Posts tonen met het label Barcelona. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Barcelona. Alle posts tonen

zondag 1 oktober 2017

Ramkoers

Tijdens gesprekken met de mensen hier gaat het, vanzelfsprekend, vaak over de verschillen tussen het leven in Nederland en Spanje. Als ik dan zeg dat ik best heb moeten wennen aan de andere gewoonten, krijg ik soms de reactie: ‘ik weet precies wat je bedoelt; ik ben ook niet van hier.’
Op mijn vraag waar de ander, die volgens mij toch accentloos Spaans spreekt, dan vandaan komt, antwoorden ze bijvoorbeeld: ‘Uit de stad León.’ Die stad ligt hier zo’n 100 km vandaan, maar toch vindt men hier dat het leven en de mentaliteit daar volkomen anders zijn. De regionale verschillen worden nog meer benadrukt door mensen die afkomstig zijn uit verder afgelegen regio’s zoals Extremadura of Andalusië . Zeker de Andalusiërs hebben een specifieke tongval en voelen zich in het voor hen zo kille Ponferrada buitenlanders.

De band die de mensen hier met de geboortegrond hebben is enorm hecht. Zo zijn er in El Bierzo op zijn minst twee regionale politieke partijen actief en is de stad volgeschreven met graffiti waarin wordt opgeroepen tot een afscheiding van El Bierzo van de provincie León, tot een afscheiding van de provincie León van de deelstaat Castilla-León of tot een aansluiting van El Bierzo bij de deelstaat Galicië. Ik herinner me een treinreis van Barcelona naar Galicië, ergens begin jaren tachtig, met een coupée vol reizigers uit alle streken waar de trein doorheen reed, en werkelijk de hele reis ging het gesprek over de specifieke gewoonten, gerechten, en architectuur van de diverse regio’s. Ik was toen nog een groentje op het gebied van Spanjereizen en was echt verbaasd over dergelijke diversiteit en ook over de trots waarmee ze spraken over hun geboortegrond. Goed, dat veel Catalanen en de Basken zich meer vereenzelvigden met hun regio dan met de Spaanse staat was me toen al duidelijk. In Barcelona had ik zelfs uit nieuwsgierigheid meegelopen met een demonstratie op 11 september, de dag van Catalonië, La Diada. Dat was ronduit beangstigend. Langs de gehele route stond aan beide zijden van de straat agenten van de Guardia Civil opgesteld die verre van vriendelijk keken. Het was 1981, denk ik, dus nog maar net na de val van het Franco-regime.

En nu lijkt het zo enorm uit de hand te lopen in Catalonië, waar de huidige regering van de deelstaat, een vreemde coalitie van zeer linkse Catalaans-nationalistische partijen en een rechtse Catalaans-nationalistische partij met een nogal corrupt verleden, vandaag, 1 oktober 2017, eenzijdig een referendum over de onafhankelijkheid organiseert. De Spaanse regering in Madrid van Rajoy is niet vies van Spaans nationalisme en, zoals zo vaak, leidt al dat nationalisme tot niets goeds. Beide kampen liggen op ramkoers. Niemand weet wat er hierna gaat gebeuren. Er zal een soort machtsvacuüm ontstaan. De regionale politie en overige ambtenaren zullen niet weten welke regering ze zullen moeten gehoorzamen. Erg bedenkelijk is dat er geen kiesdrempel is voor dit referendum; voor de Catalaanse regering is de uitkomst geldig ongeacht de opkomst. Een lage opkomst zullen ze sowieso wijten aan de repressie van de Guardia Civil. 

Wat mij betreft zou er in Catalonië gewoon een door de centrale overheid erkende en gegarandeerd referendum gehouden moeten worden, net als indertijd in Schotland of in Quebec, als de lat maar hoog wordt gelegd wat betreft opkomst. Ik ben er niet van overtuigd dat de separatisten zouden winnen, als de centrale Spaanse overheid zich minder repressief zou opstellen en er duidelijk wordt uitgelegd wat de consequenties van onafhankelijkheid zijn. Echt waar, Catalanen, FC Barcelona zou voortaan in de Catalaanse competitie moeten spelen met als hoogtepunt van het seizoen Girona-Barcelona. Inderdaad, jullie zouden waarschijnlijk voorlopig uit de EU verdwijnen; veel landen zullen niet graag separatistische bewegingen aanmoedigen. En voor een bezoek aan El Bierzo, verreweg de beste regio van heel Spanje, zouden jullie daadwerkelijk een grens moeten oversteken. Woon ik eindelijk in het zelfde land als mijn Catalaanse vrienden, gaan ze zich een beetje afscheiden. Dat kan toch zeker niet!


