Posts tonen met het label corruptie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label corruptie. Alle posts tonen

zaterdag 23 mei 2015

Verkiezingskoorts

De straten hangen vol met posters van de burgermeesterkandidaten en er rijden auto’s rond met luidsprekers waaruit politieke leuzen schallen afgewisseld met lelijk vervormde muziek. De postbus ligt elke dag vol folders van de politieke partijen, zelfs op zaterdag als de post normaal niet bezorgd wordt. Kortom, het is verkiezingstijd. Komende zondag gaat het allemaal plaatsvinden en als trotse inwoner van de stad Ponferrada en de deelstaat Castilla y León ben ik stemgerechtigd voor deze lokale en regionale verkiezingen. Het kunnen belangrijke verkiezingen worden vanwege de opkomst van de nieuwe partijen: Podemos en Ciudadanos. In de meeste polls lijkt het erop dat zij het zogenaamde bipartidismo, de hegemonie van de PP en de PSOE, gaan doorbreken.

Natuurlijk zou mijn stem bij deze verkiezingen vooral moeten afhangen van zaken die spelen op gemeentelijk of deelstaatniveau. De aanleg en het onderhoud van fietspaden bijvoorbeeld, want tegenwoordig beweeg ik me nogal wat met de huurfiets door de stad en dat is niet zonder gevaar, kan ik verzekeren. Fietspaden lopen dood en sluiten niet goed op elkaar aan. Of neem nu dat op het eerste oog onzinnige plan van de gemeente om een dijk aan te leggen ter voorkoming van overstromingen van de rivier El Sil. Van overstromingsgevaar hebben we hier echter nog nooit iets gemerkt. Het project wordt gefinancierd met Europees geld en natuurlijk levert het werkgelegenheid op, hetgeen Ponferrrada goed kan gebruiken. Maar moet Europa niet gewoon controleren of zo’n project wel echt nodig is?

Ik heb besloten mijn stem dit keer te laten afhangen van maar één issue: de corruptie. De nieuwe partijen Podemos en Ciudadanos (een soort D’66) hebben hervorming van de staat en strijd tegen corruptie hoog in het vaandel geschreven. Maar ja, het zijn nieuwe, snelgroeiende partijen zonder enige bestuurlijke ervaring, en voor een grondige selectie van de kandidaten was geen tijd. Het verwachte electorale succes heeft natuurlijk de nodige gelukzoekers en schreeuwlelijken aangetrokken, zeker op regionaal en gemeentelijk niveau. Ik heb daar al de nodige geruchten over gehoord. Een vriend vertelde me, in de kroeg weliswaar, dat hij liever op competente een corrupte politicus stemt dan op iemand die incompetent en eerlijk is. Ik was het niet met hem eens. Corruptie is bijzonder contraproductief. Het leidt tot zinloze projecten die bovendien extra veel geld kosten omdat ze worden uitbesteed aan het bedrijf dat het meeste smeergeld betaalt. Vervolgens verdwijnt veel van dat geld naar bankrekeningen in Andorra (geliefd bij Catalaanse corrupten) en Zwitserland. En natuurlijk heeft dit alles een negatief effect op de bereidheid om belasting te betalen, waardoor het overheidstekort nog meer oploopt. Gelukkig kregen we het later in de kroeg gewoon over voetbal, maar ook over dat onderwerp bleken we het helemaal niet met elkaar eens te zijn.

Bij vorige verkiezingen gaven de Spaanse kiezers er blijk van dat ze hun stemgedrag niet echt lieten afhangen van het ethische gedrag van de politici. De laatste landelijke verkiezingen van 2011 werden gewonnen (met bijna 45% van de stemmen) door de PP, terwijl het zelfs een guiri duidelijk was dat de partij tot op het bot corrupt was.  De vervroegde deelstaatverkiezingen van Andalucía van april dit jaar werden met zo’n 35% van de stemmen gewonnen door de PSOE, terwijl er toch flink was gegraaid uit diverse overheidsfondsen. Dat is allemaal wellicht niet zo hoopgevend, maar de PSOE van Andalusia wordt wel door de nieuwe partijen gedwongen om politici die de politieke verantwoording hadden tijdens de verduistering van fondsen uit de gelederen te verwijderen. Ziehier de louterende werking van de opkomst van nieuwe partijen.


Het moge duidelijk zijn. Ik stem op een nieuwe partij. Gewoon om de boodschap te geven dat de grote partijen te ver zijn gegaan in hun machtsmisbruik. Een heuse proteststem, jawel. Ik weet zeker dat ik komende zondag niet de enige zal zijn.

