donderdag 30 april 2015

De ongelovige pelgrim

Ik weet niet precies wanneer ik voor het eerst van mijn leven een kerk betrad. Volgens mij is dat in het buitenland geweest (als we de kinderinstuif in De Kolenkit in Amsterdam West even niet meerekenen). Misschien tijdens een schoolreis naar Duitsland, of toen ik voor het eerst naar Frankrijk op vakantie ging en we Reims aandeden. Ik ben in het geheel niet religieus opgevoed. Daardoor heb ik ook niet de behoefte me af te zetten tegen godsdienst, zoals bij zoveel van hun geloof gevallen atheïsten het geval is. Maar ik heb zeker geen religieuze neigingen en ben niet op zoek naar bovennatuurlijke verklaringen voor hetgeen ik niet begrijp. Het leven is al wonderbaarlijk genoeg; daar hoeven we echt niks extra’s bij te verzinnen, zeg ik altijd maar.

Waarschijnlijk ben ik geëmigreerd naar één van de meest confessionele landen van Europa; van een scheiding tussen staat en kerk is in Spanje nauwelijks sprake. In het openbare onderwijs bestaan de godsdienstlessen uit het aanleren van de katholieke catechismus. De financiële bijdrage aan de kerk wordt geregeld via het belastingformulier (al kunnen niet-katholieken aangeven dat hun bijdrage moet gaan naar charitatieve instellingen). Toch heeft ook in Spanje de ontkerkelijking toegeslagen. Ik ken weinig mensen die regelmatig naar de mis gaan. Veel echtparen laten hun kinderen dopen en de eerste communie doen, maar vaak is dat zoiets als Kerstmis vieren bij ons: het hoort er nu eenmaal bij. Er wordt getrouwd in de kerk, en ook de begrafenisplechtigheid bestaat over het algemeen uit een katholieke mis. Wat mij opvalt is dat er geen wezenlijk verschil is tussen gelovigen en ongelovigen als gaat om het verdriet bij het overlijden van een dierbare. Voor een buitenstaander als ik lijkt het alsof het dogma van het eeuwige leven na de dood, dat bij de meeste godsdiensten zo’n centrale rol inneemt, niet echt geloofd wordt. En ook de vele verhalen over wonderen en Maria-verschijningen worden, volgens mij, door veel katholieken met een korrel zout genomen.

Tijdens onze vakantie in Portugal bezocht ik de nodige kerken waaronder die van Barcelos, beroemd om het wonder van de haan. Het ging om een ten onrechte tot de galg veroordeelde pelgrim die werd gered doordat op het moment van de tenuitvoerbrenging van de straf een gebraden haan zich oprichtte en begon te kraaien. Dat kan gebeuren, natuurlijk maar een bijna identiek verhaal had ik al eens eerder gehoord, toen ik zo’n 11 jaar geleden de Camino de Santiago liep van Pamplona naar Burgos. In Santo Domingo de la Calzada was het een gebraden kip die tot leven kwam. Aan het plafond van de kerk bungelt zelfs een kooi met een aantal kippen om het te herdenken. Volgens mij is werkelijk niemand die dit gelooft. Het is gewoon een mooi verhaal; een fabel, een parabel. En dat soort fantasierijke verhalen maken het katholieke geloof in zeker opzicht menselijker dan de strikte protestantse stromingen die de bijbel zo letterlijk nemen.

Tijdens dezelfde pelgrimstocht van Pamplona naar Burgos sliepen we een nacht bij de pelgrimsherberg in het dorpje Villamayor, die werd gerund door Nederlandse christenen met een hoog evangelisch gehalte (en nog steeds: kijk hier). ‘s Avonds werden er stichtelijke liederen gezongen (overigens tot ik de gitaar in mijn handen kreeg en mijn vriend Ton begeleidde die heel hard en vals ‘Kom van dat dak af’ zong). Overal in de herberg hingen posters van een Jezus met zeer penetrante ogen, hetgeen ons bijna de nachtrust ontnam. De dag erna kwamen we bij een herberg in Torres del Río, die gerund werd door een jong echtpaar. Zij hadden echter genoeg van het herbergier zijn en wilden verkopen. Ik zat in de bar naast de herberg toen de kopers op kwamen dagen. Alweer Nederlandse protestanten! Ze hadden een lang gesprek met de eigenaren. Toen ze weg waren ging ik naar de herbergiers toe om voor het eerst en het laatst van mijn leven op te komen voor het behoud van katholieke tradities. Ik zei zoiets als: ‘Jullie moeten niet aan die mensen verkopen. Het zijn fundamentalistische protestanten uit Nederland. Ze gebruiken de Camino de Santiago om hun geloof op te dringen. Gisteren moesten we al christelijke liederen aanhoren en konden we niet slapen vanwege een omnipresente Jezus met penetrante ogen; ¿dat moet toch niet twee nachten achter elkaar gebeuren?’ De herbergiers keken me wat bevreemd aan en mompelden iets als ‘Dank u voor al deze informatie’ terwijl ze overduidelijk dachten: ‘Nog zo´n Nederlandse gek.’ Ik denk niet dat mijn woorden veel indruk maakten, maar wie weet. Als ik nu op internet zoek vind ik in elk geval geen Nederlandse herberg in Torres del Río.

