dinsdag 24 februari 2015

Montoro en Monedero

Het lijken de namen van twee stripfiguren. De avonturen van Montoro en Monedero. Montoro, de Spaanse minister van financiën lijkt ook fysiek een beetje op een stripfiguur: een licht satanisch uiterlijk en bovendien een soort kwakend stemgeluid. Als test heb ik een keer, toen mijn zesjarige Spaanse nichtje tekenfilms wou zien, een video van een persconferentie van Montoro opgezet. (deze) Nee, ze vond er niets aan, zelfs niet toen ik haar probeerde wijs te maken dat hij elke ochtend 20 zwarte bromvliegen als ontbijt at. En toen ik het daarna probeerde met een video met Monedero riep ze ‘¡Ik geen Montoro Monedero, ik wil Dora Exploradora!’

Voor de wat oudere guiri* die moeite begint te krijgen met Spaanse namen is Montoro als minister van financiën een uitkomst: Montoro - money. Groot was mijn schrik dan ook toen Monedero ten tonele verscheen. Hij is één van de drie oprichters van Podemos, de partij die het politieke gecorrumpeerde establishment uitdaagt. Het instorten van mijn ezelsbruggetje leidde ertoe dat ik veelal Montoro zei terwijl ik Monedero bedoelde of andersom, en soms ook op een naam kwam ergens tussen de twee in als Montodero. Al deze versprekingen maakten de onduidelijkheid omtrent mijn politieke voorkeur bij de mensen om me heen alleen maar groter. Hier in Spanje word je al snel geacht tot een bepaald politiek kamp te horen, net zoals ze zich nauwelijks kunnen voorstellen dat je Madrid-Barcelona kijkt enkel en alleen maar omdat je een mooie pot voetbal wilt zien zonder dat het je veel uitmaakt wie er wint.

Ook Monedero bleek al snel iets met geld te maken te hebben. Over 425.000 euro's aan inkomsten uit 2010 had hij geen belasting betaald, zo werd gelekt vanuit het ministerie van financiën (we zien minister Montoro kwaadaardig lachend achter zijn bureau zitten). Dit geld had hij verdiend door naast zijn vaste aanstelling als universitair docent Politicologie advies te geven aan de regeringen van Bolivia, Ecuador, Nicaragua en Venezuela over een gemeenschappelijke munt. Welke gemeenschappelijke munt? Laten we het maar op houden dat het dankzij zijn adviezen daar nooit van is gekomen. Dat is best een paar honderdduizend euro’s waard; iemand die Monedero heet moet haast wel een specialist zijn op dat gebied. Misschien komt mijn cynisme vooral voort uit jaloezie. Zelf heb ik ook politicologie gestudeerd en het enige wat ik ooit in mijn directe vakgebied heb verdiend is een gratis broodje kaas toen ik als vrijwilliger voor Amnesty International een lange vergadering bijwoonde.

Natuurlijk is het voor een partij die een zeer expansief fiscaal beleid voorstaat moeilijk uit te leggen dat één der oprichters geen belasting betaalt over zo’n aanzienlijk bedrag. Tijdens een politieke bijeenkomst van Podemos koos Monedero voor de aanval als de beste verdediging. Het verschuldigde belastinggeld had hij vlak daarvoor overgemaakt om juridische vervolging te voorkomen, maar dat weerhield hem niet van een felle toespraak gericht tegen Montoro en ook tegen de pers die over de zaak had bericht, vol links jargon en zelfs een gebalde vuist; allemaal bijzonder misplaatst voor iemand die een zeer grote bijverdienste had verzwegen voor de fiscus. (hier een impressie). Het vreemde is dat veel aanhangers van Podemos zijn verklaringen lijken te accepteren onder het motto: de anderen zijn erger; het is allemaal een complot; laten we de gelederen sluiten.

Zouden Montoro en Monedero twee karakters uit een film zijn geweest, dan zouden volgens mij de recensies niet mals zijn: ‘te dik aangezet’,’alleen maar karikaturen’, ‘overacting’ en ‘volkomen ongeloofwaardig.’ Maar helaas, het is de bittere realiteit. De film zou een happy end kunnen hebben met de oprichting van een partij die corruptie of malversatie in de eigen gelederen als een groter kwaad ziet dan wanneer het bij de andere partijen plaats vindt. In de echte wereld zitten we voorlopig nog even met politici als Montoro en Monedero opgescheept.

*scheldnaam voor typische toerist, door sommige immigranten als geuzennaam geadopteerd.