 Fietspaden lopen dood ..

 of sluiten niet goed op elkaar aan.

dinsdag 24 maart 2015

De theorie van Keynes toegepast op El Calle Rañadero

De afgelopen maanden liep ik iedere dag wel keer door de Calle Rañadero op weg naar het Hospital de la Reina. Het is het straatje dat vanaf de brug over de rivier El Sil omhoog loopt naar het Plaza Virgen de la Encina in het historische centrum. Het zou één van de meest karakteristieke straatjes van Ponferrada moeten zijn. En in zekere zin is het dat ook wel. Karakteristiek voor het verval van steden en dorpen in de wijde omgeving (zie ook een eerdere brief getiteld Verloren dorpen)

Onvermijdelijk kwamen elke dag dezelfde gedachten bij me op. Hoe is het toch mogelijk dat een in potentie zo mooi straatje zo verwaarloosd wordt? Het begint al beneden bij het ooit redelijk bekende pulpo restaurant Casa Cubelos. Sinds enkele jaren staat het leeg en maakt het verval zich langzaam van het gebouw meester. Verder omhoog komen we slechts een paar neringen tegen die de tand des tijds hebben weten te doorstaan: het alleszins redelijk restaurant El Rañadero, een winkel met horloges en ander zilverwerk, een soort home grow shop, het café El Punto waarvan iedereen behalve de politie weet dat er in drugs gehandeld wordt en, nota bene, een academie voor toeristische opleidingen. De rest van de huizen verkeert in een deplorabele staat. Sommige zijn geheel verdwenen of half afgebrand. Veel deuren zijn opengebroken door daklozen op zoek naar een droge plek.

En zo liep ik vaak tegen een uur of negen ’s morgens het vervallen straatje omhoog , soms in een druilerige regen, soms in de frisse bergkou als de lucht helder en vol beloften voor een heerlijke dag was. Naarmate de lente naderde kwam ik steeds vaker pelgrims op weg naar Santiago de Compostela  tegen; ze groetten me in de overtuiging dat ik één van hen was, al ging ik tegen de richting in. En ik dacht: de Camino de Santiago is toch een uitgelezen kans om Ponferrada bij een groot internationaal publiek bekend te maken? Hoeveel geld is er wel niet uitgegeven aan de Wereldkampioenschappen Wielrennen met hetzelfde doel! Had dat niet beter besteed kunnen worden aan het opknappen van bijvoorbeeld de Calle Rañadero?

Ik moest denken aan mijn economielessen waarin ik de theorie van Keynes behandelde. Tijdens een crisis is het de aan de overheid om met nuttige overheidsinvesteringen de economie weer vlot te trekken. De hoge werkloosheid maakt het gebruik van arbeidskrachten relatief goedkoop; het verschil tussen een uitkering en een loon is nu eenmaal niet zo groot. Grond- en huizenprijzen zijn relatief laag. De rente is normaal gesproken laag. Hét moment om de vervallen huizen aan de Calle Rañadero op te kopen en te restaureren om zo twee vliegen in één klap te vangen: werkgelegenheid creëren en Ponferrada een flinke opknapbeurt geven. Het vroegere pulpo restaurant zou uitstekend een pelgrimsherberg kunnen zijn.  Het straatje zou plaats kunnen bieden aan kleine winkeltjes, restaurantjes en barretjes. ’s Zomers zou er een vrijmarkt kunnen worden gehouden.

Maar wacht even. Eerst de nadelen overwegen natuurlijk. Dat leer ik mijn studenten immers ook. Altijd de voors en tegens tegenover elkaar zetten. Anders heb je geen mening maar een overtuiging. Vanzelfsprekend zitten er behoorlijk wat haken en ogen aan een dergelijk project. Waar haal je het geld vandaan? De schuldenlast in Spanje is al zo groot. En waar zeker voor gewaakt moet worden is dat het geld goed terecht komt. Van gemakkelijk verkregen geld kan een corrumperende werking uitgaan. Voorkomen moet worden dat de aannemers en werknemers toevallig allemaal vriendjes of familie van de verantwoordelijke politici zijn. Of dat een deel van het geld verdwijnt naar de privérekeningen van corrupte politici, ondernemers of vakbondsbestuurders, zoals bijvoorbeeld met subsidies voor de steenkoolmijnen en fondsen voor omscholingscursussen is gebeurd. Maar er gaat in Spanje een andere wind waaien. Nieuwe politieke partijen, zoals Podemos en Ciudadanos, kloppen aan de deur en zullen ook de traditionele partijen dwingen hun corruptie aan te pakken. Er moet toch ergens in Europa een fonds te vinden zijn voor het herstel van historische binnensteden, zeker nu sommige noordelijke landen kunnen lenen met een negatieve rente?