Barcelona, 1 oktober 2017

donderdag 24 augustus 2017

La Font de Canaletes

Op de lijst van steden waar ik me het meest thuis voel heeft Barcelona heel lang op nummer twee gestaan. Het spijt me de Catalanen te moeten mededelen dat Barcelona de laatste jaren naar nummer drie is gezakt, omdat Ponferrada met stip is gestegen en nu met Amsterdam wedijvert om de eerste positie.

Mijn eerste Spanjereis was naar Barcelona. Wat een stad! Het was 1982. Uren kon ik rondzwerven door de buurten van het oude centrum, de Barrio Gótico en de Barrio Chino. Maar ook ontdekte ik de schoonheid van wat wij, vier vrienden uit Amsterdam, de vierkante wijk noemden. De wijken met het geruite stratenpatroon vol modernistische gebouwen, met terrassen aan de rand van de lange drukke straten waar mensen rustig hun ontbijtje of drankje zaten te nuttigen naast het langsrazende verkeer. Onze Catalaanse vrienden lieten ons ook de schoonheid van het toen nog onbekende Barcelona zien. De wijk Gràcia waar ik me het restaurant El Glop nog herinner. Of dat bizarre theater La Bohemia in de Barrio Chino met oudere variétéartiesten, veelal travestieten (zie ook de documentaire Yo soy así). In de danszaal La Paloma dansten we op de ballroom muziek van een groot orkest en werd om 12 uur ’s nachts tot mijn schrik mijn naam omgeroepen. Ik was jarig. Midden in de zomer. Dat wist ik helemaal niet. De fles Cava, Catalaanse champagne, smaakte er niet minder om.

Thuis in Amsterdam verbeterde ik mijn leesvaardigheid van het Spaans door het lezen van romans die zich bij voorkeur in Barcelona afspeelden. Ik las Nada van Carmen Laforet met naast me een Spaans-Nederlands woordenboek en op de vloer de kaart van Barcelona om de zwerftocht van de hoofdpersoon Andrea door de stad te kunnen volgen. Ik verslond La Ciudad de los Prodigios van Eduardo Mendoza en Últimas Tardes con Teresa van Juan Marsé.

Sinds de jaren 80 heb ik vele malen Barcelona bezocht. Het moest zo zijn. Onze Catalaanse vrienden brachten ons naar de waterpomp op Las Ramblas, la Font de Canaletes (de bron van Canaletes), en vertelden ons dat wie van het water drinkt naar Barcelona zal terugkeren. Ik nam zo veel slokken als ik maar kon om me van vele bezoeken aan die mooie, drukke, levendige, gekke stad te verzekeren. Juist daar waar de Font de Canaletes staat, op de kop van Las Ramblas, vond afgelopen week de terroristische aanslag plaats. Een jonge moslim, vol haat tegen alles waar Barcelona voor staat, reed met een bestelbus Las Ramblas op vanaf Plaza Catalunya. Het resultaat: 13 doden, vele gewonden, angst, haat.

Natuurlijk volgden er heftige reacties, vooral op de sociale media. Ook hier in Spanje bestaat bij sommigen de behoefte hele bevolkingsgroepen te veroordelen voor het gedrag van enkele individuen. En er waren rechtse Spanjaarden die de schuld wilden geven aan de linkse burgemeester van Barcelona, Ada Colau, omdat er geen blokken beton waren geplaatst om Las Ramblas te beschermen (alsof de aanslag per se op Las Ramblas plaats zou moeten vinden), terwijl linkse Spanjaarden en Catalaanse nationalisten de schuld wilden leggen bij de koning van Spanje die immers in Saoedi Arabië op staatsbezoek was geweest. Zelfs een aanslag als deze wordt gebruikt om het eigen politieke gelijk te halen, zeker nu het onafhankelijkheidsstreven van de Catalanen de meningen zozeer verdeelt.

Maar de meeste reacties uit Catalonië die ik zag gaven me hoop en maakten me trots op mijn derde thuisstad. ‘No tenim por’ (we zijn niet bang), scandeerden de mensen op straat tijdens een herdenkingsplechtigheid. Veel inwoners benadrukten dat Barcelona een veelzijdige, open, mondiale stad is waar geen ruimte is voor haat of intolerantie. Ook de moslims uit Barcelona protesteerden tegen de brute aanslag.