Het wonder van Barcelos

dinsdag 14 april 2015

Pasen in Portugal

Het is Pasen in Portugal.  De winkels en straten van Braga zijn versierd. Paashazen, eieren, kuikens, enfin, dezelfde lentesymboliek als in Nederland. In Spanje, althans in Ponferrada, zie je dat veel minder. En toch is Portugal niet minder katholiek. Ook hier wordt Pasen uitgebreid gevierd met processies. Maar vandaag niet. Het is Paaszondag.  Er gaan priesters rond van deur tot deur om de wederopstanding van Jezus aan te kondigen. Ze lopen door de straten met een belletje.  Ik weet de puberachtige neiging te onderdrukken om een ijsje bij ze te bestellen.  We zoeken een restaurant voor onze laatste middagmaaltijd in Portugal. Dat valt niet mee. Bijna alles is gesloten.Ook dat is een verschil met Spanje. Daar zijn alle restaurants vandaag vast open.  Uiteindelijk weten we een veel te druk restaurant te vinden waar we, natuurlijk, bacalao bestellen.

We praten over de verschillen tussen Spanje en Portugal. De Portugezen praten minder luid, stellen we vast. Er staat wel een tv in het restaurant, maar het geluid is uitgedraaid. De Portugezen spreken beter Engels, valt mij als kersverse leraar Engels op. In de restaurants en hotels, en ook bij de toeristeninformatie lijken ze liever Engels dan Spaans te spreken, misschien wel omdat veel Spanjaarden onmiddellijk in hun eigen taal beginnen te praten zonder te vragen of men de taal wel machtig is. In de Portugese steden zijn ook altijd wel buitenlandse kranten te verkrijgen, iets wat in Ponferrada onmogelijk is.

Het straatbeeld is anders. De Portugese straten zijn schoner. In Ponferrada zijn de straten altijd wat smoezelig en bevlekt, alsof er met olie gewerkt is. De historische centra lijken hier beter te worden onderhouden en gerestaureerd. Misschien niet overal in Portugal. Maar hier in Braga ziet het er zeer verzorgd uit. En een paar dagen geleden was Guimarães helemaal een plaatje. En wat qua winkels opvalt is de enorme hoeveelheid banketbakkers met over het algemeen uitstekende producten. Zouden ze hier echt zoveel gebak eten?

Wat valt eigenlijk op als je in Spanje door de straten loopt? Het grote aantal barretjes en restaurants, natuurlijk . De kranten- en tijdschriftenstalletjes op de straat. En ik sta altijd versteld van de enorme hoeveelheid kappers, tandtechnici en brillenwinkels die Ponferrada rijk is. ‘Wat valt een buitenlander in Nederland eigenlijk op?’ vraag ik Ana. ‘De coffeeshops,’ zegt ze onmiddellijk. ‘En fietsen.’ Ze denkt even na en vervolgt: ‘En al die klaargemaakte etenswaren die overal uitgestald liggen: broodjes kaas, ham of ei, of combinaties van die drie met tomaat, sla en de onvermijdelijke mayonaise.  Broodjes vis, worsten, kroketten, saucijzenbroodjes en pizza’s die de hele dag worden warmgehouden. ¡Qué asco!’ Een rilling loopt over haar rug.

Als vanzelf gaat het gesprek verder over eten. Reizen is immers ook een culinair avontuur, ook al is de Portugese keuken nog zo verwant met de Spaanse. De pulpo wordt hier over het algemeen niet gekookt, zoals in Galicië, maar gebakken of gebraden. Lekker. Verder aten we bacalao en diverse ons nog onbekende Portugese worsten. Maar dit keer was onze grootste uitdaging toch wel de lampreia, de zeeprik. Een nogal eng beest, iets tussen een vis en een slang, dat zich als een parasiet vastbijt aan vissen of zeezoogdieren om het bloed op te zuigen. Als de voortplantingstijd is aangebroken laten ze hun slachtoffers los en zwemmen de rivier op waar ze gretig door Portugese en Galicische vissers worden gevangen. Best lekker voor een keer.

Als we hebben afgerekend lopen we naar de auto en aanvaarden de terugreis. Van de verwachte Paasdrukte op de wegen is hier weinig te bekennen. De snelweg is zo goed als leeg. Bij de grensovergang kijken we elkaar aan.  Het was goed om even weg te zijn geweest. Helemaal eruit. Het is ook goed om weer thuis te komen.

zeeprik

dinsdag 24 maart 2015

De theorie van Keynes toegepast op El Calle Rañadero

De afgelopen maanden liep ik iedere dag wel keer door de Calle Rañadero op weg naar het Hospital de la Reina. Het is het straatje dat vanaf de brug over de rivier El Sil omhoog loopt naar het Plaza Virgen de la Encina in het historische centrum. Het zou één van de meest karakteristieke straatjes van Ponferrada moeten zijn. En in zekere zin is het dat ook wel. Karakteristiek voor het verval van steden en dorpen in de wijde omgeving (zie ook een eerdere brief getiteld Verloren dorpen)

Onvermijdelijk kwamen elke dag dezelfde gedachten bij me op. Hoe is het toch mogelijk dat een in potentie zo mooi straatje zo verwaarloosd wordt? Het begint al beneden bij het ooit redelijk bekende pulpo restaurant Casa Cubelos. Sinds enkele jaren staat het leeg en maakt het verval zich langzaam van het gebouw meester. Verder omhoog komen we slechts een paar neringen tegen die de tand des tijds hebben weten te doorstaan: het alleszins redelijk restaurant El Rañadero, een winkel met horloges en ander zilverwerk, een soort home grow shop, het café El Punto waarvan iedereen behalve de politie weet dat er in drugs gehandeld wordt en, nota bene, een academie voor toeristische opleidingen. De rest van de huizen verkeert in een deplorabele staat. Sommige zijn geheel verdwenen of half afgebrand. Veel deuren zijn opengebroken door daklozen op zoek naar een droge plek.