En even zag ik voor me hoe links en rechts in het straatje de luiken geopend werden door vrolijk fluitende winkeliers die me allemaal vriendelijk groetten. De vroegste pelgrims zaten al aan de churros en versgezette koffie. Achter me hoorde ik mensen fluisteren: ‘Kijk, daar gaat el guiri. Dankzij zijn blog is het hier zo mooi opgeknapt.’  Met een glimlach vervolgde ik mijn weg omhoog langs de verpauperde huizen.


dinsdag 24 februari 2015

Montoro en Monedero

Het lijken de namen van twee stripfiguren. De avonturen van Montoro en Monedero. Montoro, de Spaanse minister van financiën lijkt ook fysiek een beetje op een stripfiguur: een licht satanisch uiterlijk en bovendien een soort kwakend stemgeluid. Als test heb ik een keer, toen mijn zesjarige Spaanse nichtje tekenfilms wou zien, een video van een persconferentie van Montoro opgezet. (deze) Nee, ze vond er niets aan, zelfs niet toen ik haar probeerde wijs te maken dat hij elke ochtend 20 zwarte bromvliegen als ontbijt at. En toen ik het daarna probeerde met een video met Monedero riep ze ‘¡Ik geen Montoro Monedero, ik wil Dora Exploradora!’

Voor de wat oudere guiri* die moeite begint te krijgen met Spaanse namen is Montoro als minister van financiën een uitkomst: Montoro - money. Groot was mijn schrik dan ook toen Monedero ten tonele verscheen. Hij is één van de drie oprichters van Podemos, de partij die het politieke gecorrumpeerde establishment uitdaagt. Het instorten van mijn ezelsbruggetje leidde ertoe dat ik veelal Montoro zei terwijl ik Monedero bedoelde of andersom, en soms ook op een naam kwam ergens tussen de twee in als Montodero. Al deze versprekingen maakten de onduidelijkheid omtrent mijn politieke voorkeur bij de mensen om me heen alleen maar groter. Hier in Spanje word je al snel geacht tot een bepaald politiek kamp te horen, net zoals ze zich nauwelijks kunnen voorstellen dat je Madrid-Barcelona kijkt enkel en alleen maar omdat je een mooie pot voetbal wilt zien zonder dat het je veel uitmaakt wie er wint.

Ook Monedero bleek al snel iets met geld te maken te hebben. Over 425.000 euro's aan inkomsten uit 2010 had hij geen belasting betaald, zo werd gelekt vanuit het ministerie van financiën (we zien minister Montoro kwaadaardig lachend achter zijn bureau zitten). Dit geld had hij verdiend door naast zijn vaste aanstelling als universitair docent Politicologie advies te geven aan de regeringen van Bolivia, Ecuador, Nicaragua en Venezuela over een gemeenschappelijke munt. Welke gemeenschappelijke munt? Laten we het maar op houden dat het dankzij zijn adviezen daar nooit van is gekomen. Dat is best een paar honderdduizend euro’s waard; iemand die Monedero heet moet haast wel een specialist zijn op dat gebied. Misschien komt mijn cynisme vooral voort uit jaloezie. Zelf heb ik ook politicologie gestudeerd en het enige wat ik ooit in mijn directe vakgebied heb verdiend is een gratis broodje kaas toen ik als vrijwilliger voor Amnesty International een lange vergadering bijwoonde.

Natuurlijk is het voor een partij die een zeer expansief fiscaal beleid voorstaat moeilijk uit te leggen dat één der oprichters geen belasting betaalt over zo’n aanzienlijk bedrag. Tijdens een politieke bijeenkomst van Podemos koos Monedero voor de aanval als de beste verdediging. Het verschuldigde belastinggeld had hij vlak daarvoor overgemaakt om juridische vervolging te voorkomen, maar dat weerhield hem niet van een felle toespraak gericht tegen Montoro en ook tegen de pers die over de zaak had bericht, vol links jargon en zelfs een gebalde vuist; allemaal bijzonder misplaatst voor iemand die een zeer grote bijverdienste had verzwegen voor de fiscus. (hier een impressie). Het vreemde is dat veel aanhangers van Podemos zijn verklaringen lijken te accepteren onder het motto: de anderen zijn erger; het is allemaal een complot; laten we de gelederen sluiten.

Zouden Montoro en Monedero twee karakters uit een film zijn geweest, dan zouden volgens mij de recensies niet mals zijn: ‘te dik aangezet’,’alleen maar karikaturen’, ‘overacting’ en ‘volkomen ongeloofwaardig.’ Maar helaas, het is de bittere realiteit. De film zou een happy end kunnen hebben met de oprichting van een partij die corruptie of malversatie in de eigen gelederen als een groter kwaad ziet dan wanneer het bij de andere partijen plaats vindt. In de echte wereld zitten we voorlopig nog even met politici als Montoro en Monedero opgescheept.

*scheldnaam voor typische toerist, door sommige immigranten als geuzennaam geadopteerd.