Binnenkort kom ik weer langs, Barcelona, het is alweer te lang geleden, en dan laaf ik me opnieuw aan La Font de Canaletes.


dinsdag 28 oktober 2014

De banken

Ik heb de foto nog. Het zijn de jaren ’80. We drinken een pilsje op het terras van Café Zurich in Barcelona. Dan besluit ik mijn gloednieuwe giropas uit te proberen bij de Banco Central aan de overkant van de Ramblas. Dat zal de eerste keer zijn dat ik op straat geld trek uit een automaat die niet aan een Nederlands postkantoor hangt. En het lukt: de pesetabiljetten glijden langzaam uit de gleuf. Vol trots ga ik weer terug naar het terras van Café Zurich via de voetgangerstunnel onder De Ramblas door. Net als ik bovenkom drukt mijn vriend Wybe de foto af. We zien een jongeman (met best veel haar nog) na een geslaagde missie. Nooit meer zou het nodig zijn om met travellercheques in een postkantoor in de rij te staan.

Spanje liep in die tijd voorop wat betreft het bankwezen. Tijdens onze reizen viel het ons op dat zelfs in de kleine bergstadjes bijna altijd wel een geldautomaat voorhanden was. De banken waren alomtegenwoordig. En dat is eigenlijk nog steeds zo. Alleen al hier beneden in de straat, in La Avenida de América, zijn er maar liefst twee banken en drie geldautomaten te vinden. In veel grote winkelstraten, ook die van Ponferrada, domineren de bankgebouwen het straatbeeld. Ondanks de vele fusies is de diversiteit aan banken opvallend.

Het vreemde is dat het in Spanje makkelijker is om geld van mijn Nederlandse rekening op te nemen dan van mijn Spaanse rekening. Met een Spaanse pas moet je altijd goed letten op waar je het geld trekt, anders betaal je (geloof ik) € 3,50 commissie. Terwijl ik met mijn Nederlandse pas waar dan ook in Spanje (en in bijna heel Europa) zonder enige extra kosten geld kan trekken. Een merkwaardig verschil. En het is nota bene dezelfde bank; de ING is ook hier in Spanje actief. Tja, nog steeds bij de ING; ik schaam me er bijna voor het te zeggen. Daar kwam je als oud girogebruiker nu eenmaal vanzelf bij terecht. Ik ben altijd te lui geweest om van bank te wisselen, hoewel daar alle aanleiding toe was. Het toppunt van cynisme was toch wel dat ze Wim Kok, oud-vakbondsleider en ooit socialist, wisten te strikken voor het goedpraten van de perverse bonuscultuur.

Ook hier in Spanje hebben de bankiers zichzelf in de tijden van de economische voorspoed bijzonder goed beloond, niet alleen bij de grote banken, maar ook bij de vele cajas de ahorros: de spaarbanken. Ooit waren dat wellicht kleine banken met sociaal gezicht. Nog steeds organiseert de Caja España af en toe culturele evenementen in Ponferrada. Maar de meeste van deze spaarbanken zijn in de gretige handen gekomen van zichzelf verrijkende bestuurders. Veelal zijn dat representanten van de politieke partijen, de vakbonden en de werkgeversorganisaties. Die vormen het bestuur, al dan niet in coalitievorm. En da’s lang niet altijd goed gegaan.

Zo hebben ze aan veel spaarders preferente obligaties verkocht met de belofte van hogere rentes zonder al te veel risico. Dat risico bleek alleen laag zolang er de financiële luchtbel bleef uitdijen. Vooral veel oudere mensen raakten zo al hun spaarcenten kwijt. Op het ogenblik is vooral de vroegere Caja Madrid in opspraak. Daar hebben de bestuurders (vooral dankzij een coalitie van de regerende Partido Popular en de ooit communistische vakbond Comisiones Obreras) zichzelf gratis betaalpasjes gegeven om lopende kosten mee te dekken, hetgeen alle aanleiding gaf om uitbundig te shoppen bij diverse luxe winkels.

De verwevenheid van de politiek met het (financiële) bedrijfsleven is een ongezonde zaak. De economische en politieke macht moeten zoveel mogelijk gescheiden worden. Politici moeten niet zelf in het bankwezen zitten; ze moeten het bankwezen van buitenaf controleren en reguleren. Wij als oplettende burgers moeten op onze beurt dan weer de politici controleren en reguleren, natuurlijk. Oh ja, en ik moet binnenkort toch maar eens van bank veranderen, ten minste, als dat niet te veel tijd en moeite kost.

vrijdag 31 mei 2013

Herinneringen aan Carmen

Ik staar nog even verdwaasd naar mijn mobiele telefoon. Dan wellen de tranen in mijn ogen. Ana, die tijdens het gesprek heeft staan luisteren, komt naar me toe en slaat een arm om me heen. We huilen samen. Degene die me net belde was Vicky uit Barcelona. Toen ik haar naam op het schermpje zag verschijnen wist ik al wat de boodschap zou worden. Carmen lag al een tijd op sterven. En nu was haar dood dan daar. Vicky en ik haalden herinneringen op. Dat ze zo’n fijne vriendin was geweest. Een vrouw met een groot hart. Met een positieve levenshouding. En sterk. En warm. Dat ze voor eeuwig en altijd voort zou leven in onze herinneringen.