 Montoro

Monedero

vrijdag 6 februari 2015

Het doe-het-zelfziekenhuis

Een paar dagen na de dood van mijn schoonvader viel mijn schoonmoeder en brak daarbij haar heup en haar pols. De ontreddering was groot. Allereerst bij mijn schoonmoeder natuurlijk: pijn, schrik en een hopeloos gevoel. Maar ook wij hadden geen tijd voor de verwerking van het verdriet. Alweer eindeloze bezoeken aan het ziekenhuis. Haar pols moest in het gips en haar heup werd met een schroef weer in elkaar gezet. Dat gebeurde allemaal in openbare Hospital del Bierzo. Daarna werd ze overgeplaatst naar het Hospital de la Reina voor verder herstel en verzorging, hetgeen allemaal wel eens een paar maanden zou kunnen gaan duren.

Wij zagen haar overplaatsing naar het Hospital de la Reina als een verbetering. Het ziekenhuis ligt op loopafstand van ons huis, vlakbij het historische centrum, en de kleinschaligheid van het ziekenhuis zou meer aandacht voor de patiënt moeten betekenen. Het Hospital de la Reina is een particulier ziekenhuis, maar een groot deel van de patiënten komt via de sociale zorgverzekering binnen. Dat het ziekenhuis een katholieke grondslag heeft, zou mijn vrome schoonmoeder vast op prijs stellen.

Toen ze ons bij het intakegesprek vertelden dat het bij hen in principe niet toegestaan was dat er familieleden op de afdelingen bleven overnachten, slaakte ik stiekem een zucht van verlichting. Eindelijk een ziekenhuis zoals god gebiedt. Maar de dagen erna moest ik helaas mijn beoordeling van het ziekenhuis naar beneden toe bijstellen. Misschien nog wel in sterkere mate dan het openbare ziekenhuis van El Bierzo is het Hospital de la Reina een doe-het-zelfziekenhuis te noemen.

Bij alle maaltijden (ontbijt om 09.00 uur, lunch om 13.00, merienda om 17.00, diner om 20.00) wordt er in feite verwacht dat iemand de patiënt helpt bij het snijden van het eten, het openmaken van de vele plastic verpakkingen en het toedienen van de medicijnen. Misschien dat als er echt niemand van de familie aanwezig zou zijn het personeel een handje zou helpen, maar eigenlijk lijken ze daar helemaal geen tijd voor te hebben. Ieder bed heeft vanzelfsprekend een knop om het ziekenhuispersoneel te laten komen om hulp te bieden, maar vaak wordt daar erg laat op gereageerd. Het resultaat hiervan is dat we al meerdere malen de net aan haar heup geopereerde patiënte van de rolstoel in het bed hebben getild. Daar kijkt men in het ziekenhuis helemaal niet raar van op, terwijl het mij toch risicovol lijkt als ongeschoolde mensen deze handeling verrichten.

Natuurlijk is het voor familieleden die werken, ver weg wonen of kinderen hebben niet mogelijk om zoveel tijd in het ziekenhuis door te brengen. Rond de ziekenhuizen is daardoor een hele arbeidsmarkt ontstaan van verzorgsters (het zijn voor zover ik weet altijd vrouwen; vaak uit Latijns Amerika). Zij zijn bereid bij de patiënt te blijven voor gezelschap en de diverse verzorgende taken tegen een uurloon van rond de € 6.00. Eén van deze vrouwen vertelde ons dat ze een keer een verpleegster had gevraagd haar te helpen bij het in bed tillen van haar patiënt. ‘Doe het zelf maar; ¿daar word je toch zeker voor betaald?’, had de verpleegster gezegd. De wereld op zijn kop. Overigens is het merendeel van de verplegers en doktoren bijzonder bekwaam en vriendelijk, maar heeft men duidelijk te kampen met een te hoge werkdruk. Waarschijnlijk wordt er voor de winstgevendheid flink beknibbeld op de personeelsuitgaven. Om deze zelfde reden zullen ze ook alle handdoeken uit de toiletten hebben verwijderd. We nemen zelf onze keukenrollen mee.