 Montoro

Monedero

vrijdag 7 november 2014

Prisoner's dilemma

Als leraar economie leg ik soms aan mijn studenten een onderdeel van de speltheorie uit, het prisoner’s dilemma geheten. Het gaat om een denkbeeldige situatie waarbij twee criminelen die samen een misdaad hebben gepleegd apart van elkaar door justitie verhoord worden. Als geen van beiden praat, krijgen ze een lage straf. De ander aangeven betekent een aanzienlijke strafvermindering, maar aangegeven worden resulteert weer in een hogere straf. Op het bord leg ik het met een voorbeeld uit:



B praat
B praat niet
A praat
Beiden 5 jaar cel
A vrij; B 10 jaar cel
A praat niet
A 10 jaar cel; B vrij
Beiden 1 jaar cel



Wat is de meest waarschijnlijke uitkomst?


Ofschoon niet praten tot de laagste gezamenlijke straf zou leiden, is dit niet de meest waarschijnlijke uitkomst, vooral als de gevangenen elkaar niet vertrouwen. In de economische wetenschap wordt dit model gebruikt om het gedrag van twee grote bedrijven in een markt (een oligopolie) te beschrijven die in een prijzenoorlog verwikkeld kunnen raken. Volgens mij is de prisoner’s dilemma ook van toepassing op het gedrag van de twee grote partijen in de Spaanse politiek: de rechtse PP (Partido Popular) en de linkse PSOE (Partido Socialista Obrero Español), die tegenwoordig soms gekscherend onder één noemer worden gebracht, de PPSOE.

Heel letterlijk lijkt de situatie van Bárcenas, de ex-penningmeester van de PP, op het prisoner’s dilemma. Hij zit nu alweer een tijdje in de cel, nadat er miljoenen euro’s op zijn bankrekeningen in Zwitserland waren aangetroffen. Ik weet niet of ze hem strafvermindering hebben toegezegd, maar een feit is dat Bárcenas besloten heeft te praten. Veel van zijn partijgenoten zullen onderhand wel spijt hebben dat ze hem niet gesteund hebben toe hij werd gesnapt, maar hem integendeel alle schuld probeerden toe te schuiven.

De onderlinge verhouding tussen de twee belangrijkste partijen lijkt ook op die van de criminelen van het prisoner’s dilemma. Nu de ene na de andere corruptiezaak aan het licht komt, verwijten ze elkaar steeds vaker de corruptste partij te zijn,. Veel politici van de PP en de PSOE vermoeden dat ‘die van de andere partij’ achter de aantijgingen in de pers en de justitiële vervolgingen van hun partijgenoten zitten. En het zou me niets verbazen als ze daarin deels gelijk hadden. In Spanje is de scheiding tussen de politieke en de justitiële macht niet erg groot. Veel rechters zijn verbonden aan één van de twee partijen.

We hadden al el caso Gürtel (PP-politici in Valencia en andere deelstaten ontvingen geld en cadeautjes van een vaag conglomeraat van ondernemingen), el caso de los ERE (in Andalusië roofden PSOE-politici en vakbondsbestuurders uit een fonds voor tijdelijk werklozen), el caso Puyol (Puyol is een Catalaanse ex-politicus met verdacht veel geld op buitenlandse rekeningen) en nog vele zaken meer, maar de afgelopen week kwam hier el caso Púnica bij. Met name in Madrid maar ook bijvoorbeeld hier in de provincie León, kregen lokale politici van vooral de PP, maar net zo gemakkelijk een aantal van de PSOE, geld toegeschoven in ruil voor het toewijzen van openbare projecten aan een groot bouwbedrijf. Niets nieuws onder zon, wellicht, maar dit keer lijkt er iets fundamenteels veranderd te zijn. Bij de laatste algemene verkiezingen verkreeg de PP nog 44,6% van de stemmen (en door een vreemde kronkel in het kiessysteem daardoor de absolute meerderheid in het parlement), ondanks dat de caso Gürtel allang bekend was. Dit keer lijken de Spaanse stemmers de corruptie zat te zijn. Bij een verkiezingsenquête kwam de nieuwe groepering Podemos (we kunnen) als grootste partij uit de bus. Natuurlijk is het maar de vraag of er bij echte verkiezingen ook zoveel stemmen zouden gaan naar deze nieuwe partij die nogal wat radicale veranderingen voorstaat. Nieuwe partijen stijgen en dalen nu eenmaal snel op de golven van de proteststemmen. Maar duidelijk is dat er ruimte is voor nieuwe partijen, zowel aan de rechterkant als de linkerkant van het politieke spectrum. Het zou wel eens afgelopen kunnen zijn met de automatische wisseling van macht tussen de PP en de PSOE. De speltheorie geeft het aan: als de twee partijen alles of niets spelen, is de meest waarschijnlijke uitkomst dat beide partijen verliezen.