Even later loop ik naar mijn laptop en zet hem aan. Ook in Nederland had Carmen vele vrienden. Mijn eerste mailtje gaat naar Wybe en Marcel. Verleden week was ik in Amsterdam en hadden we afgesproken in de kroeg. Daar dronken we op Carmen, in het besef dat haar spoedige dood onvermijdelijk was. Daarna volgden de herinneringen en de anekdotes. Hoe we elkaar in 1980 ontmoetten op de camping van Florence: vier meiden uit Barcelona, vier jongens uit Amsterdam, allemaal op een interrailreis. De visites over en weer. Onze vaste plekken in die tijd. Het nachtcafé El Pastis in Barcelona waar de barkeeper altijd Le Port d’Amsterdam opzette als we binnenkwamen. Café de Sproeier in Amsterdam. Nachtelijke fietstochten door Amsterdam naar discotheken met de onwennige meiden achterop. Lange wandelingen langs de kroegen, danszalen en obscure theaters van Barcelona, die we de dag erna bij daglicht en met behulp van de kaart van Barcelona probeerden te reconstrueren.

Mijn tweede mailtje gaat naar de overige Nederlandse vrienden en vriendinnen die Carmen een warm hart toedragen. Dat zijn er velen. Door ontmoetingen in Amsterdam of Barcelona. We hadden de gewoonte om met de voetbalvrienden in de zomervakantie meerdaagse wandelingen te maken in de Pyreneeën. Met daarvoor of daarna een bezoek aan Barcelona. Ook mijn vrienden ondervonden aan den lijve Carmens gastvrijheid en bruisende levenslust. Enkelen werden verliefd op haar. Carmen maakte van Barcelona de mooiste stad van de wereld. Een enkele keer ging ze mee de bergen in. De overweldigende stilte van het hooggebergte maakte diepe indruk op haar. Ze had weinig ervaring in berglopen, maar desalniettemin beklom ze, zij het soms wat vloekend en tierend, de allerhoogste toppen, zoals de Pedraforca en de Pic de L’Infern. Daarna was zij in de refugio vaak het stralende middelpunt tussen al de bebaarde berglopers. Het gemak waarmee zij met mensen omging was benijdenswaardig. Zonder vooroordelen. Van hippies tot zakenlui. Van punkers tot boekhouders.

Deze zomer zag ik haar voor het laatst. Haar leven was in rustiger vaarwater terecht gekomen. Ze was getrouwd met Michel. Ik kwam er met mijn vrouw Ana. Voelde dat vreemd? In het geheel niet. Ze sloot Ana in haar grote hart. Ze was gelukkig. Wel met pijn in haar rug. Dat bleek een voorbode van naderend onheil te zijn.

Ik geloof niet in hiernamaals of leven na de dood. Toch weet ik één ding zeker. Als ik weer slenter door de El Barrio Chino van Barcelona of als ik weer een bergtocht maak door de Pyreneeën, dan zal Carmen bij me zijn. Dan hoor ik haar weer lachen en praten.

Carmen te midden van haar Amsterdamse vrienden
Piep, Peter en Roland op de Pedraforca

maandag 29 april 2013

De Duitsers


Het is dinsdagavond kwart voor acht. Mijn les Duits zit er bijna op. Af en toe heeft mijn twaalfjarige leerling al ongeduldig op zijn horloge gekeken. ‘¿En nu muziek?’ vraagt hij. Ik heb de paar lessen die ik tot nu toe heb gegeven steeds afgesloten met een Youtube-filmpje met Duitse popmuziek. Vooral de heavy muziek van Rammstein kan deze leerling waarderen. Maar dit keer neemt hij het initiatief in handen en zoekt op mijn laptop een Youtube-filmpje op. Er klinkt gejuich en dan volgt het clublied van Bayern München. Omdat de tekst op het scherm meeloopt met de muziek kunnen we beiden meezingen. ‘¡FC Bayern, Stern des Südens, du wirst niemals untergehen ....’! Vanavond is de eerste halve finale wedstrijd van Bayern tegen Barcelona. Mijn leerling is blijkbaar voor Real Madrid.

De speeltijden van de Champions League zijn niet afgestemd op het Spaanse eetritme. Ergens tussen kwart voor negen en half elf op een doordeweekse avond moet er gegeten worden. Gehaast werk ik in de pauze van de wedstrijd in de keuken een gemengde salade naar binnen. ‘¿Is het een mooie wedstrijd?’ vraagt Ana, duidelijk meer geïnteresseerd in mijn geestelijke gesteldheid dan in de wedstrijd zelf. ‘De Duitsers zijn veel beter. Barcelona speelt slecht,’ antwoord ik. Dan klinkt er bij de buren gejuich. ¿Heeft Barcelona gescoord? Nakauwend op een stuk tomaat ren ik naar de huiskamer en zet de tv weer aan. De buren zijn blijkbaar ook voor Real Madrid.