Enfin, de komende weken gaan we dus weer veel tijd doorbrengen met het lezen van tijdschriften en kranten in een veel te warme ziekenhuiskamer, af en toe verlangend naar de open deur kijkend of het karretje met het eten er al aankomt. Meestal draai ik de ontbijtdienst. Na afloop rij ik mijn schoonmoeder in haar rolstoel naar de gemeenschappelijke ruimte en kijken we samen door de grote ramen hoe de winter bezit heeft genomen van El Bierzo.

maandag 26 januari 2015

Voor het laatst in Anllares del Sil

Het is een stralende septemberdag. We parkeren de auto op het parkeerterreintje vlak onder het restaurant waar we straks gaan eten. We helpen mijn schoonvader Pedro de auto uit. Dat gaat moeizaam en met gevloek. ‘Ay,qué coño’, zegt hij. Mijn schoonmoeder Laurie staat er hoofdschuddend naar te kijken. Als hij eindelijk staat en zich met behulp van zijn stok schommelend in evenwicht weet te houden, kijkt hij rond. Zijn ogen beginnen te stralen. Dat is niet veel gebeurd de laatste tijd.

Hij wijst met zijn stok schuin omhoog. ‘¡Daar gaan we heen! ¡Daar heb ik gewoond!’ Stapje voor stapje, met aan één hand zijn dochter en in de andere hand de stok, gaat het heuvelopwaarts. De ondersteuning van Laurie neem ik ter hand. Gelukkig is het niet ver. Anllares del Sil is een klein dorpje in de bergen ten westen van de rivier El Sil. De mensen leefden er van de steenkoolmijnen, de extensieve veeteelt en het verbouwen van eigen groenten. Veel huizen staan nu leeg, maar toch niet zoveel als in andere dorpen. Vlak naast het dorp is een energiecentrale die nog voor wat leven in de brouwerij zorgt.

Pedro begint te vertellen. Veel verhalen hebben we al vaak gehoord, maar krijgen hier in de omgeving waar ze zich afspeelden een extra dimensie. Over de maquis die hier in de bergen actief waren en af en toe naar het dorp kwamen voor voedsel. Over de vervolgingen door de Franco-troepen. Over wie waar woonde en wie welk beroep uitoefende. De vermoeidheid slaat toe. We strompelen naar het restaurant.

Normaalgesproken zijn mijn schoonouders behoorlijk kritisch tijdens een restaurantbezoek. Thuis is het eten immers veel beter. Dit keer is dat anders. ‘¡Eindelijk een decente maaltijd in een restaurant!’, zegt Pedro na één hap. En even later: ‘Dit is een entrecote como dios manda (zoals god gebiedt, één van zijn standaarduitdrukkingen).’ Met de serveerster en de kok, de eigenaren van het restaurant, wisselt hij gegevens uit over het reilen en zeilen van de families die nog in het dorp wonen of er vroeger gewoond hebben.

Na het eten gaan we weer wandelen. Het karakteristiek geworden getik van zijn stok weerkaatst tegen de oude huizen. We gaan langs de oude watermolen en komen bij huis van zijn nicht, het laatst overgebleven familielid in het dorp. Zij strompelt naar buiten en begroet ons enthousiast. Alle wetenswaardigheden over de directe familieleden worden doorgenomen. Diverse ziektes en gebreken komen uitgebreid aan bod. Het afscheid is warm.

Pedro lijkt onvermoeibaar. Nog een extra rondje wil hij maken door het dorp. Willekeurige dorpelingen worden aangesproken; bijna altijd kennen ze zijn familie. Dan gaan Pedro en Laurie zitten op een bankje. ‘Kom nu maar met de auto hierheen’, zegt hij, ‘het wordt laat; we gaan naar huis.’ Als we naar hen toe rijden, zien we dat ze weer met iemand in gesprek zijn geraakt. Een tijdje later, na alweer een warm afscheid, installeren we ons in de auto. ‘¡Ay, qué coño!’ klinkt het. En we rijden weg.

In de moeilijke maanden die zouden volgen werd er nog vaak met weemoed over dit laatste bezoek aan Anllares del Sil gesproken.





maandag 8 december 2014

Hallo en tot ziens

Een aantal weken van december en januari zal ik in Nederland doorbrengen. Werken, familie en vrienden bezoeken, een pilsje in mijn favoriete bar, muziek maken met de jongens van Flanders Fields, voetballen met de jongens van de Taba veteranen, en wie weet, als het eindelijk weer eens een echt winter wordt, schaatsen. Met een krachtig ¡Adiós! neem ik afscheid van El Bierzo om waarschijnlijk pas half januari weer met een welgemeend ¡Hola! terug te komen.