En zo liep ik vaak tegen een uur of negen ’s morgens het vervallen straatje omhoog , soms in een druilerige regen, soms in de frisse bergkou als de lucht helder en vol beloften voor een heerlijke dag was. Naarmate de lente naderde kwam ik steeds vaker pelgrims op weg naar Santiago de Compostela  tegen; ze groetten me in de overtuiging dat ik één van hen was, al ging ik tegen de richting in. En ik dacht: de Camino de Santiago is toch een uitgelezen kans om Ponferrada bij een groot internationaal publiek bekend te maken? Hoeveel geld is er wel niet uitgegeven aan de Wereldkampioenschappen Wielrennen met hetzelfde doel! Had dat niet beter besteed kunnen worden aan het opknappen van bijvoorbeeld de Calle Rañadero?

Ik moest denken aan mijn economielessen waarin ik de theorie van Keynes behandelde. Tijdens een crisis is het de aan de overheid om met nuttige overheidsinvesteringen de economie weer vlot te trekken. De hoge werkloosheid maakt het gebruik van arbeidskrachten relatief goedkoop; het verschil tussen een uitkering en een loon is nu eenmaal niet zo groot. Grond- en huizenprijzen zijn relatief laag. De rente is normaal gesproken laag. Hét moment om de vervallen huizen aan de Calle Rañadero op te kopen en te restaureren om zo twee vliegen in één klap te vangen: werkgelegenheid creëren en Ponferrada een flinke opknapbeurt geven. Het vroegere pulpo restaurant zou uitstekend een pelgrimsherberg kunnen zijn.  Het straatje zou plaats kunnen bieden aan kleine winkeltjes, restaurantjes en barretjes. ’s Zomers zou er een vrijmarkt kunnen worden gehouden.

Maar wacht even. Eerst de nadelen overwegen natuurlijk. Dat leer ik mijn studenten immers ook. Altijd de voors en tegens tegenover elkaar zetten. Anders heb je geen mening maar een overtuiging. Vanzelfsprekend zitten er behoorlijk wat haken en ogen aan een dergelijk project. Waar haal je het geld vandaan? De schuldenlast in Spanje is al zo groot. En waar zeker voor gewaakt moet worden is dat het geld goed terecht komt. Van gemakkelijk verkregen geld kan een corrumperende werking uitgaan. Voorkomen moet worden dat de aannemers en werknemers toevallig allemaal vriendjes of familie van de verantwoordelijke politici zijn. Of dat een deel van het geld verdwijnt naar de privérekeningen van corrupte politici, ondernemers of vakbondsbestuurders, zoals bijvoorbeeld met subsidies voor de steenkoolmijnen en fondsen voor omscholingscursussen is gebeurd. Maar er gaat in Spanje een andere wind waaien. Nieuwe politieke partijen, zoals Podemos en Ciudadanos, kloppen aan de deur en zullen ook de traditionele partijen dwingen hun corruptie aan te pakken. Er moet toch ergens in Europa een fonds te vinden zijn voor het herstel van historische binnensteden, zeker nu sommige noordelijke landen kunnen lenen met een negatieve rente?

En even zag ik voor me hoe links en rechts in het straatje de luiken geopend werden door vrolijk fluitende winkeliers die me allemaal vriendelijk groetten. De vroegste pelgrims zaten al aan de churros en versgezette koffie. Achter me hoorde ik mensen fluisteren: ‘Kijk, daar gaat el guiri. Dankzij zijn blog is het hier zo mooi opgeknapt.’  Met een glimlach vervolgde ik mijn weg omhoog langs de verpauperde huizen.


maandag 16 maart 2015

Op zoek naar de droom

Mijn liefde voor de bergen moet zo’n 50 jaar geleden begonnen zijn. Ome Jaap trakteerde op een film. Dat deed hij wel vaker als één van ons jarig was. Ik weet niet eens meer wiens verjaardag het was, en of mijn broers of ouders er bij waren. Wat ik nooit zou vergeten was de eindscène van de film. De familie Trapp vlucht voor de nazi’s over de bergen van Oostenrijk naar Zwitserland. Vol verwondering keek ik naar de bergen en luisterde ik naar de muziek. The sound of music. Wat was dat mooi!
https://www.youtube.com/watch?v=jvDFoF9sfQA
Het zou daarna lang duren voor ik in werkelijkheid bergen zou zien. Met mijn ouders kwamen we tijdens vakanties nooit verder dan de Veluwe. De heuvels van het Speulderbos zijn natuurlijk schitterend en nooit zou ik vergeten dat mijn vader en ik op een morgen heel vroeg op pad gingen naar de heide toen er vlak bij ons een edelhert met jong voorbijliep. Maar op het hooggebergte moest ik wachten tot ik een jaar of negentien was.

Mijn middelbare school organiseerde voor de leerlingen een schoolreis naar Oostenrijk. Een skivakantie, om precies te zijn. We reisden er heen per bus. Natuurlijk liep dat uit op een klein feestje dat duurde tot diep in de nacht. We werden de volgende ochtend wakker omdat de chauffeur muziek had opgezet. Had hij zich de hele rit zitten ergeren aan die ellendige rock en disco die toen in de mode waren en nam hij op de vroege morgen wraak met zijn soort muziek? Of zou hij van mening zijn geweest dat deze muziek het best paste bij het landschap dat zich in het ochtendgloren ontplooide. Ik opende mijn ogen op de langgerekte tonen van de mondharmonica van Toots Thielemans en zag door de ramen voor het eerst van mijn leven besneeuwde bergtoppen.
https://www.youtube.com/watch?v=SsQSAq_nC40
Hoewel ik soms Toots Thielemans en Julie Andrews zou verloochenen door te zeggen dat het nu eenmaal niet mijn soort muziek was, zou ik hun de rest van mijn leven met mij meedragen. Toen ik regelmatig mijn zomervakanties in Spanje doorbracht had ik de gewoonte, alleen of met vrienden, lopend door de bergen de Spaanse grens over te steken. Met de trein naar Perpignan, van daaruit met het gele treintje (le train jaune de Cerdagne) naar één van de dorpjes vlakbij de Pyreneeën. Fontpédrouse kan ik aanraden. Dan, met de muziek van Toots Thielemans in het hoofd, de bergen in. Slapen in een Franse refuge vlak onder de grens. En de volgende dag, bij het oversteken van de grens zacht zingen:

Climb every mountain

Ford every stream (hoewel ik zelf hier cross every stream zong)
Follow every rainbow
Till you find your dream

De Pyreneeën werden elke zomer drukker. Bergwandelen raakte in zwang. Bij de berghutten moet je tegenwoordig al ver van tevoren reserveren. In de Picos de Europa is het van hetzelfde laken een pak. Gelukkig heb ik hier in El Bierzo het ultieme berggevoel weer teruggevonden. Toegegeven, de bergen zijn ietsje minder spectaculair dan de Pyreneeën en de Picos. Het is een oud gebergte met afgeronde pieken. Maar de valleien zijn juist weer dieper uitgesneden. De natuur is ongerept en de stilte is soms oorverdovend. In El Bierzo is de lente aangebroken. Tijd om de bergschoenen uit de kelder te halen en bergen te beklimmen, beken te doorwaden en de regenboog te volgen tot de droom werkelijkheid wordt.

dinsdag 24 februari 2015

Montoro en Monedero

Het lijken de namen van twee stripfiguren. De avonturen van Montoro en Monedero. Montoro, de Spaanse minister van financiën lijkt ook fysiek een beetje op een stripfiguur: een licht satanisch uiterlijk en bovendien een soort kwakend stemgeluid. Als test heb ik een keer, toen mijn zesjarige Spaanse nichtje tekenfilms wou zien, een video van een persconferentie van Montoro opgezet. (deze) Nee, ze vond er niets aan, zelfs niet toen ik haar probeerde wijs te maken dat hij elke ochtend 20 zwarte bromvliegen als ontbijt at. En toen ik het daarna probeerde met een video met Monedero riep ze ‘¡Ik geen Montoro Monedero, ik wil Dora Exploradora!’

Voor de wat oudere guiri* die moeite begint te krijgen met Spaanse namen is Montoro als minister van financiën een uitkomst: Montoro - money. Groot was mijn schrik dan ook toen Monedero ten tonele verscheen. Hij is één van de drie oprichters van Podemos, de partij die het politieke gecorrumpeerde establishment uitdaagt. Het instorten van mijn ezelsbruggetje leidde ertoe dat ik veelal Montoro zei terwijl ik Monedero bedoelde of andersom, en soms ook op een naam kwam ergens tussen de twee in als Montodero. Al deze versprekingen maakten de onduidelijkheid omtrent mijn politieke voorkeur bij de mensen om me heen alleen maar groter. Hier in Spanje word je al snel geacht tot een bepaald politiek kamp te horen, net zoals ze zich nauwelijks kunnen voorstellen dat je Madrid-Barcelona kijkt enkel en alleen maar omdat je een mooie pot voetbal wilt zien zonder dat het je veel uitmaakt wie er wint.

Ook Monedero bleek al snel iets met geld te maken te hebben. Over 425.000 euro's aan inkomsten uit 2010 had hij geen belasting betaald, zo werd gelekt vanuit het ministerie van financiën (we zien minister Montoro kwaadaardig lachend achter zijn bureau zitten). Dit geld had hij verdiend door naast zijn vaste aanstelling als universitair docent Politicologie advies te geven aan de regeringen van Bolivia, Ecuador, Nicaragua en Venezuela over een gemeenschappelijke munt. Welke gemeenschappelijke munt? Laten we het maar op houden dat het dankzij zijn adviezen daar nooit van is gekomen. Dat is best een paar honderdduizend euro’s waard; iemand die Monedero heet moet haast wel een specialist zijn op dat gebied. Misschien komt mijn cynisme vooral voort uit jaloezie. Zelf heb ik ook politicologie gestudeerd en het enige wat ik ooit in mijn directe vakgebied heb verdiend is een gratis broodje kaas toen ik als vrijwilliger voor Amnesty International een lange vergadering bijwoonde.

Natuurlijk is het voor een partij die een zeer expansief fiscaal beleid voorstaat moeilijk uit te leggen dat één der oprichters geen belasting betaalt over zo’n aanzienlijk bedrag. Tijdens een politieke bijeenkomst van Podemos koos Monedero voor de aanval als de beste verdediging. Het verschuldigde belastinggeld had hij vlak daarvoor overgemaakt om juridische vervolging te voorkomen, maar dat weerhield hem niet van een felle toespraak gericht tegen Montoro en ook tegen de pers die over de zaak had bericht, vol links jargon en zelfs een gebalde vuist; allemaal bijzonder misplaatst voor iemand die een zeer grote bijverdienste had verzwegen voor de fiscus. (hier een impressie). Het vreemde is dat veel aanhangers van Podemos zijn verklaringen lijken te accepteren onder het motto: de anderen zijn erger; het is allemaal een complot; laten we de gelederen sluiten.

Zouden Montoro en Monedero twee karakters uit een film zijn geweest, dan zouden volgens mij de recensies niet mals zijn: ‘te dik aangezet’,’alleen maar karikaturen’, ‘overacting’ en ‘volkomen ongeloofwaardig.’ Maar helaas, het is de bittere realiteit. De film zou een happy end kunnen hebben met de oprichting van een partij die corruptie of malversatie in de eigen gelederen als een groter kwaad ziet dan wanneer het bij de andere partijen plaats vindt. In de echte wereld zitten we voorlopig nog even met politici als Montoro en Monedero opgescheept.