De volgende dag zit ik in café Gijon voor de wedstrijd van Dortmund tegen Real Madrid. Deze wedstrijd wordt in Spanje alleen door de betaaltelevisie uitgezonden, hetgeen niet slecht uitpakt voor de omzet van de cafés. Toch is het minder druk dan andere keren. De vaste kern van Barcelona-aanhangers is thuisgebleven, vast en zeker vanwege de te verwachten grappen en grollen over de nederlaag van gisteren. Een vorige keer, bij de uitschakeling van Barça door Madrid voor de Copa del Rey, waren er zelfs Madrid-aanhangers geweest die de kreet ‘¡Viva España!’ riepen. Zoals te verwachten antwoorden de Barcelonafans met ‘¡Viva Portugal!’ Er spelen niet echt veel Spanjaarden in Real Madrid.

Dit keer klinken dergelijke kreten niet. Terwijl het noodlot zich over Madrid voltrekt, hoor ik achter me het commentaar van de stamgasten. ‘¡De Duitsers hebben al het geld!’ roept iemand vertwijfeld. En een ander zegt: ‘Lewandowski en Blaszczykowski, ¿dat zijn toch zeker helemaal geen Duitse namen?’ Ik proef in deze onredelijke opmerkingen het anti-Duitse sentiment, dat zich meer en meer van Spanje lijkt meester te maken. In de pers werd breed uitgemeten dat uit een enquête blijkt dat veel Duitsers denken dat Spanje een corrupt land is. Ook de opmerkingen van de president van Bayern, Hoeness, dat de grote clubs in Spanje op basis van schulden zoveel spelers kopen, viel niet bepaald in goede aarde hier in Spanje. Verlekkerd werd vervolgens bericht over de belastingontwijking van deze zelfde Hoeness via geheime Zwitserse bankrekeningen.

Als Dortmund nummer vier scoort probeer ik niet te juichen. In principe ben ik een neutrale toeschouwer. Een liefhebber van het spel op zich. Maar dat Mourinho een pak slaag krijg vind ik geweldig. En anti-Duits ben ik eigenlijk nooit geweest. Mijn vader, die in de oorlog de nodige ellende heeft meegemaakt en gezien; eerst als krijgsgevangene, daarna als gedwongen arbeider, heeft hij ons altijd verteld dat veel Duitsers geen nazi’s waren. En nazi’s had je van alle nationaliteiten. Toch lijkt het me nu even niet het moment om voor Duitser door te gaan. Als de wedstrijd is afgelopen, vraagt één van de stamgasten me of ik denk dat één van de Spaanse teams nog een kans maakt op een plek in de finale. ‘Nou, Madrid misschien nog wel,’ antwoord ik diplomatiek. De man maakt een wegwerpgebaar. ‘Ach, welnee man, kansloos zijn ze. Het wordt Duitsland-Duitsland,’ zegt de man vrolijk lachend.

Messi, Cristiano en Rajoy: zijn ze al weg, die Duitsers?

vrijdag 7 december 2012

De dood van een grensrechter


Zelf heb ik het gemist want ik zat een paar straten verderop in een café naar de wedstrijd Real Madrid – Ajax te kijken. Daar was verder slechts geringe belangstelling voor. De mensen praatten dwars door de uitzending heen en keurden het televisiescherm slechts een blik waardig als er een herhaling van een doelpunt van Real Madrid werd uitgezonden. ‘¡Wat een pass van Moldric!!’ riep dan iemand enthousiast. In de rust ging ik op huis aan. Het was immers half tien, zo´n beetje de tijd voor het Spaanse avondeten. De Champions League tijden zijn niet afgestemd op de Spaanse eetgewoonten. En daar aangekomen vertelde Ana het me: ‘Nederland was zojuist op het journaal.’’ ¿Oh?’ Ik begon me al zorgen te maken. Meestal is geen nieuws het beste nieuws. ‘Er is een grensrechter doodgeschopt en nu is heel Nederland ontsteld,’ vertelde ze me.

De volgende dag, toen ik online was, las ik op internet in diverse Nederlandse kranten wat er gebeurd was. Het betrof de vader van een jeugdspeler van de Buitenboys uit Almére, de vaste vlagger bij de thuiswedstrijden. Een aantal jongens van 15, 16 jaar vonden dat hij partijdig was en schopten hem terwijl hij op de grond lag. De dag erna overleed hij in het ziekenhuis.