Luis Bárcenas


vrijdag 26 juli 2013

Het merk Spanje

De laatste tijd verschijnen er in de Spaanse media veel berichten over La Marca España, het merk Spanje. Het idee achter dit project is dat Spanje hard toe is aan een verbetering van het imago. De Spanjaarden hebben het gevoel dat ze in Europa, en misschien ook wel in de rest van de wereld, niet voor vol worden aangezien. Het feit dat het land samen met andere Europese landen in economische problemen werd ondergebracht onder de weinig vleiende noemer PIGS heeft hier zeker aan bijgedragen. Merkel deed daar nog een schepje bovenop door publiekelijk te verkondigen dat de Spanjaarden de economische problemen te danken hadden aan een teveel aan siësta. En zelfs de sportprestaties, de nationale trots, worden vaak negatief in de internationale media belicht vanwege de dopingaffaires.

Volgens mij is het imago van Spanje in Europa niet zo slecht is als veel Spanjaarden veronderstellen. In Nederland merk ik in elk geval weinig van negatieve sentimenten over de Spanjaarden. Integendeel. Over het algemeen vindt men de Spanjaarden open, spontaan en hartelijk. Als ik in Nederland mijn lessen economie wat opvrolijk door te vertellen dat ik de rest van het jaar in Spanje woon, zie ik een glinstering in de ogen van de studenten verschijnen. Zij denken dan aan vakantie, strandfeesten, een vakantieliefde wellicht, en sommigen zullen veronderstellen dat wij ’s avonds op de eettafel een flamenco dansen en natuurlijk dat het in Spanje altijd mooi weer is. Ook als ik vanuit Ponferrada bel met officiële Nederlandse instanties waarbij ik mijn residentie bekend maak, is de reactie vaak: ‘Woont u in Spanje? Wat een geluk! Het is hier zo koud!’ Wat men in Nederland niet weet is dat het hier in El Bierzo bitterkoud kan zijn. Het afgelopen voorjaar was het weer zo slecht dat ik de eerste zomerverschijnselen uitgebreid vierde. De eerste gierzwaluwen gaf ik vanaf ons kleine balkonnetje een langdurig applaus. De eerste bromvlieg die aarzelend door een raam naar binnen vloog trakteerde ik op met honing op de tafel geschreven letters: BIENVENIDA. En toen tijdens een warme zomernacht de eerste mug zijn normaalgesproken zo irritante zoemgeluid liet horen, stak ik mijn ontblote kont de lucht in terwijl ik riep: ‘¡¡Hier¡¡ ¡¡Neem!! ¡¡Geheel de jouwe!!’ ‘Jullie zijn toch ook best een spontaan volkje’, was de ietwat verbouwereerde reactie van mijn vrouw. Maar goed, wat ik dus zeggen wil is dat de meningen van Nederlanders over Spanje over het algemeen positief te noemen zijn.

Het vreemde is dat de mensen die de mond het meest vol hebben van La Marca España nou net degenen zijn die het imago van het land het meest schaden. Dat zijn de politici van de beide grote partijen die ondanks betrokkenheid bij corruptieschandalen nooit aftreden en niet in staat lijken te zijn om te zeggen: ‘Ik bied mijn verontschuldigingen aan voor het gedrag van mijn partij en partijgenoten.’ Ik heb het idee dat de corruptie van de Spaanse politici nog niet zoveel aandacht krijgt in de internationale pers als, bijvoorbeeld, de capriolen van Berlusconi. Wellicht heeft dit te maken met het feit dat Berlusconi met zijn bunga-bunga-feestjes veel sappiger verhalen oplevert dan de nogal saaie Rajoy die (naar verluidt) tijdens zijn ministerschap onder Aznar elke maand een envelop met bankbiljetten ontving ter aanvulling van zijn karige officiële loon.


Hoewel ik dus denk dat de faam van Spanje helemaal zo slecht nog niet is, heb ik toch een voorstel voor een boegbeeld van de campagne La Marca España. Het zou moeten bestaan uit twee personen; een vrouw en een man, zoals het hoort. Zij doen beiden hun zo belangrijke werk, ondanks dat ze weten dat het schadelijk kan zijn voor je carrière om tegen de belangen van de twee grote partijen in te gaan. Je wordt zwartgemaakt in de media en uiteindelijk kan het je baan kosten, zoals de rechter Garzón overkwam. De man is de rechter Ruz. Hij heeft op het ogenblik de zaak Bárcenas onder zijn hoede. Bárcenas is de ex-penningmeester van de regerende Partido Popular die opeens tientallen miljoenen euro’s op diverse internationale bankrekeningen bleek te hebben staan en die nu flink uit de school klapt over de zwarte boekhouding van zijn partij. De vrouw is de rechter Alaya. Zij komt meestal in beeld terwijl ze een koffertje op wieltjes naar de rechtbank rijdt; een koffertje dat vast en zeker ook regelmatig verschijnt in de ergste nachtmerries van de socialistische bestuurders van Andalusië die (naar verluidt) uitgebreid gegraaid hebben in fondsen die bestemd waren voor werklozen. Ik denk dat deze twee rechters het geweldig zullen doen als standbeeld op de diverse Plazas Mayors; hij met zijn aktetas onder de arm, zij met haar eeuwige koffertje op wieltjes achter zich aan, beiden in het trotse bezit van een witte pruik, die bij nadere beschouwing blijkt te bestaan uit de vuiligheid die de vliegende ratten over hun hoofden hebben uitgescheten.


woensdag 25 juli 2012

Bedrijf de liefde!