Hoewel er eigenlijk maar weinig mensen in El Bierzo hola of adiós zeggen. Als bekenden elkaar tegenkomen op straat wordt er onmiddellijk gegroet met hasta luego (tot straks). Als rasechte guiri (typische buitenlander) blijf ik vasthouden aan het hola dat ik geleerd heb tijdens mijn Spaanse lessen in Nederland, waar ze me ook vertelden dat hasta luego gebruikt wordt om afscheid te nemen. Misschien heeft dat hasta luego wel als subtiele bijbetekenis: ‘Hola, ik heb nu eigenlijk geen tijd voor een gesprek, dus hasta luego dan maar weer. Sowieso is dat luego misplaatst, want vaak gaat het om mensen die je in geen weken hebt gezien, en die je vast en zeker niet luego opnieuw tegen gaat komen. Het woord ahora (letterlijk: nu) heeft een soortgelijke ontwikkeling doorgemaakt. In uitdrukkingen als hasta ahora (tot zo), lo hago ahora (ik doe het zo) en ahora vengo (ik kom er zo aan) heeft het niet veel meer te maken met de oorspronkelijke betekenis.

Ook het woord adiós lijkt langzaamaan te verdwijnen om te worden vervangen door het Italiaanse leenwoord ¡ciao! of vaker nog het dubbele: ¡ciao ciao! Aan deze trend doe ik wèl enthousiast mee, misschien wel omdat ciao ciao best lijkt op het doedoei dat in Nederland zo gebruikelijk is. De oudere generatie is minder blij met de Italiaanse groet. Er zijn zekere leden van mijn schoonfamilie (ik noem geen namen) die mij steeds corrigeren met: ‘In Spanje zeggen we nooit ciao ciao; we zeggen hier adiós.’ Het zou me niets verbazen als ze dachten dat ik degene was die deze nieuwe manier van afscheid nemen heeft geïntroduceerd, net zoals de roergebakken groenten, de mayonaise bij de gebakken aardappelen en andere eigenaardigheden.

Er is een bepaalde manier van afscheid nemen die me aanvankelijk behoorlijk verwarde. Dat gebeurde vooral na uitgebreide middagmaaltijden en dan met name in de lente of het najaar. Zoals de trouwe lezers van dit blog weten ben ik niet altijd een voorstander van de uitgebreide Spaanse lunch. Op een bijzondere gure of regenachtige winterdag vind ik het prima om een groot deel van dag aan tafel door te brengen. Ook op warme zomerdagen is de Spaanse comida met daarna een siësta bijzonder aangenaam. Maar de eerste mooie lentedagen breng ik het liefst door in de natuur om te luisteren naar het vogelengezang. In de herfst is er niets aangenamer dan te wandelen op het tapijt van bladeren in een eikenbos om de geur van vochtige verrotting en paddenstoelen op te snuiven. Maar dat kan niet altijd. Soms moet er gegeten worden en niet zo’n beetje ook: vooraf aardappelen met snijbonen, dan geroosterd lamsvlees, vervolgens een toetje van arroz con leche (koude rijstepap) en uiteindelijk koffie, thee met bonbonnes en een orujo de hierbas (de plaatselijke likeur). Best lekker allemaal, maar tijdens het eten dwaalt mijn blik onwillekeurig naar buiten waar de zon langzaamaan aan kracht verliest en reeds de toppen van de bomen rood kleurt. Als dan het moment van afscheid eindelijk is aangekomen (en dat kan nog heel wat tijd in beslag nemen), dan gebeurt dat vaak met de woorden: ¡Hasta mañana! (tot morgen). ¡¿Hasta mañana?! Gaan we weer zo uitgebreid eten dan? Tegenwoordig weet ik dat hasta mañana niet 'tot morgen' betekent, net zo min als hasta luego te vertalen is met 'tot straks' of hasta ahora met 'tot nu.'

Enfin, het moment van tijdelijk afscheid is aangekomen. Dus, adiós Ponferrada, hasta luego El Bierzo, ciao ciao mijn Spaanse vrienden, hasta mañana beste schoonfamilie en hasta siempre, mi gran amor.
Een blik door het raam

donderdag 20 november 2014

Sportief

Eén van de fouten die je als immigrant kunt maken is denken dat de mensen in je directe leefomgeving typische respresentanten zijn van de gehele bevolking van het land. Een vooroordeel is snel geboren. Toen ik hier kwam wonen, nu alweer vijfeneenhalf jaar geleden, was ik al een ervaren Spanjereiziger en ik wist dat er niet veel klopte van de heersende stereotypen: flamenco, paella, stierenvechten, mañana mañana en altijd vrolijk.