Het nieuws maakte grote indruk in Nederland. Op facebook zag ik veel berichten langskomen. Ook kreeg ik een mail van de teamleider van mijn oude team dat de wedstrijd van komende zaterdag niet door zou gaan. De KNVB had alle amateurwedstrijden van het weekeinde geschrapt in verband met de ernstige gebeurtenis. Het moet een weekeinde vol bezinning worden. Ook mijn club afc Taba doet mee. Op de site verscheen een bericht dat er zondag een bijeenkomst zou worden gehouden voor alle leden en aanhang om over geweld en voetbal te praten. Net zoals bij zoveel amateurclubs in Nederland.

Voor mij was er één ding onbegrijpelijk. Waarom werden alleen de amateurwedstrijden stopgezet? Het professionele voetbal kan toch zeker ook wel solidariteit tonen? De bond had die wedstrijden ook moeten schrappen; dat zou pas indruk maken. Maar nee, de eredivisie is natuurlijk veel te belangrijk. Hier staat namelijk geld op het spel. En niet zo’n beetje ook. Het professionele voetbal draagt zeker zijn steentje bij aan de agressie op de velden bij de amateurs. Zij geven het slechte voorbeeld met hun harde overtredingen, het aan elkaar trekken bij elke corner, het altijd claimen van een uitbal, het verbale geweld, het de schuld geven aan de scheidsrechters door de coaches. Kinderen doen dat na. Zelfs veteranen doen dat na, weet ik uit ervaring. Dit weekeinde gaan de wedstrijden van de kinderen niet door, maar ze mogen wel op Studio Sport naar professionele overtredingen kijken.

Natuurlijk mengde ook onze populist Wilders zich in de discussie. De jongens die zijn opgepakt zijn namelijk allemaal Marokkanen. ‘Het is geen voetbalprobleem,’ betoogde hij, ‘maar een Marokkanenprobleem.’ Het één sluit het ander natuurlijk niet uit. Bij een volkssport als voetbal komen alle sociale problemen samen. Maar ik heb te vaak tegen volkomen idioten gespeeld om te denken dat er geen probleem bij het voetbal zelf ligt. Een enkele keer heb ik zelf een wedstrijd gefloten. Net als die man bij de Buitenboys, omdat een team van mijn club nu eenmaal een scheids nodig had en de bond die alleen voor de hogere teams levert. Nog nooit heb ik me zo eenzaam gevoeld als toen met die fluit in mijn hand. Sommige mensen veranderen in redeloze wezens als zij moe worden en iemand een beslissing neemt die tegen hun belangen ingaat. Er wordt gescholden. Je wordt onder druk gezet. Je moet alle zeilen bijzetten om een escalatie te voorkomen.

Is het voetbal in Spanje minder agressief? Ik weet het eigenlijk niet. De wedstrijden tussen Barcelona en Real Madrid kunnen de gemoederen aardig verhitten. Mijn bloedeigen schoonvader is dusdanig tegen Real Madrid dat Mourinho bij hem vergeleken een zeer redelijke vent lijkt. Ik ben hier in Ponferrada wel eens bij een club wezen kijken, ook om te zien of er misschien een team zou zijn waarbij ik me zou kunnen aansluiten. Daar was geen sprake van. Het lijkt wel of er in Spanje niet slecht gevoetbald wordt. Terwijl slecht voetballen heel leuk kan zijn, als iedereen maar accepteert dat-ie heel slecht is. Wat me opviel daar aan de zijlijn bij een kleine club was dat inderdaad het voetbal minder agressief leek. Beslissingen van de scheids werden redelijk gemakkelijk geaccepteerd. Maar goed, Ponferrada is een kleine provinciestad in een zeer rurale omgeving. Niet te vergelijken met Amsterdam. Of met welke stad in Nederland dan ook.

Laten we hopen dat de dood van de grensrechter in Nederland in elk geval iets in beweging zet en dat voetbal gewoon weer kan zijn wat het hoort te zijn: lekker met z’n allen achter een balletje aanrennen. Daar doe ik tijdens mijn visites aan Nederland dan graag weer aan mee. 

maandag 16 juli 2012

Twee Bercianen in Barcelona


Hoe vaak ben ik al in Barcelona geweest? Ik weet het echt niet. De eerste keer was in 1982. Interrail. Het moment dat mijn vrienden en ik na een lange reis door de nacht uiteindelijk in een schommelende overvolle trein in Barcelona aankwamen zal ik nooit vergeten. We leunden uit de ramen en onder het ritmische geluid van de wielen over de naden van de rails en de frequente waarschuwingssignalen van de stoomfluit zagen we de rommelige buitenwijken van Barcelona aan ons voorbijgaan. We stapten uit op Estación de Francia en keken onze ogen uit. Wat een stad!