Het is opvallend hoe zeg maar de standaardvloek van het Spaans en die van Nederlands wat betreft klank op elkaar lijken. Een Nederlander die zijn vingers brandt aan de koekenpan verzoekt god hem te vervloeken: ‘Godverdomme.’ De Spanjaard roept in zo'n geval de seksuele daad aan: ‘¡Joder!’. Omdat in het Spaans de letter j als een g wordt uitgesproken klinkt het allebei ongeveer hetzelfde en hoef je alleen maar ggggooo, of in het Spaans jjjjooo te zeggen en iedereen weet wat je bedoelt.

Nee, ik ga hier niet een uitgebreide socio-linguïstische verklaring geven voor het feit dat Nederlanders bij ongelukken god aanroepen en Spanjaarden de seksuele daad. De woorden hebben hun originele betekenis verloren, weet ik als iemand zonder enige godsdienstige opvoeding die toch bij tijd en wijle godverdomme roept. Volgens mij is het de schrapende g-klank die de woorden zo geschikt maken voor de vloek.

Ik moest aan de verschillende manieren van vloeken denken toen ik op het tv-journaal zag dat een vertegenwoordiger van de regerende Partido Popular tijdens het bekendmaken van de bezuinigingen op de werkloosheidsuitkeringen in het parlement uitriep: ‘¡Qué se jodan!’(voor filmpje: klik hier) In het Engels zou deze uitdrukking vrij letterlijk te vertalen zijn: ‘Let them fuck themselves!’ In het Nederlands voldoet noch de seksuele daad noch een verzoek aan god om te verdoemen voor de beste vertaling, maar moeten we het, volgens mij, meer zoeken in de richting van het toewensen van een ernstige ziekte: ‘Laat ze de kolere krijgen’.

De vrouw in kwestie, Andrea Fabra, verklaarde de dag na deze beraadslagingen dat haar woorden niet gericht waren aan de werklozen van Spanje, hoewel het daar toch alle schijn van had, maar aan de vertegenwoordigers van de PSOE, de sociaaldemocratische oppositiepartij. Daarmee was de kous af. Overigens is Andrea Fabra de dochter van Carlos Fabra, een Valenciaanse ‘cacique’ van de PP die op het ogenblik door justitie vervolgd wordt vanwege diverse corruptieschandalen. Hij is de man die verantwoordelijk is voor het bouwen van het vliegveld van Castellón in de deelstaat Valencia. Dit vliegveld zonder vliegtuigen is het symbool bij uitstek geworden voor de onzinnige projecten die politici in innige samenwerking met bevriende bouwbedrijven en de cajas de ahorros in handen van diezelfde politici voor het uitbreken van de crisis uitvoerden. Vóór het vliegveld zal zelfs een heel groot standbeeld verrijzen dat deze zelfde Carlos Fabra moet uitbeelden. Alsof hij tegen heel Spanje roep: ‘¡Qué se jodan!’

Met zulke politici is het niet te verwonderen dat de deelstaat Valencia in grote financiële moeilijkheden verkeert. Ook de caja de ahorros van Valencia, opgegaan in de beruchte fusiebank Bankia, is niet bepaald het toppunt van financiële betrouwbaarheid gebleken. De Spaanse centrale overheid moet financiële steun verlenen en het ziet er naar uit dat Europa aan de Spaanse staat financiële steun moet verlenen.

Deze week kreeg ik hier in Ponferrada het bericht dat ik straks in september mag stemmen voor de Nederlandse algemene verkiezingen. Het trieste feit doet zich voor dat ik met mijn stem in Nederland misschien wel meer invloed uit kan oefenen op de financiële situatie in Spanje dan wanneer ik in Spanje zou mogen stemmen. Europa wordt het belangrijkste onderwerp van deze verkiezingen. Zelf zal ik op één van de pro-Europese partijen stemmen. Natuurlijk. Ik vorm de helft van een Europees liefdespaar dat is voortgekomen uit één van de meest geslaagde vormen van Europese samenwerking: Interrail. Ze moeten er volgens mij komen: de noodfondsen, de eurobonds en een ECB die direct ingrijpt op de financiële markten. Natuurlijk moeten er voorwaarden worden gesteld aan de leningen en garanties. Vooral ethische voorwaarden, dunkt mij. Wees niet bang, Duitsers, Nederlanders en Finnen, de meeste Spanjaarden zijn zeer fatsoenlijke mensen die hun corrupte politici meer dan zat zijn. Wanbeheer zoals in Valencia mag niet meer voorkomen. ¡Qué nadie se joda! ¡Qué hagamos el amor! (Neuk niet jezelf; bedrijf de liefde!)



