoningen in Amsterdam nog zal bestaan.

Ik neem de foto van mijn laatste huis en besluit dat het nu wel genoeg is met al dat nostalgische gedoe. Tijd voor een pilsje op een zonovergoten terras. Dat wordt mijn oude stamkroeg Café Scharrebier.

zaterdag 9 maart 2019

Discriminatie!

Het is er op mijn ouwe dag toch nog van gekomen. Ik behoor ik tot een gemarginaliseerde minderheidsgroep.

Vroeger ging ik nog wel eens prat op mijn eenvoudige komaf. Ik groeide immers op in de Kolenkitbuurt in Amsterdam West, die op een gegeven moment werd betiteld als één van de meest problematische buurten van Nederland. Maar goed, dat was na de tijd dat ik er woonde. Ik was één van de laatste vertegenwoordigers van de babyboomgeneratie die in deze wijk opgroeide. We behoorden toen wellicht niet tot de allerarmsten van Nederland, maar wel tot de lagere middenklasse. Nederland was indertijd welvarend en uiteindelijk kon ik met een beurs studeren. Nee, mijn komaf kon ik nooit echt als verklaring aanvoeren voor mijn niet altijd even succesvolle maatschappelijke carrière, zeker niet toen de nazaten van de Turkse en Marokkaanse immigranten, die later in wijken als de Kolenkitbuurt terecht kwamen, tijdens hun loopbaan door taalachterstanden, cultuurverschillen en discriminatie tegen veel meer problemen aanliepen dan mensen van mijn generatie.

Toen ik tien jaar geleden hier in Spanje kwam wonen dacht ik even tot een gemarginaliseerde minderheidsgroep te gaan behoren. Een buitenlander, immers, afkomstig uit het arrogante Noord-Europa. Een immigrant die het Spaans spreekt met een sterk Amsterdams accent en steeds de vrouwelijke en mannelijke verbuigingen door elkaar haalt. Maar nee, ik werd hier over het algemeen uitermate vriendelijk ontvangen. Hooguit werd mijn accent grappig of zelfs schattig gevonden. En veel mensen wezen me er op dat ik met mijn kennis van buitenlandse talen altijd les kon geven in Engels, Duits of zelfs Nederlands. En aldus geschiedde.

Maar nu heb ik het zwart op wit. Ik word gediscrimineerd. Ik ben namelijk 60+. Ondanks dat ik hier privéstudenten ontvang en af en toe via internet lessen geef, heb ik met name in de ochtenden vaak weinig om handen en ben ik nog steeds actief op zoek naar een baan. Een Canadese buurman wees me op de mogelijke aanstelling als klassenassistent bij Engelse of vakken die in het Engels worden onderwezen op middelbare scholen. Het leek me wel wat. Dus schreef ik me via de site van het Spaanse ministerie van onderwijs in.

Een vriendelijke ambtenares bij de Spaanse ambassade in Nederland, die daar blijkbaar over gaat, schreef me een mail dat ik niet in aanmerking zou komen omdat ik de 60 was gepasseerd. Ik antwoordde haar dat dat me bevreemdde omdat ik nog minstens vijf jaar kon werken alvorens met pensioen te gaan en dat dit een typisch geval van leeftijdsdiscriminatie was. Ik vroeg haar de beslissing te herzien. Het is geen persoonlijke beslissing, antwoordde ze, en ze wees me op de voorwaarden in de bijlage. Ik antwoordde op mijn beurt weer dat dat dan officiële discriminatie was en dat ik in een klacht zou indienen bij de arbeidsinspectie of eventueel bij de EU. Niet lang daarna kreeg ik een computergestuurde officiële afwijzing.

Ik belde naar het ministerie in Madrid, maar kreeg daar van een veel minder vriendelijke telefoniste te horen dat ik niet bij hen moest wezen. Da´s vreemd, antwoordde ik, want onder de officiële afwijzing staat toch duidelijk het ministerie genoemd. Ze vond me overduidelijk een eigenwijze 60+er en weigerde me met wie dan ook door te verbinden. Ze is er wel in geslaagd om mijn voornemen om een officiële klacht in te dienen te laten varen. Ik heb er geen zin in om de komende jaren als een Don Quijote tegen de bureaucratische windmolens te strijden.

Dus, beste mensen, mochten jullie me in ´s morgens in Ponferrada aantreffen op een terrasje met een kopje koffie en een krant of wandelend langs de rivier El Sil om naar de vogeltjes te luisteren, denk dan niet dat mijn ledigheid voortkomt uit gebrek aan ambitie of initiatief. Het zit namelijk zo: ik word officieel gediscrimineerd!