Posts tonen met het label el guiri. Alle posts tonen
Posts tonen met het label el guiri. Alle posts tonen

vrijdag 14 oktober 2016

Onrust op El Pajariel

De laatste jaren lijkt het alsof de zomer zich uitstrekt tot half oktober. Afgelopen weekeinde was het werkelijk heerlijk weer. Het zonnetje scheen zonder dat dat leidde tot de ondraaglijke hitte die we deze zomer beleefden. Dat vroeg natuurlijk om buitenactiviteiten. De zaterdagochtend is traditiegetrouw voor de markt, een terras en uitgebreid koken. Zaterdagmiddag pakte ik de mountainbike en reed een mooie route waarbij ik deze foto maakte:


We kijken vanaf El Pajariel, de kleine bergrug die van de Montes Aquilianes naar Ponferrada loopt, in de zuidwestelijke richting. Onderaan zien we nog net wat huisjes van het dorp Toral de Merayo. Het is volkomen windstil; er heerst een absolute rust. Het ruikt naar bergkruiden en dennen.

De zondagmorgen schreeuwde om meer buitenactiviteiten. Dit keer ging ik te voet. Mijn plan was om te rennen in de richting van Toral de Merayo tot ik zou aankomen bij een klein paadje naar boven, te steil om te rennen, dat via een puinhelling en een jong eikenbos naar de top van El Pajariel leidt. Op zondagmorgen is het druk bij El Pajariel; vooral als het mooi weer is. Overal waren wandelaars, mensen met kinderen op fietsen, renners. Er heerste bijna een campingsfeer. Althans, totdat ik begon te rennen richting Toral de Morayo. Mijn paadje naar boven bleek te zijn afgesloten met een lint waaraan een tekening van een wild zwijn bungelde. Ook alle andere paden omhoog of omlaag naar de rivier waren afgesloten. Overal op het pad stonden auto’s. Er klonk geblaf, geschreeuw en schoten. Ik hoorde een wild zwijn in doodsangst of pijn krijsen. Op dat moment haatte ik de jacht.

Normaal gesproken ben ik niet zo fanatiek. Als ik in een restaurant wild zwijn of hert op het menu zie staan, neem ik het wel eens, juist omdat het uitgesproken scharrelvlees is, en niet, zoals zo vaak, afkomstig van beesten die hun leven lang gemarteld zijn om maar zo snel mogelijk te groeien. Hier in El Bierzo, en eigenlijk overal in Spanje, hoort de jacht bij het normale dorpsleven. Een paar jaar geleden, toen ik regelmatig in het hospitaal op ziektebezoek was, liet een familielid van één de andere patiënten vol trots een foto rondgaan van hemzelf, wat vrienden en wel 20 dode everzwijnen op een rij op de grond. ‘¿Wat gaan jullie doen met al dat vlees?’ vroeg ik toen, waarop hij me wantrouwig aankeek. ‘Daar heb je weer zo’n stadse natuurliefhebber,’ leek hij te denken, terwijl ik eigenlijk alleen maar nieuwsgierig was.

In Spanje gaat men veel gemakkelijker met de dood om, althans als het om dieren gaat. Niet alleen van het doden van een stier wordt een feest gemaakt (hoewel niet hier in El Bierzo), maar zo ook van het slachten van een varken. La matanza, noemen ze dat. Een student van mij vertelde dat hij als klein jochie bij de slacht aanwezig was en dat zijn gezicht met het bloed van het beest besmeurd werd als een soort inwijdingsrite. Hij klonk nog steeds licht getraumatiseerd.

En al rennende over het enige pad dat niet was afgesloten, ging ik door me te ergeren. Is dit allemaal wel legaal? Mogen ze wel zomaar een hele bergrug zo vlak bij de stad aflsuiten? En waarom moet dat op een zondagmorgen als iedereen van de natuur genieten wil? Wat een tegenstelling, die kinderen op een kindermountainbikeje en die woeste mannen met geweren. Waarom doen ze dit niet op een regenachtige maandagmorgen. Kijk ze nou eens staan wachten tot de honden een zwijn hun kant opjagen om dan op hun gemak aan te leggen. Is dat nou sport?

Toen besloot ik rechtsomkeert te maken. De dag was te mooi voor ergernissen. Het was de hoogste tijd voor een aperitiefje op een terras.

vrijdag 10 juli 2015

De Grote Burgemeester

Dat hij in Amsterdam ook wel De Grote Burgemeester genoemd werd kwam door mijn vogelgidsje. Tijdens een zeiltocht op het IJsselmeer hadden mijn vrienden het boekje in handen gekregen en zich vrolijk gemaakt over bepaalde vogelnamen: de krakeend, de middelste zaagbek, de kleine trap, de ruigpootbuizerd en dus ook de grote burgemeester, de naam van een meeuwensoort die vooral langs de Scandinavische kust voorkomt. Toen ik een paar weken later in een Amsterdams café een naar Nederlandse begrippen klein gezet mannetje met een snor aan hen voorstelde met de woorden: Dit is Jamín; hij is een Spaanse burgemeester’ was de bijnaam al snel geboren.