Desalniettemin arriveerde ik hier met een reiskoffer vol vooroordelen, en zeker weten resteren me er nog een aantal.  Deze raakte ik deze zomer kwijt: Nederlanders zijn over het algemeen sportiever dan Spanjaarden. Heel veel Spanjaarden zullen bij het lezen van deze tekst (in opiniones de un guiri) schamper lachen. ‘¿Nederlanders sportiever dan wij? ¿Weet die arrogante Hollander dan niet dat we bijna een decennium lang in het voetbal hebben geheerst en dat wij één van de beste nationale basketballteams van Europa hebben, om nog maar te zwijgen over zoveel andere sporten?’

Mijn ideeën over de sportiviteit in de beide landen waren natuurlijk gebaseerd op mijn ervaringen met de mensen om me heen. Mijn Nederlandse vrienden zijn over het algemeen redelijk sportief. Vakanties brachten wij graag door in de bergen voor meerdaagse trektochten of skiën. Met een groot deel van mijn vrienden speelden we elke zaterdag voetbal bij de beroemde Amsterdamse club afc Taba. Nou moet ik toegeven dat dat laatste wel erg sportief klinkt, maar misschien niet altijd de meest gezonde bezigheid van de wereld te noemen is. Daarvoor vierden wij onze overwinningen net iets te uitgebreid met bier en kroketten. Omdat overwinningen niet al te vaak voorkwamen vierden we ook elk gelijkspel met bier en kroketten, terwijl de meeste zaterdagen eindigden met veel bier en kroketten als troost voor de zoveelste nederlaag. Eenmaal in El Bierzo kwam mijn leven in een iets rustiger vaarwater terecht. Bij toeval ontmoette ik vooral mensen wier voornaamste sportieve activiteit leek te bestaan uit het met de auto naar een dorp rijden om daar zo langzaam mogelijk naar het plaatselijk restaurant te wandelen. 

De eerste barst in mijn vooringenomenheid omtrent de sportiviteit van de Spanjaarden ontstond tijdens een dinertje met enkele Berciaanse vrienden. Ze vroegen me of ik van wandelen hield hetgeen ik met een kracht ¡Si! beaamde. ‘Hij is erg sportief,’ beaamde Ana vol trots. ‘Goed zo,’ zeiden de vrienden enthousiast,’ misschien wil je dit voorjaar dan wel meedoen met de Travesía de los Montes Aquilianos, een wandeling vanuit Ponferrada naar de bergtoppen en weer terug; zo’n vijfenzestig kilometer.’ ’¿Vijfenzestig kilometer op één dag?’ vroeg ik verontrust. ‘Er is ook een kortere route van maar vijfenveertig kilometer als je wilt’ zeiden ze geruststellend. Toevallig had ik deze route een paar weken eerder gelopen met mijn vriend Freek. We hadden daar drie dagen over gedaan met overnachtingen in de dorpen Espinoso de Compludo en Peñalba de Santiago en de tocht had ons een pittige prestatie geleken. ‘Ik zal het in overweging nemen,’ antwoordde ik hypocriet. 

Tijdens het joggen langs de rivier El Sil of op de bergrug El Pajariel was me al opgevallen dat sommige medejoggers beduidend sneller renden dan ik. Maar vooroordelen zijn hardnekkig. ‘Vast een professioneel,’ dacht ik dan, of ‘Ja, toen ik zo jong was ging ik ook zo hard.’ Maar dit voorjaar besloot een Engelse collega van me ons beiden in te schrijven voor de hardloopwedstrijd El Pajariel Vertical. Op een zonnige zondagmorgen verzamelden we bij de oever van El Sil en daarvandaan gingen we één voor één om de minuut van start. Op die dag, terwijl ik zwetend het kronkelige paadje naar de top van El Pajariel beklom en ik achter elkaar door Bercianen werd ingehaald die me bij het passeren nog groetten ook (alle Spanjaarden zijn enorm vriendelijk), werd me duidelijk dat mijn mening over de sportiviteit van de Spanjaarden gebaseerd was geweest op een te kleine en niet geheel representatieve steekproef.
Finish El Pajariel Vertical


vrijdag 7 november 2014

Prisoner's dilemma

Als leraar economie leg ik soms aan mijn studenten een onderdeel van de speltheorie uit, het prisoner’s dilemma geheten. Het gaat om een denkbeeldige situatie waarbij twee criminelen die samen een misdaad hebben gepleegd apart van elkaar door justitie verhoord worden. Als geen van beiden praat, krijgen ze een lage straf. De ander aangeven betekent een aanzienlijke strafvermindering, maar aangegeven worden resulteert weer in een hogere straf. Op het bord leg ik het met een voorbeeld uit:



B praat
B praat niet
A praat
Beiden 5 jaar cel
A vrij; B 10 jaar cel
A praat niet
A 10 jaar cel; B vrij
Beiden 1 jaar cel



Wat is de meest waarschijnlijke uitkomst?