*scheldnaam voor typische toerist, door sommige immigranten als geuzennaam geadopteerd.

 Montoro

Monedero

vrijdag 6 februari 2015

Het doe-het-zelfziekenhuis

Een paar dagen na de dood van mijn schoonvader viel mijn schoonmoeder en brak daarbij haar heup en haar pols. De ontreddering was groot. Allereerst bij mijn schoonmoeder natuurlijk: pijn, schrik en een hopeloos gevoel. Maar ook wij hadden geen tijd voor de verwerking van het verdriet. Alweer eindeloze bezoeken aan het ziekenhuis. Haar pols moest in het gips en haar heup werd met een schroef weer in elkaar gezet. Dat gebeurde allemaal in openbare Hospital del Bierzo. Daarna werd ze overgeplaatst naar het Hospital de la Reina voor verder herstel en verzorging, hetgeen allemaal wel eens een paar maanden zou kunnen gaan duren.

Wij zagen haar overplaatsing naar het Hospital de la Reina als een verbetering. Het ziekenhuis ligt op loopafstand van ons huis, vlakbij het historische centrum, en de kleinschaligheid van het ziekenhuis zou meer aandacht voor de patiënt moeten betekenen. Het Hospital de la Reina is een particulier ziekenhuis, maar een groot deel van de patiënten komt via de sociale zorgverzekering binnen. Dat het ziekenhuis een katholieke grondslag heeft, zou mijn vrome schoonmoeder vast op prijs stellen.

Toen ze ons bij het intakegesprek vertelden dat het bij hen in principe niet toegestaan was dat er familieleden op de afdelingen bleven overnachten, slaakte ik stiekem een zucht van verlichting. Eindelijk een ziekenhuis zoals god gebiedt. Maar de dagen erna moest ik helaas mijn beoordeling van het ziekenhuis naar beneden toe bijstellen. Misschien nog wel in sterkere mate dan het openbare ziekenhuis van El Bierzo is het Hospital de la Reina een doe-het-zelfziekenhuis te noemen.

Bij alle maaltijden (ontbijt om 09.00 uur, lunch om 13.00, merienda om 17.00, diner om 20.00) wordt er in feite verwacht dat iemand de patiënt helpt bij het snijden van het eten, het openmaken van de vele plastic verpakkingen en het toedienen van de medicijnen. Misschien dat als er echt niemand van de familie aanwezig zou zijn het personeel een handje zou helpen, maar eigenlijk lijken ze daar helemaal geen tijd voor te hebben. Ieder bed heeft vanzelfsprekend een knop om het ziekenhuispersoneel te laten komen om hulp te bieden, maar vaak wordt daar erg laat op gereageerd. Het resultaat hiervan is dat we al meerdere malen de net aan haar heup geopereerde patiënte van de rolstoel in het bed hebben getild. Daar kijkt men in het ziekenhuis helemaal niet raar van op, terwijl het mij toch risicovol lijkt als ongeschoolde mensen deze handeling verrichten.

Natuurlijk is het voor familieleden die werken, ver weg wonen of kinderen hebben niet mogelijk om zoveel tijd in het ziekenhuis door te brengen. Rond de ziekenhuizen is daardoor een hele arbeidsmarkt ontstaan van verzorgsters (het zijn voor zover ik weet altijd vrouwen; vaak uit Latijns Amerika). Zij zijn bereid bij de patiënt te blijven voor gezelschap en de diverse verzorgende taken tegen een uurloon van rond de € 6.00. Eén van deze vrouwen vertelde ons dat ze een keer een verpleegster had gevraagd haar te helpen bij het in bed tillen van haar patiënt. ‘Doe het zelf maar; ¿daar word je toch zeker voor betaald?’, had de verpleegster gezegd. De wereld op zijn kop. Overigens is het merendeel van de verplegers en doktoren bijzonder bekwaam en vriendelijk, maar heeft men duidelijk te kampen met een te hoge werkdruk. Waarschijnlijk wordt er voor de winstgevendheid flink beknibbeld op de personeelsuitgaven. Om deze zelfde reden zullen ze ook alle handdoeken uit de toiletten hebben verwijderd. We nemen zelf onze keukenrollen mee.

Enfin, de komende weken gaan we dus weer veel tijd doorbrengen met het lezen van tijdschriften en kranten in een veel te warme ziekenhuiskamer, af en toe verlangend naar de open deur kijkend of het karretje met het eten er al aankomt. Meestal draai ik de ontbijtdienst. Na afloop rij ik mijn schoonmoeder in haar rolstoel naar de gemeenschappelijke ruimte en kijken we samen door de grote ramen hoe de winter bezit heeft genomen van El Bierzo.

maandag 26 januari 2015

Voor het laatst in Anllares del Sil

Het is een stralende septemberdag. We parkeren de auto op het parkeerterreintje vlak onder het restaurant waar we straks gaan eten. We helpen mijn schoonvader Pedro de auto uit. Dat gaat moeizaam en met gevloek. ‘Ay,qué coño’, zegt hij. Mijn schoonmoeder Laurie staat er hoofdschuddend naar te kijken. Als hij eindelijk staat en zich met behulp van zijn stok schommelend in evenwicht weet te houden, kijkt hij rond. Zijn ogen beginnen te stralen. Dat is niet veel gebeurd de laatste tijd.