Het was mijn eerste reis naar Spanje. Er zouden er nog vele volgen, maar nooit zonder langs Barcelona te gaan. Daar lieten onze Catalaanse vrienden ons de verborgen plekken van de stad zien. Ook gaven ze ons waardevolle tips over hoe onze interrailreis voort te zetten. Op een kaart van Spanje schreven ze bij de kust van Gallicië: ‘Pulpo, Islas Cíes, Ribeiro, Baiona’. Een week later aten we na een geslaagd uitstapje met de boot naar de Islas Cïes in de bar O Buraquiño in Baiona pulpo met een lekker glas Ribeiro erbij.

Ik heb Barcelona zien veranderen in al die jaren. Vooral na de Olympische Spelen van 1992. De verpauperde wijken werden opgeruimd en maakten plaats voor hypermoderne woonwijken. Spectaculaire hoogbouw verrijkte het stadsgezicht. Elke keer ging ik even kijken bij de Sagrada Familia of er iets bijgebouwd was. In de jaren tachtig schoot dat echt niet op. Daarna werd er een flinke spurt ingezet, waardoor de kathedraal van Gaudi nu zo goed als af is. Ergens wel jammer.

En nu lopen Ana en ik over de boulevard bij de Port Olimpíc op de laatste dag van deze veel te korte vakantie. Dit gedeelte van Barcelona is nu een mondaine badplaats geworden. Alweer een aspect erbij. Deze week hadden we al gezien dat de wijk El Raval rond het Museu d’Art Contemporani een centrum is geworden voor kunstzinnig Barcelona met stijlvolle restaurants en ateliers. In dezelfde buurt zijn er enkele straten met een volkomen Filipijnse en Pakistaanse uitstraling. Barcelona wordt steeds internationaler en gevarieerder. En met de nieuwe wijk distrito@22 met zijn creatieve en technologische bedrijfjes toont Barcelona zich van zijn meest dynamische kant.

Maar er is ook een andere tendens. Terwijl we verder wandelen over de boulevard bespreken we de vele discussies die we de afgelopen dagen hebben gehad over de Catalaanse kwestie. Bij elk gesprek kwam het wel ter sprake. De crisis lijkt de nationalistische tegenstellingen te hebben verscherpt. De Catalanen vinden dat ze te veel belasting aan de centrale overheid moeten afdragen en alleen maar stank voor dank terugkrijgen. Bij uitwedstrijden van Barcelona moedigt het publiek de tegenstander aan met: ´¡España, España!’ Toen Spanje op zo sublieme wijze Europees kampioen voetbal werd, kon men het niet nalaten ons er op te wijzen dat de helft van het team van Barcelona was. ‘Maar niet elke speler van Barcelona is Catalaan’, wierp ik tegen. Nationalisme staat me nu eenmaal tegen. Het heeft zelden tot iets goeds geleid. Ach, bij het voetbal is het ok, want dat is maar een spelletje. Maar in de politiek is het ronduit eng. Daar kunnen we in Nederland over meepraten met die bijna absurde populistische partijen van ons.

Terwijl wij zo voortslenteren over de boulevard vol fietsers, skaters, joggers en groepen adolescenten op liefdespad, beginnen we vanzelfsprekend dorst te krijgen. We besluiten bij de volgende chirinquito (strandtentje) plaats te gaan nemen. Plots geeft Ana een gilletje. ‘¡Ongelooflijk!’ roept ze uit. ‘¿Qué?’ ‘¡Kijk dan, die chiringuito heet El Bierzo!’ Nu raak ik ook enthousiast. ‘¿Hoe is het mogelijk? ¡Misschien hebben ze wel wijn uit El Bierzo!’ ‘En geroosterde paprika’s met cecina of chorizo uit Molinaseca,’ zegt Ana steeds enthousiaster wordend. ‘Of botillo,’ overdrijf ik. ‘Ha, ha’, lacht Ana welwillend. We dalen af naar het strand en nemen plaats aan een tafeltje. Een zo te zien Afrikaanse barbediende komt naar ons toe om de bestelling op te nemen. ‘Wij willen graag iets nuttigen uit El Bierzo,’ zeg ik tegen hem.



woensdag 8 juni 2011

Voetbal en Politiek

Het is zaterdag 28 mei. Zojuist heeft Barcelona de Europacup gewonnen. Een waar voetbalfeest. Ik kijk thuis voor de buis naar de nabeschouwingen. Telkens weer benadrukken de commentatoren dat Barcelona een vertegenwoordiger is van het hele Spaanse voetbal. En niet alleen van Catalonië, willen ze zeggen. Op straat en in de cafés hoorde ik de laatste tijd veel mensen mopperen over de successen van Barcelona. In plaats van gewoon te genieten van het mooiste voetbal dat misschien wel ooit wel gespeeld is. Maar nee. Barcelona heeft de scheidsrechters op zijn hand. Er hangt een luchtje aan de overwinning van Barcelona op Madrid in de halve finale van de Champions League. En daarmee praten ze Mourinho na.