Ofschoon niet praten tot de laagste gezamenlijke straf zou leiden, is dit niet de meest waarschijnlijke uitkomst, vooral als de gevangenen elkaar niet vertrouwen. In de economische wetenschap wordt dit model gebruikt om het gedrag van twee grote bedrijven in een markt (een oligopolie) te beschrijven die in een prijzenoorlog verwikkeld kunnen raken. Volgens mij is de prisoner’s dilemma ook van toepassing op het gedrag van de twee grote partijen in de Spaanse politiek: de rechtse PP (Partido Popular) en de linkse PSOE (Partido Socialista Obrero Español), die tegenwoordig soms gekscherend onder één noemer worden gebracht, de PPSOE.

Heel letterlijk lijkt de situatie van Bárcenas, de ex-penningmeester van de PP, op het prisoner’s dilemma. Hij zit nu alweer een tijdje in de cel, nadat er miljoenen euro’s op zijn bankrekeningen in Zwitserland waren aangetroffen. Ik weet niet of ze hem strafvermindering hebben toegezegd, maar een feit is dat Bárcenas besloten heeft te praten. Veel van zijn partijgenoten zullen onderhand wel spijt hebben dat ze hem niet gesteund hebben toe hij werd gesnapt, maar hem integendeel alle schuld probeerden toe te schuiven.

De onderlinge verhouding tussen de twee belangrijkste partijen lijkt ook op die van de criminelen van het prisoner’s dilemma. Nu de ene na de andere corruptiezaak aan het licht komt, verwijten ze elkaar steeds vaker de corruptste partij te zijn,. Veel politici van de PP en de PSOE vermoeden dat ‘die van de andere partij’ achter de aantijgingen in de pers en de justitiële vervolgingen van hun partijgenoten zitten. En het zou me niets verbazen als ze daarin deels gelijk hadden. In Spanje is de scheiding tussen de politieke en de justitiële macht niet erg groot. Veel rechters zijn verbonden aan één van de twee partijen.

We hadden al el caso Gürtel (PP-politici in Valencia en andere deelstaten ontvingen geld en cadeautjes van een vaag conglomeraat van ondernemingen), el caso de los ERE (in Andalusië roofden PSOE-politici en vakbondsbestuurders uit een fonds voor tijdelijk werklozen), el caso Puyol (Puyol is een Catalaanse ex-politicus met verdacht veel geld op buitenlandse rekeningen) en nog vele zaken meer, maar de afgelopen week kwam hier el caso Púnica bij. Met name in Madrid maar ook bijvoorbeeld hier in de provincie León, kregen lokale politici van vooral de PP, maar net zo gemakkelijk een aantal van de PSOE, geld toegeschoven in ruil voor het toewijzen van openbare projecten aan een groot bouwbedrijf. Niets nieuws onder zon, wellicht, maar dit keer lijkt er iets fundamenteels veranderd te zijn. Bij de laatste algemene verkiezingen verkreeg de PP nog 44,6% van de stemmen (en door een vreemde kronkel in het kiessysteem daardoor de absolute meerderheid in het parlement), ondanks dat de caso Gürtel allang bekend was. Dit keer lijken de Spaanse stemmers de corruptie zat te zijn. Bij een verkiezingsenquête kwam de nieuwe groepering Podemos (we kunnen) als grootste partij uit de bus. Natuurlijk is het maar de vraag of er bij echte verkiezingen ook zoveel stemmen zouden gaan naar deze nieuwe partij die nogal wat radicale veranderingen voorstaat. Nieuwe partijen stijgen en dalen nu eenmaal snel op de golven van de proteststemmen. Maar duidelijk is dat er ruimte is voor nieuwe partijen, zowel aan de rechterkant als de linkerkant van het politieke spectrum. Het zou wel eens afgelopen kunnen zijn met de automatische wisseling van macht tussen de PP en de PSOE. De speltheorie geeft het aan: als de twee partijen alles of niets spelen, is de meest waarschijnlijke uitkomst dat beide partijen verliezen.