Hij wijst met zijn stok schuin omhoog. ‘¡Daar gaan we heen! ¡Daar heb ik gewoond!’ Stapje voor stapje, met aan één hand zijn dochter en in de andere hand de stok, gaat het heuvelopwaarts. De ondersteuning van Laurie neem ik ter hand. Gelukkig is het niet ver. Anllares del Sil is een klein dorpje in de bergen ten westen van de rivier El Sil. De mensen leefden er van de steenkoolmijnen, de extensieve veeteelt en het verbouwen van eigen groenten. Veel huizen staan nu leeg, maar toch niet zoveel als in andere dorpen. Vlak naast het dorp is een energiecentrale die nog voor wat leven in de brouwerij zorgt.

Pedro begint te vertellen. Veel verhalen hebben we al vaak gehoord, maar krijgen hier in de omgeving waar ze zich afspeelden een extra dimensie. Over de maquis die hier in de bergen actief waren en af en toe naar het dorp kwamen voor voedsel. Over de vervolgingen door de Franco-troepen. Over wie waar woonde en wie welk beroep uitoefende. De vermoeidheid slaat toe. We strompelen naar het restaurant.

Normaalgesproken zijn mijn schoonouders behoorlijk kritisch tijdens een restaurantbezoek. Thuis is het eten immers veel beter. Dit keer is dat anders. ‘¡Eindelijk een decente maaltijd in een restaurant!’, zegt Pedro na één hap. En even later: ‘Dit is een entrecote como dios manda (zoals god gebiedt, één van zijn standaarduitdrukkingen).’ Met de serveerster en de kok, de eigenaren van het restaurant, wisselt hij gegevens uit over het reilen en zeilen van de families die nog in het dorp wonen of er vroeger gewoond hebben.

Na het eten gaan we weer wandelen. Het karakteristiek geworden getik van zijn stok weerkaatst tegen de oude huizen. We gaan langs de oude watermolen en komen bij huis van zijn nicht, het laatst overgebleven familielid in het dorp. Zij strompelt naar buiten en begroet ons enthousiast. Alle wetenswaardigheden over de directe familieleden worden doorgenomen. Diverse ziektes en gebreken komen uitgebreid aan bod. Het afscheid is warm.

Pedro lijkt onvermoeibaar. Nog een extra rondje wil hij maken door het dorp. Willekeurige dorpelingen worden aangesproken; bijna altijd kennen ze zijn familie. Dan gaan Pedro en Laurie zitten op een bankje. ‘Kom nu maar met de auto hierheen’, zegt hij, ‘het wordt laat; we gaan naar huis.’ Als we naar hen toe rijden, zien we dat ze weer met iemand in gesprek zijn geraakt. Een tijdje later, na alweer een warm afscheid, installeren we ons in de auto. ‘¡Ay, qué coño!’ klinkt het. En we rijden weg.

In de moeilijke maanden die zouden volgen werd er nog vaak met weemoed over dit laatste bezoek aan Anllares del Sil gesproken.





maandag 8 december 2014

Hallo en tot ziens

Een aantal weken van december en januari zal ik in Nederland doorbrengen. Werken, familie en vrienden bezoeken, een pilsje in mijn favoriete bar, muziek maken met de jongens van Flanders Fields, voetballen met de jongens van de Taba veteranen, en wie weet, als het eindelijk weer eens een echt winter wordt, schaatsen. Met een krachtig ¡Adiós! neem ik afscheid van El Bierzo om waarschijnlijk pas half januari weer met een welgemeend ¡Hola! terug te komen.

Hoewel er eigenlijk maar weinig mensen in El Bierzo hola of adiós zeggen. Als bekenden elkaar tegenkomen op straat wordt er onmiddellijk gegroet met hasta luego (tot straks). Als rasechte guiri (typische buitenlander) blijf ik vasthouden aan het hola dat ik geleerd heb tijdens mijn Spaanse lessen in Nederland, waar ze me ook vertelden dat hasta luego gebruikt wordt om afscheid te nemen. Misschien heeft dat hasta luego wel als subtiele bijbetekenis: ‘Hola, ik heb nu eigenlijk geen tijd voor een gesprek, dus hasta luego dan maar weer. Sowieso is dat luego misplaatst, want vaak gaat het om mensen die je in geen weken hebt gezien, en die je vast en zeker niet luego opnieuw tegen gaat komen. Het woord ahora (letterlijk: nu) heeft een soortgelijke ontwikkeling doorgemaakt. In uitdrukkingen als hasta ahora (tot zo), lo hago ahora (ik doe het zo) en ahora vengo (ik kom er zo aan) heeft het niet veel meer te maken met de oorspronkelijke betekenis.

Ook het woord adiós lijkt langzaamaan te verdwijnen om te worden vervangen door het Italiaanse leenwoord ¡ciao! of vaker nog het dubbele: ¡ciao ciao! Aan deze trend doe ik wèl enthousiast mee, misschien wel omdat ciao ciao best lijkt op het doedoei dat in Nederland zo gebruikelijk is. De oudere generatie is minder blij met de Italiaanse groet. Er zijn zekere leden van mijn schoonfamilie (ik noem geen namen) die mij steeds corrigeren met: ‘In Spanje zeggen we nooit ciao ciao; we zeggen hier adiós.’ Het zou me niets verbazen als ze dachten dat ik degene was die deze nieuwe manier van afscheid nemen heeft geïntroduceerd, net zoals de roergebakken groenten, de mayonaise bij de gebakken aardappelen en andere eigenaardigheden.