vrijdag 20 april 2012

De Polletiek


In de jaren tachtig heb ik aan de Universiteit van Amsterdam politicologie gestudeerd. Mijn ex-studiegenoten behoren nog steeds tot mijn beste vrienden. Niet één van hen is actief lid geworden van één van de vele politieke partijen die Nederland rijk is, voor zover ik weet. Ik ken geen burgermeesters, wethouders of leden van gemeenteraden, provinciale staten of het parlement. Wij gebruikten onze tijdens de studie opgedane kennis met name voor oeverloze discussies in voetbalkantines, cafés en restaurants, waarbij wij ons te vrij van geest waanden om ons te conformeren aan enige partijlijn of ideologie. De Nederlandse partijpolitiek is voor de werkelijk bevlogenen en voor de carrièrepolitici, waarbij het niet zelden voorkomt dat de bevlogene uiteindelijk tot carrièrepoliticus verwordt.

In Spanje ken ik wel veel mensen die actief zijn of waren in de politiek. Zo ken ik maar liefst twee burgermeesters persoonlijk. Dat heeft te maken met de kleinschaligheid van het Spaanse politieke bestel. Elk klein dorp heeft nog een burgermeester en wethouders, die naast hun gewone bezigheden het bestuur van hun gemeente op zich hebben genomen. Je hebt ze in alle soorten en maten. De beruchte caciques die er al jaren zitten en niets willen veranderen, maar ook enthousiastelingen die door roeien en ruiten gaan voor de belangen van de dorpelingen. Zo waren we vorig jaar op een uitstekend georganiseerd midzomernachtfeest in het mooie bergdorp Balboa, waar rond middernacht de excentrieke burgermeester in klaarblijkelijke feeststemming het podium beklom om een vreemde toespraak te houden die eindigde met het langdurig ritmisch scanderen van: ‘¡Animal, mineral, vegetal; animal, mineral, vegetal!’.

Maar ook in een stad als Ponferrada ken ik vele mensen die actief zijn in de politiek. Soms heeft iemand zich op een stemlijst laten zetten op verzoek van een bekende om aan het minimum aantal kandidaten op de lijst te komen. En er zullen er ook best bij zijn die echt lid worden uit politieke betrokkenheid. Maar in de meeste gevallen heb ik de indruk dat het actieve lidmaatschap van de partij en ook van de vakbond vooral dient ter verdediging van het eigenbelang. Je staat als ondernemer sterker bij het binnenhalen van opdrachten van lokale overheden als je mensen van één van de grote partijen kent. Bij sterk aan de staat gelieerde bedrijven als de musea, La Telefónica en de cajas de ahorros (de spaarbanken) zijn het de (ex)politici die de banen in de wacht slepen. Voor zo´n baantje via een partijvriendje bestaat zelfs een apart woord in het Spaans: el enchufe, letterlijk de stekker (die er dus door iemand anders wordt ingestoken). Ook geeft lidmaatschap van partij of vakbond aan werknemers bij de overheid meer baanzekerheid, wat vooral bij de huidige bezuinigingsdrift goed van pas kan komen. Het vreemde is dat daarbij van de gebruikelijke vijandigheid tussen de twee grote politieke partijen even geen sprake is. Men speelt elkaar de bal toe in de wetenschap dat de volgende keer de andere partij weer zal regeren. Spanje lijkt in dat opzicht wel wat op één van de vroegere Oostbloklanden: partijlidmaatschap is een voorwaarde voor een carrière. Gelukkig zijn er wel meerdere partijen; Spanje is beslist geen dictatuur. Maar wanneer we in een kroeg beginnen te praten over de corruptie, de enchufes en het clientelisme, dan daalt het volume van de conversatie aanzienlijk, waarbij er soms zelfs even achterom wordt gekeken of er niet iemand zit mee te luisteren. Het moet toch niet veel gekker worden!