Luis Bárcenas


dinsdag 28 oktober 2014

De banken

Ik heb de foto nog. Het zijn de jaren ’80. We drinken een pilsje op het terras van Café Zurich in Barcelona. Dan besluit ik mijn gloednieuwe giropas uit te proberen bij de Banco Central aan de overkant van de Ramblas. Dat zal de eerste keer zijn dat ik op straat geld trek uit een automaat die niet aan een Nederlands postkantoor hangt. En het lukt: de pesetabiljetten glijden langzaam uit de gleuf. Vol trots ga ik weer terug naar het terras van Café Zurich via de voetgangerstunnel onder De Ramblas door. Net als ik bovenkom drukt mijn vriend Wybe de foto af. We zien een jongeman (met best veel haar nog) na een geslaagde missie. Nooit meer zou het nodig zijn om met travellercheques in een postkantoor in de rij te staan.

Spanje liep in die tijd voorop wat betreft het bankwezen. Tijdens onze reizen viel het ons op dat zelfs in de kleine bergstadjes bijna altijd wel een geldautomaat voorhanden was. De banken waren alomtegenwoordig. En dat is eigenlijk nog steeds zo. Alleen al hier beneden in de straat, in La Avenida de América, zijn er maar liefst twee banken en drie geldautomaten te vinden. In veel grote winkelstraten, ook die van Ponferrada, domineren de bankgebouwen het straatbeeld. Ondanks de vele fusies is de diversiteit aan banken opvallend.

Het vreemde is dat het in Spanje makkelijker is om geld van mijn Nederlandse rekening op te nemen dan van mijn Spaanse rekening. Met een Spaanse pas moet je altijd goed letten op waar je het geld trekt, anders betaal je (geloof ik) € 3,50 commissie. Terwijl ik met mijn Nederlandse pas waar dan ook in Spanje (en in bijna heel Europa) zonder enige extra kosten geld kan trekken. Een merkwaardig verschil. En het is nota bene dezelfde bank; de ING is ook hier in Spanje actief. Tja, nog steeds bij de ING; ik schaam me er bijna voor het te zeggen. Daar kwam je als oud girogebruiker nu eenmaal vanzelf bij terecht. Ik ben altijd te lui geweest om van bank te wisselen, hoewel daar alle aanleiding toe was. Het toppunt van cynisme was toch wel dat ze Wim Kok, oud-vakbondsleider en ooit socialist, wisten te strikken voor het goedpraten van de perverse bonuscultuur.

Ook hier in Spanje hebben de bankiers zichzelf in de tijden van de economische voorspoed bijzonder goed beloond, niet alleen bij de grote banken, maar ook bij de vele cajas de ahorros: de spaarbanken. Ooit waren dat wellicht kleine banken met sociaal gezicht. Nog steeds organiseert de Caja España af en toe culturele evenementen in Ponferrada. Maar de meeste van deze spaarbanken zijn in de gretige handen gekomen van zichzelf verrijkende bestuurders. Veelal zijn dat representanten van de politieke partijen, de vakbonden en de werkgeversorganisaties. Die vormen het bestuur, al dan niet in coalitievorm. En da’s lang niet altijd goed gegaan.

Zo hebben ze aan veel spaarders preferente obligaties verkocht met de belofte van hogere rentes zonder al te veel risico. Dat risico bleek alleen laag zolang er de financiële luchtbel bleef uitdijen. Vooral veel oudere mensen raakten zo al hun spaarcenten kwijt. Op het ogenblik is vooral de vroegere Caja Madrid in opspraak. Daar hebben de bestuurders (vooral dankzij een coalitie van de regerende Partido Popular en de ooit communistische vakbond Comisiones Obreras) zichzelf gratis betaalpasjes gegeven om lopende kosten mee te dekken, hetgeen alle aanleiding gaf om uitbundig te shoppen bij diverse luxe winkels.

De verwevenheid van de politiek met het (financiële) bedrijfsleven is een ongezonde zaak. De economische en politieke macht moeten zoveel mogelijk gescheiden worden. Politici moeten niet zelf in het bankwezen zitten; ze moeten het bankwezen van buitenaf controleren en reguleren. Wij als oplettende burgers moeten op onze beurt dan weer de politici controleren en reguleren, natuurlijk. Oh ja, en ik moet binnenkort toch maar eens van bank veranderen, ten minste, als dat niet te veel tijd en moeite kost.