Er is een bepaalde manier van afscheid nemen die me aanvankelijk behoorlijk verwarde. Dat gebeurde vooral na uitgebreide middagmaaltijden en dan met name in de lente of het najaar. Zoals de trouwe lezers van dit blog weten ben ik niet altijd een voorstander van de uitgebreide Spaanse lunch. Op een bijzondere gure of regenachtige winterdag vind ik het prima om een groot deel van dag aan tafel door te brengen. Ook op warme zomerdagen is de Spaanse comida met daarna een siësta bijzonder aangenaam. Maar de eerste mooie lentedagen breng ik het liefst door in de natuur om te luisteren naar het vogelengezang. In de herfst is er niets aangenamer dan te wandelen op het tapijt van bladeren in een eikenbos om de geur van vochtige verrotting en paddenstoelen op te snuiven. Maar dat kan niet altijd. Soms moet er gegeten worden en niet zo’n beetje ook: vooraf aardappelen met snijbonen, dan geroosterd lamsvlees, vervolgens een toetje van arroz con leche (koude rijstepap) en uiteindelijk koffie, thee met bonbonnes en een orujo de hierbas (de plaatselijke likeur). Best lekker allemaal, maar tijdens het eten dwaalt mijn blik onwillekeurig naar buiten waar de zon langzaamaan aan kracht verliest en reeds de toppen van de bomen rood kleurt. Als dan het moment van afscheid eindelijk is aangekomen (en dat kan nog heel wat tijd in beslag nemen), dan gebeurt dat vaak met de woorden: ¡Hasta mañana! (tot morgen). ¡¿Hasta mañana?! Gaan we weer zo uitgebreid eten dan? Tegenwoordig weet ik dat hasta mañana niet 'tot morgen' betekent, net zo min als hasta luego te vertalen is met 'tot straks' of hasta ahora met 'tot nu.'

Enfin, het moment van tijdelijk afscheid is aangekomen. Dus, adiós Ponferrada, hasta luego El Bierzo, ciao ciao mijn Spaanse vrienden, hasta mañana beste schoonfamilie en hasta siempre, mi gran amor.
Een blik door het raam

donderdag 20 november 2014

Sportief

Eén van de fouten die je als immigrant kunt maken is denken dat de mensen in je directe leefomgeving typische respresentanten zijn van de gehele bevolking van het land. Een vooroordeel is snel geboren. Toen ik hier kwam wonen, nu alweer vijfeneenhalf jaar geleden, was ik al een ervaren Spanjereiziger en ik wist dat er niet veel klopte van de heersende stereotypen: flamenco, paella, stierenvechten, mañana mañana en altijd vrolijk.

Desalniettemin arriveerde ik hier met een reiskoffer vol vooroordelen, en zeker weten resteren me er nog een aantal.  Deze raakte ik deze zomer kwijt: Nederlanders zijn over het algemeen sportiever dan Spanjaarden. Heel veel Spanjaarden zullen bij het lezen van deze tekst (in opiniones de un guiri) schamper lachen. ‘¿Nederlanders sportiever dan wij? ¿Weet die arrogante Hollander dan niet dat we bijna een decennium lang in het voetbal hebben geheerst en dat wij één van de beste nationale basketballteams van Europa hebben, om nog maar te zwijgen over zoveel andere sporten?’

Mijn ideeën over de sportiviteit in de beide landen waren natuurlijk gebaseerd op mijn ervaringen met de mensen om me heen. Mijn Nederlandse vrienden zijn over het algemeen redelijk sportief. Vakanties brachten wij graag door in de bergen voor meerdaagse trektochten of skiën. Met een groot deel van mijn vrienden speelden we elke zaterdag voetbal bij de beroemde Amsterdamse club afc Taba. Nou moet ik toegeven dat dat laatste wel erg sportief klinkt, maar misschien niet altijd de meest gezonde bezigheid van de wereld te noemen is. Daarvoor vierden wij onze overwinningen net iets te uitgebreid met bier en kroketten. Omdat overwinningen niet al te vaak voorkwamen vierden we ook elk gelijkspel met bier en kroketten, terwijl de meeste zaterdagen eindigden met veel bier en kroketten als troost voor de zoveelste nederlaag. Eenmaal in El Bierzo kwam mijn leven in een iets rustiger vaarwater terecht. Bij toeval ontmoette ik vooral mensen wier voornaamste sportieve activiteit leek te bestaan uit het met de auto naar een dorp rijden om daar zo langzaam mogelijk naar het plaatselijk restaurant te wandelen. 

De eerste barst in mijn vooringenomenheid omtrent de sportiviteit van de Spanjaarden ontstond tijdens een dinertje met enkele Berciaanse vrienden. Ze vroegen me of ik van wandelen hield hetgeen ik met een kracht ¡Si! beaamde. ‘Hij is erg sportief,’ beaamde Ana vol trots. ‘Goed zo,’ zeiden de vrienden enthousiast,’ misschien wil je dit voorjaar dan wel meedoen met de Travesía de los Montes Aquilianos, een wandeling vanuit Ponferrada naar de bergtoppen en weer terug; zo’n vijfenzestig kilometer.’ ’¿Vijfenzestig kilometer op één dag?’ vroeg ik verontrust. ‘Er is ook een kortere route van maar vijfenveertig kilometer als je wilt’ zeiden ze geruststellend. Toevallig had ik deze route een paar weken eerder gelopen met mijn vriend Freek. We hadden daar drie dagen over gedaan met overnachtingen in de dorpen Espinoso de Compludo en Peñalba de Santiago en de tocht had ons een pittige prestatie geleken. ‘Ik zal het in overweging nemen,’ antwoordde ik hypocriet. 