Haast niemand is het met heersende systeem van vriendjespolitiek en clientelisme eens. Bij de polls waarbij de respondenten aangeven wat op het ogenblik volgens hen Spanjes grootste probleem is, eindigt ´de politieke klasse’ steevast op de derde plaats, nog net achter ´werkloosheid´ en ‘economische problemen’. Maar een cultuur verandert niet gemakkelijk. Het is een kwestie van meedoen of verliezen. Moeten we niet actief worden in de partijpolitiek? De zaak van binnenuit veranderen? Bah! Daar heb ik helemaal geen zin in. Veel liever blijf ik volkomen vrijblijvend vanaf de zijlijn mijn meningen spuien zonder me te conformeren aan enige partijlijn of politieke ideologie. Maar misschien is de lezer meer bevlogen?



woensdag 14 december 2011

Kiezen


Tijdens de landelijke verkiezingen van Spanje op 20 november was ik in Nederland om te werken. Als tijdelijke remigrant, zeg maar. Nou heb ik aan die verkiezingen weinig gemist. Ik mocht als buitenlander toch niet stemmen. En bovendien zou het best moeilijk zijn om mijn stem te bepalen. Het was al ver van te voren bekend dat de regerende partij, de PSOE, een grote nederlaag zou lijden. De vraag was alleen of de rechts-conservatieve partij, de PP, een absolute meerderheid zou behalen. Nou, dat is dus wel gebeurd. Voor een buitenstaander lijkt het een vorm van masochisme dat zoveel mensen volkomen vrijwillig op een partij stemmen die in zoveel corruptieschandalen is verwikkeld. Misschien zijn de Spanjaarden cynisch geworden. Het maakt toch niet uit op welke partij je stemt, de corruptie krijg je er gratis bij. Hoewel, gratis? Volgens mij is de belangenverstrengeling van corrupte politici, louche ondernemers en lokale banken in handen van diezelfde politici (de cajas de ahorros) één van de belangrijkste oorzaken van het imploderen van de Spaanse economie.

Nog wel heb ik in Spanje het debat op de televisie gezien tussen de lijsttrekker van de PSOE (Rubalcaba) en de PP (Rajoy). Veel onderwerpen kwamen aan bod: de halfslachtige politiek van de PSOE voor en tijdens de crisis, het gebrek aan programma van de PP.  Maar het woord corruptie of vriendjespolitiek werd niet één keer geuit. En niet zonder reden. Dat zou alleen maar leiden tot wederzijdse verwijten en het opnoemen van alle schandalen waarin beide partijen betrokken zijn. En wellicht dat dan veel mensen zouden denken: verrek, die twee hebben gelijk, ik stem dus maar op een andere partij dan die eeuwige PP en PSOE.

Maar in Spanje telt niet elke stem even zwaar mee. Er bestaat een districtenstelsel. Dat betekent dat de partijen die veel stemmen behalen in een regio naar verhouding meer zetels krijgen dan de kleine partijen. Dit systeem is in het voordeel van enkele grote regionale partijen, zoals de Baskische PNV en Amaiur, en de Catalaanse CiU, en bovendien in het voordeel van de beide grote landelijke partijen. Die zullen daardoor niet snel geneigd zijn dit kiesstelsel te wijzigen. Veel mensen stemmen dan maar op de grote partij die het dichtst bij hun politieke voorkeur staat.

Zo blijft de hegemonie van de twee grote partijen in stand. En blijven ze de overheidsbaantjes verdelen als ze aan de macht zijn. In Spanje zijn zelfs rechters politiek verbonden met één van de partijen. Laatst zaten we lekker te eten in een Parador in la Sierra de Gredos,  toen mij werd verteld dat de Paradores (hotel/restaurants in historische gebouwen in heel Spanje) staatsbezit zijn, en dat nu een studievriend van Zapatero de directeur is van de Paradores. Ik had gelijk geen trek meer. 

En hoe is het in Nederland met de politiek gesteld? Er zijn veel partijen met zeer diverse standpunten: rechts, links, progressief, conservatief, internationaal georiënteerd of protectionistisch. Een uitgebreide keus. Dat is een voordeel. Daardoor duren coalitiebesprekingen soms erg lang. Minimaal drie partijen zijn er nodig voor een meerderheid in het parlement. Er zijn ook wel eigenaardige partijen bij, zoals de Partij van de Dieren. De Partij van de Vrijheid is zelfs één van de grotere partijen. En dat met ideeën zoals het invoeren van een speciale belasting op het dragen van hoofddoekjes en het verbieden van hoofddoekjes in het openbaar vervoer. Dat lijkt toch op het zoveel mogelijk treiteren van een bepaalde bevolkingsgroep. Om je  rot te schamen dat de huidige regeringscoalitie van zo´n partij afhankelijk is. Bijna genoeg reden om het Nederlanderschap op te geven.

Ik heb  een voorstel aan de PSOE of de PP. Als één van deze twee partijen nou eens komt met een daadwerkelijk hervormingsprogramma: een herziening van het kiesrecht zodat iedere stem even veel meetelt, een van de politiek onafhankelijke rechterlijke macht, zerotolerantie ten opzichte van corruptie, clientelisme en vriendjespolitiek, nou, dan laat ik me tot Spanjaard nationaliseren om op die partij te kunnen stemmen. Afgesproken?