Ik had hem een paar jaar daarvoor hier in El Bierzo ontmoet. Dat moet ergens in de jaren 80 zijn geweest, toen ik tijdens interrailvakanties regelmatig een bezoek bracht aan mijn huidige vrouw, toen nog een goede vriendin. In die tijd overkwamen me in Spanje de meest onverwachte dingen, omdat ik op een met voldoende enthousiasme gebracht voorstel soms ´ja’ antwoordde zonder werkelijk te begrijpen wat het nu eigenlijk precies inhield en op het moment dat ik dat wel doorhad het me aan taalvaardigheid ontbrak om met redelijke argumenten het voorstel alsnog af te wijzen. Zo kwam ik na een nacht te hebben doorgebracht in zijn logeerbed met uitzicht op een benzinestation in zijn landrover terecht. We reden dwars door het ruige berggebied van de Montes Aquilianos dat ik nu zo goed ken. De exacte route kan ik niet reconstrueren en vaak vraag ik me af waar het restaurantje was waar we zo heerlijk aten en als schooljongens met de serveerster flirtten. Aan het eind van de dag stopte hij ergens langs de weg en zei: ‘Si quieres podemos volver aquí esta noche para cazar unos jabalís.’ Omdat hij deze woorden gepaard liet gaan met het gebaar van het overhalen van een trekker, ging ik dit keer niet direct op het met enthousiasme gebrachte voorstel in. ‘¿Jabalís?’ vroeg ik voorzichtig. ‘Wilde varkens’ verduidelijkte hij. ‘We leggen wat voedsel neer en dan zetten we plots de koplampen aan; je kunt niet missen.’ In mijn beste Spaans vertelde ik hem dat ik een beetje moe was en stelde ik voor om de geslaagde dag af te sluiten met wat pilsjes. Daar was hij gelukkig helemaal voor in.

Een paar jaar later kwam hij naar Amsterdam vanwege een Europees mijnbouwcongres. Het officiële avondprogramma liet hij graag aan zich voorbij gaan om met mij en mijn vrienden de stad in te gaan. Zo raakten we verzeild in een eetcafé op De Overtoom. Hij had, zoals dat heet, zijn ogen bepaald niet in zijn zak en de schoonheid van een Amsterdamse dame die aan dezelfde tafel als wij een pilsje zat te drinken was hem niet ontgaan. ‘Zeg haar dat ze hele mooie ogen heeft,’ zei hij. Ik keerde me naar het meisje toe en constateerde dat haar ogen niet haar meest opvallende uiterlijke kenmerken waren. Toen ik mij weer tot hem keerde om dat op mijn beste Spaans tegen hem te zeggen, zag ik hij het zelf was die speciale ogen had. Ze glinsterden vol brutale ondeugd.

Wat doe je in Amsterdam als je bezoek krijgt van een burgemeester uit El Bierzo die je dwars door de bergen heeft meegenomen in zijn landrover en je heeft voorgesteld ’s nachts everzwijnen te jagen? Die neem je achterop de fiets. We fietsten van het eetcafé op de Overtoom naar een feest van vrienden van me ergens op de Zeedijk. Mijn twee zeilvrienden reden achter me en ik hoorde ergens in de Marnixstraat op giechelende wijze de bijnaam ontstaan: ‘Ik geloof dat de Grote Burgemeester het uitstekend naar zijn zin heeft.’ Alsof het gewoonste zaak van de wereld was, reden we dwars over De Dam, terwijl ik zo nonchalant mogelijk toeristische informatie gaf: ‘Dat is het paleis, ooit gebouwd als stadhuis: het fundament bestaat uit 13.659 houten palen om te voorkomen dat het wegzakt.’ (In die jaren werkte ik zomers regelmatig als gids). Natuurlijk gingen we ook over de wallen, ja, ook door een paar smalle straatjes tussen de echte wallen in. En ik ging door met mijn toeristische informatie: ‘Het oudste beroep van de wereld wordt hier uitgeoefend rond de oudste kerk van Amsterdam daterend uit de 14e eeuw’. Toen we op de Zeedijk waren aangekomen (‘ooit een dijk om Amsterdam te beschermen tegen de woeste golven van de zee’), zag ik aan zijn glinsterende ogen hoezeer hij van de fietsrit genoten had.