Tijdens het joggen langs de rivier El Sil of op de bergrug El Pajariel was me al opgevallen dat sommige medejoggers beduidend sneller renden dan ik. Maar vooroordelen zijn hardnekkig. ‘Vast een professioneel,’ dacht ik dan, of ‘Ja, toen ik zo jong was ging ik ook zo hard.’ Maar dit voorjaar besloot een Engelse collega van me ons beiden in te schrijven voor de hardloopwedstrijd El Pajariel Vertical. Op een zonnige zondagmorgen verzamelden we bij de oever van El Sil en daarvandaan gingen we één voor één om de minuut van start. Op die dag, terwijl ik zwetend het kronkelige paadje naar de top van El Pajariel beklom en ik achter elkaar door Bercianen werd ingehaald die me bij het passeren nog groetten ook (alle Spanjaarden zijn enorm vriendelijk), werd me duidelijk dat mijn mening over de sportiviteit van de Spanjaarden gebaseerd was geweest op een te kleine en niet geheel representatieve steekproef.
Finish El Pajariel Vertical


vrijdag 7 november 2014

Prisoner's dilemma

Als leraar economie leg ik soms aan mijn studenten een onderdeel van de speltheorie uit, het prisoner’s dilemma geheten. Het gaat om een denkbeeldige situatie waarbij twee criminelen die samen een misdaad hebben gepleegd apart van elkaar door justitie verhoord worden. Als geen van beiden praat, krijgen ze een lage straf. De ander aangeven betekent een aanzienlijke strafvermindering, maar aangegeven worden resulteert weer in een hogere straf. Op het bord leg ik het met een voorbeeld uit:



B praat
B praat niet
A praat
Beiden 5 jaar cel
A vrij; B 10 jaar cel
A praat niet
A 10 jaar cel; B vrij
Beiden 1 jaar cel



Wat is de meest waarschijnlijke uitkomst?


Ofschoon niet praten tot de laagste gezamenlijke straf zou leiden, is dit niet de meest waarschijnlijke uitkomst, vooral als de gevangenen elkaar niet vertrouwen. In de economische wetenschap wordt dit model gebruikt om het gedrag van twee grote bedrijven in een markt (een oligopolie) te beschrijven die in een prijzenoorlog verwikkeld kunnen raken. Volgens mij is de prisoner’s dilemma ook van toepassing op het gedrag van de twee grote partijen in de Spaanse politiek: de rechtse PP (Partido Popular) en de linkse PSOE (Partido Socialista Obrero Español), die tegenwoordig soms gekscherend onder één noemer worden gebracht, de PPSOE.

Heel letterlijk lijkt de situatie van Bárcenas, de ex-penningmeester van de PP, op het prisoner’s dilemma. Hij zit nu alweer een tijdje in de cel, nadat er miljoenen euro’s op zijn bankrekeningen in Zwitserland waren aangetroffen. Ik weet niet of ze hem strafvermindering hebben toegezegd, maar een feit is dat Bárcenas besloten heeft te praten. Veel van zijn partijgenoten zullen onderhand wel spijt hebben dat ze hem niet gesteund hebben toe hij werd gesnapt, maar hem integendeel alle schuld probeerden toe te schuiven.

De onderlinge verhouding tussen de twee belangrijkste partijen lijkt ook op die van de criminelen van het prisoner’s dilemma. Nu de ene na de andere corruptiezaak aan het licht komt, verwijten ze elkaar steeds vaker de corruptste partij te zijn,. Veel politici van de PP en de PSOE vermoeden dat ‘die van de andere partij’ achter de aantijgingen in de pers en de justitiële vervolgingen van hun partijgenoten zitten. En het zou me niets verbazen als ze daarin deels gelijk hadden. In Spanje is de scheiding tussen de politieke en de justitiële macht niet erg groot. Veel rechters zijn verbonden aan één van de twee partijen.

We hadden al el caso Gürtel (PP-politici in Valencia en andere deelstaten ontvingen geld en cadeautjes van een vaag conglomeraat van ondernemingen), el caso de los ERE (in Andalusië roofden PSOE-politici en vakbondsbestuurders uit een fonds voor tijdelijk werklozen), el caso Puyol (Puyol is een Catalaanse ex-politicus met verdacht veel geld op buitenlandse rekeningen) en nog vele zaken meer, maar de afgelopen week kwam hier el caso Púnica bij. Met name in Madrid maar ook bijvoorbeeld hier in de provincie León, kregen lokale politici van vooral de PP, maar net zo gemakkelijk een aantal van de PSOE, geld toegeschoven in ruil voor het toewijzen van openbare projecten aan een groot bouwbedrijf. Niets nieuws onder zon, wellicht, maar dit keer lijkt er iets fundamenteels veranderd te zijn. Bij de laatste algemene verkiezingen verkreeg de PP nog 44,6% van de stemmen (en door een vreemde kronkel in het kiessysteem daardoor de absolute meerderheid in het parlement), ondanks dat de caso Gürtel allang bekend was. Dit keer lijken de Spaanse stemmers de corruptie zat te zijn. Bij een verkiezingsenquête kwam de nieuwe groepering Podemos (we kunnen) als grootste partij uit de bus. Natuurlijk is het maar de vraag of er bij echte verkiezingen ook zoveel stemmen zouden gaan naar deze nieuwe partij die nogal wat radicale veranderingen voorstaat. Nieuwe partijen stijgen en dalen nu eenmaal snel op de golven van de proteststemmen. Maar duidelijk is dat er ruimte is voor nieuwe partijen, zowel aan de rechterkant als de linkerkant van het politieke spectrum. Het zou wel eens afgelopen kunnen zijn met de automatische wisseling van macht tussen de PP en de PSOE. De speltheorie geeft het aan: als de twee partijen alles of niets spelen, is de meest waarschijnlijke uitkomst dat beide partijen verliezen.

Luis Bárcenas