Niet iedereen hier in El Bierzo is voor Real Madrid. De meningen zijn verdeeld. Hier aan de overkant van de straat is een Madrid-kroeg. Verderop een café waar iedereen in Barcelonashirts naar de televisie kijkt. Opvallend is dat veel linkse mensen als club Atletico Madrid hebben. Da´s vreemd. Atletico werd jarenlang geleid door een bijzonder louche ondernemer, Jesús Gil geheten, die het zelfs tot burgermeester van Marbella wist te schoppen. Real Madrid wordt vooral geassocieerd het centralisme van de Spaanse staat. Er zijn er die Real Madrid verbinden met de rechtsconservatieve Partido Popular (PP)

Er is inderdaad een opvallende gelijkenis tussen de complottheorieën van Mourinho en die van de PP. Als bestuurders van deze partij beschuldigd worden van corruptie (en dat gebeurt nogal eens) dan spreken zij van manipulaties door de socialistische regering van het justitiële apparaat. Vreemder nog zijn de complottheorieën rondom de bloedige aanslag op het Atocha Station in Madrid in 2004. De regering van Aznar van de PP probeerde toen te doen voorkomen dat het een aanslag van de ETA betrof, hoewel alle indicaties wezen op een aanslag van moslimfundamentalisten. Het was een blunder van jewelste vlak voor de verkiezingen die vervolgens door de socialisten van Zapatero gewonnen werden. En nog steeds denken veel leden van de PP dat de ETA de aanslag gepleegd heeft, maar dat de socialisten al het bewijsmateriaal hebben achtergehouden. Zelfs zijn er die denken dat de socialisten zelf de aanslag beraamd hebben om de verkiezingen te winnen. Na de liquidatie van Osama Bin Laden was de reactie van de presidente van de deelstaat Madrid, Esperanza Aguirre (PP), dat al-Queda de aanslag in Madrid nooit heeft opgeëist. En daarbij lachte ze veelbetekenend. In Spanje is het niet de gewoonte dat journalisten dan doorvragen: ´Wat bedoelt u eigenlijk precies?´ Men laat hier de politici hun luchtballonnetjes zonder weerwoord oplaten. Bij de huldiging van Real Madrid vanwege het winnen van de Copa del Rey leken Mourinho en Aguirre het uitstekend met elkaar te vinden.

Maar je moet oppassen met al te gemakkelijke vergelijkingen tussen voetbal en politiek. Ik weet nog goed hoe voor het vallen van de muur de teams uit Oost-Europa vaak volkomen onterecht werden beschreven met termen als kadaverdiscipline en gebrek aan creativiteit. In de jaren zeventig werden de successen van de Nederlandse teams met hun langharige spelers op het conto geschreven van het ´progressieve, moderne´Nederland. Terwijl onze bondscoach Michels toch het bijna fascistische ´Voetbal is Oorlog´ predikte en er in de verdediging slagers als Suurbier stonden opgesteld. Wedstrijden tussen Duitsland en Nederland stonden altijd in het teken van de Tweede Wereldoorlog met als triest dieptepunt Ronald Koeman die als heldhaftige verzetsdaad, maar helaas 43 jaar te laat, zijn kont afveegde met het shirt dat hij net met een Duitse tegenstander had geruild. Het succes van Ajax in 1995 was voor progressief Nederland het succes van de multiculturele samenleving. Het verdedigende en agressieve spel van het Nederlandse team tijdens de wereldcup in 2010 werd juist weer verbonden met de bekrompenheid van geest die zich met het rechtspopulisme van Nederland had meester gemaakt.

Ondertussen zijn op de televisie de persconferenties begonnen. Guardiola beantwoordt in het Catalaans een vraag van een Catalaanse journalist. Veel Spanjaarden zullen zich daaraan ergeren ook al beantwoordt hij daarna in perfect Spaans een andere vraag. Even later komt Ferguson aan het woord. Live in het Engels. Een probleem voor de Spaanse publieke omroep die vreemde talen zoveel mogelijk van de buis probeert te weren. Tot zijn grote schrik wordt Reina, de Spaanse keeper van Liverpool die aanwezig is als hulpcommentator, gevraagd simultaan te vertalen. Ik hoor nog net hoe Ferguson, een Engelse gentleman, het spel van Barcelona prijst. Dan zet Reina zijn geïmproviseerde vertaling in, terwijl zijn collega-commentatoren er dwars doorheen kletsen. Het is een heerlijke puinhoop. Ik zet de televisie uit. Voorlopig genoeg voetbal.