Sinds ik hier in El Bierzo woon heb ik hem nog maar één keer werkelijk gesproken. We hadden afgesproken in een dorpskroeg ergens halverwege Ponferrada en zijn dorp. Hij was nog steeds burgemeester en levensgenieter, maar de glinstering in zijn ogen leek wat gedoofd. We vertelden over ons leven; hij over de problemen in het dorp waar veel mijnen gesloten werden. Een keer waren milieuactivisten uit de stad León voor een vergadering naar zijn dorp gekomen en wat dacht je, toen ze het café uitkwamen bleek dat de dorpsjeugd de banden van hun auto’s had lek gestoken. Toen hij dat vertelde fonkelden zijn ogen weer ouderwets vol ondeugd. ‘Maar Jamín, ¿heb jij die jongens......?’ Hij gaf geen antwoord, maar liep naar de bar en bestelde nog wat pilsjes.

Nog één keer daarna kwamen we hem tegen, maar dat was bij toeval. Het was in het overdekte winkelcentrum van Ponferrada, normaal gesproken een plek die ik probeer te mijden, maar in de periodes van de rebajas (uitverkoop) kun je er voor een prikkie je hele garderobe vervangen. Hij stond met zijn vrouw op de roltrap naar beneden; wij op de roltrap naar boven en we zwaaiden naar elkaar. Ik herkende hem haast niet zonder zijn zo kenmerkende snor. Bovendien was hij in zo’n modern winkelcentrum helemaal niet op zijn plaats (stiekem hoopte ik dat hij hetzelfde van mij zou denken) en leek hij plots zoveel op een naar de stad verhuisde oudere dorpeling (un paisano, zeggen ze hier). Misschien was hij in het moderne Spanje sowieso niet meer op z’n plaats. In enkele dorpen vind je nog wel burgemeesters als hij: ze wisselen net zo gemakkelijk van politieke partij als van broek om maar aan de macht te blijven en zijn bereid de grenzen van de wet en het fatsoen op te zoeken om de belangen van de dorpelingen te beschermen. Het is een uitstervend ras, denk ik, vanwege de leegloop van de dorpen en de misschien wel broodnodige bestuurlijke vernieuwingen. Maar met die vaak wat excentrieke burgemeesters gaat ook een zekere romantiek en pittoreskheid verloren.

Een paar maanden geleden ontvingen we een telefoontje van hem. Hij sprak wartaal en leek dronken. Waarschijnlijk waren het de medicijnen die hem parten speelden. Het gesprek vlotte totaal niet, en op onze vraag of alles wel goed met hem was antwoordde hij alleen maar: ‘Het is wel eens beter met me gegaan.’ Dat dit telefoongesprek zijn afscheid van ons was, beseften we pas toen we een paar weken later in El Diario de León zijn overlijdensbericht lazen. De Grote Burgemeester is niet meer.


dinsdag 16 juni 2015

Poepen in Ponferrada

Al vele malen heb ik in dit blog geschreven over de culinaire verschillen tussen Spanje en Nederland, maar nog nooit over de substantie waarin al ons eten onvermijdelijk verandert en over het probleem waar deze substantie te laten.  Het moment is daar om een eind te maken aan deze omissie.

Er lijkt niet zoiets te bestaan als een faecale cultuur in Europa. We voelen ons niet Nederlands, Spaans of Berciaans vanwege de manier waarop we poepen. Waar loftuitingen over nationale of regionale gerechten vaak uitbundig zijn (Oh, de Nederlandse haring. Oei, de botillo uit El Bierzo), wordt over de excrementen voornamelijk gezwegen. Dat is waarschijnlijk omdat de textuur en de geur ons afschuw inboezemen en vooral omdat het digestieve proces de aanvankelijke verschillen drastisch vermindert. Poep en voedsel verhouden zich tot elkaar als het leven en de dood; op het moment van verscheiden zijn we allen gelijk.

Toch kan men als reiziger verschillen in poepcultuur bespeuren. In China bezocht ik de hutongs, de oude wijken van Beijing, waar ik het niet kon laten een plas te plegen in de daar gebruikelijke gemeenschappelijke toiletten. Er zaten diverse mannen uitgebreid te poepen terwijl ze de krant aan het lezen waren, waaruit ze verbaasd opkeken toen ze daar een guiri zagen binnenkomen.  Frankrijk is misschien wel het Europese land met de meest afwijkende poepcultuur. Daar worden voetstaptoiletten gebruikt: een gat met aan twee kanten een kleine verhoging waar je je voeten op moet zetten en dan maar hurken en hopen dat alles in het gat en niet in de om je enkels bungelende broek valt.