dinsdag 30 september 2014

Aangelegde natuur

Als ik hier vanuit het huis van mijn oom in Osdorp uit het raam kijk zie ik dat ze aan de overkant van de vijver aan het werk zijn. De oever wordt afgegraven en in het midden van de vijver wordt een hele rij palen in de modder geramd door een op een wankel bootje balancerende hijskraan. Gisteren liep ik er heen om eens te lezen wat er op het in het park geplaatst bord stond: ‘Hier werkt Amsterdam aan natuurvriendelijke oevers’. De natuur wordt er aangelegd. Zoals heel Nederland is aangelegd. Eén groot park, eigenlijk. Als er ergens natuur verdwijnt vanwege een bouwproject zoals IJburg, dan wordt er elders ‘compensatienatuur’ gecreëerd. Met afkalvende oevers natuurlijk, of met de onvermijdelijke vrij rondlopende oerossen.

Overigens is er in het overvolle Nederland volop fauna aanwezig. Als ik alleen al uit het raam kijk zie ik vanuit de luie stoel zeker een tiental vogelsoorten. In het park aan de overkant struikel je welhaast over de konijnen. Vissers komen helemaal uit Engeland over naar Osdorp omdat hier de karpers te vangen. Alweer een jaar of tien geleden, toen ik zomers nog regelmatig werkte als gids, fietste ik met wat buitenlandse toeristen door de duinen toen ik een vos zag lopen. Ik stopte om de groep te wijzen op deze bijzondere waarneming. De vos kwam naar ons toe en begon te bedelen. Natuur in Nederland.

Hoe anders is de natuurbeleving in El Bierzo. Rond Ponferrada is het landschap rommelig. De stad gaat langzaam over in een woest berglandschap. Bij wandelingen of fietstochten kun je opeens op een illegale vuilnisstort stuiten. Op met de auto bereikbare plekken met een mooi uitzicht op de stad ligt de grond bezaait met lege blikjes, peuken en condooms. Maar zodra je wat verder van de stad verwijderd raakt, wordt het landschap leger. Veel bramen en brem, aangeplante pijnboombossen en soms een eikenbos. Het zit er vol wild. Everzwijnen, reeën, vossen, we hebben zelfs een keer een das gezien. Nog verder van de stad leven beren en wolven. Het is een klein wonder dat al deze dieren de drijfjachten van het najaar overleven. De natuur in El Bierzo wordt nauwelijks beschermd. Datgene wat ruim voorhanden is hoef je niet krampachtig te behouden. Geen hekjes rond het bos. Nee, er wordt volop gejaagd, de paddenstoelen en bosvruchten worden geplukt, op de modderpaden wordt gecrost met motoren. Een populierenbos langs een beek waar je in het voorjaar de wielewalen hoorde zingen, blijkt een jaar later te zijn omgehakt omdat het hout oogstrijp is. Bij langdurig droog weer zijn er altijd wel weer gekken die een berg in de fik steken. Gewoon, voor de kick.

De natuur in El Bierzo is gebruiksnatuur. Al van oudsher. De Romeinen delfden goud en spoelden een hele berg weg waar de goudaders in verborgen zaten. De weggespoelde berg en de overblijfselen van de kanaaltjes waarmee het water vanuit het hooggebergte werd aangevoerd zijn nu belangrijke historische monumenten: Las Medulas. Vlakbij dit moment ontsiert een moderne grote steengroeve het landschap. Bij een fietstocht op de mountainbike door de heuvels tussen Molinaseca en Bembibre kwam ik opeens uit op een open steenkoolgroeve. Een gapend zwart gat in de groene natuur. Toch fascinerend mooi. Op veel heuveltoppen staan windturbines. Felle discussies tussen vogelbeschermers en voorstanders van groene energie, normaalgesproken bondgenoten, vonden plaats over de impact van deze turbines op de populatie auerhoenen in de Berciaanse bossen. Langzamerhand begint ook in Spanje het bewustzijn te groeien dat natuur eindig is, ook al is het nog zo ruim voorhanden.

Ik werp weer een blik door het raam om te kijken of het wat wil vlotten met de natuurvriendelijke oevers. De futen, meerkoeten, waterhoenen, kuifeenden blauwe reigers en aalscholvers lijken geduldig te wachten tot ze eindelijk eens ophouden met die de rust verstorende werkzaamheden.

december 2012

Destijds vergeten dit te plaatsen. Kan nog steeds, zeker nu ik weer even in Amsterdam ben. De aangelegde natuur floreert. Ik heb nu ook zo'n mobiele telefoon met van aller er op en er aan, die iets betere foto's neemt. Leve de vooruitgang.

september 2014
 december 2012

september 2014