Enkele verschillen in de poepcultuur tussen Nederland en El Bierzo kunnen hier niet onvermeld blijven.  In de oudere Nederlandse wijken bevinden de toiletten over het algemeen niet in dezelfde ruimte als de douches, zoals in Spanje bijna altijd het geval is. Ik geloof niet dat dat echt gepland is door de Nederlanders. Tot de jaren vijftig waren er veel huizen zonder douches en bij de renovaties plaatsten ze die waar er maar ruimte was; op de plek van een rommelkast bijvoorbeeld. Er kleven zeker voordelen aan de scheiding van sanitaire voorzieningen. Het voorkomt bijvoorbeeld filevorming in de morgen. Al moet ik zeggen dat het soms best prettig is om direct vanuit de toiletpot naar de douche te kunnen gaan zonder sociale contacten te moeten aangaan in de tussenhal.

Een ander verschil is dat we  In Nederland vooral het plateautoilet gebruiken. De excrementen vallen op een plateau waar ze liggen te stinken tot je ze doortrekt. Hier in Spanje vallen de excrementen direct in het water, wat soms resulteert in een plons en natte billen. De Spaanse methode is wellicht wat hygiënischer omdat de toiletten gemakkelijker schoon te houden zijn. Het voordeel van de Nederlandse methode is dat de productie nauwkeurig geïnspecteerd kan worden op onvolkomenheden. Volgens mij verdringen ook in Nederland de plonstoiletten steeds meer de plateautoiletten. Deze laatste zullen het volgende slachtoffer worden van de globalisering die maakt dat we op de hele wereld op dezelfde manier poepen.

Ik geloof dat ik hiermee wel zo’n beetje alles heb gezegd over dit onderwerp. Ik hoop dat het niet al te puberachtig is overgekomen, maar laten we wel wezen, poepen is iets wat de reiziger eigenlijk altijd bezig houdt. Ik wil bij deze de lezers van dit blog van harte uitnodigen om eens naar El Bierzo te komen om te genieten van de culinaire en faecale cultuur. We hebben hier enkele heerlijke uitgebreide regionale gerechten die het water van je billen zullen doen druipen.

Botillo

zaterdag 22 maart 2014

Lekker lurken

Wat het leven van de Nederlandse guiri (scheldnaam voor de typische toerist) in El Bierzo veraangenaamt is dat bijna alle verse levensmiddelen hier van betere kwaliteit zijn. Goed, sommige lekkernijen zijn niet te krijgen, zoals haring, zuurkool en boerenkool, en daar eet ik me tijdens mijn bezoeken aan Nederland dan ook volkomen ongans aan. Maar neem bijvoorbeeld vis en andere zeedieren. Elke supermarkt hier in Ponferrada heeft een visafdeling met een variëteit die je in Amsterdam alleen bij de speciaalzaken of hoogstens op de Albert Cuyp markt aantreft. Hetzelfde geldt voor het vlees en de vleeswaren. Menig Nederlandse slager zou jaloers zijn op het assortiment van een simpele buurtsuper als El Árbol. Ook de groenten en het fruit zijn van betere kwaliteit, althans, over het algemeen. Dat kwaliteitsverschil komt misschien door het betere klimaat, of doordat er in Spanje voldoende ruimte is om op een extensieve manier veeteelt te bedrijven. Maar volgens mij komt het vooral doordat veel Spaanse consumenten enorm kwaliteitbewust zijn. Van zoiets simpels als bijvoorbeeld kikkererwten of witte bonen willen zij weten uit welke streek ze komen en welke variëteit het betreft. Van vlees en vis willen zij weten waar en hoe het gekweekt of gevangen is of zelfs, zoals bij de beroemde jamón iberico, wat het beest gegeten heeft.

Is er dan echt niets dat beter is in Nederland? Veel Spanjaarden zullen denken dat ik dan kaas zal noemen. Maar nee. Ik vind de Spaanse kazen lekkerder en gevarieerder dan de ietwat saaie Nederlandse Gouda- en Edammerkazen. Vroeger kon ik tijdens mijn vakanties in Spanje nog wel eens hartstochtelijk verlangen naar een lekkere bruine volkorenboterham. In Spanje was over het algemeen alleen wit stokbrood voorhanden, dat op zich wel verser en van betere kwaliteit was dan het Nederlandse wittebrood. Maar tegenwoordig kan ik desgewenst bij de bakker volkorenspitz of brood met krenten en noten krijgen. ‘Maar onze melk is toch zeker wel beter?’ zullen sommige Nederlandse lezers zich nu vertwijfeld afvragen. De meeste Spanjaarden drinken alleen gekookte melk, het liefst met koekjes erin gedoopt. Zij gebruiken daarvoor gesteriliseerde melk. Die is zo gesteriliseerd dat je de melk niet eens in de koelkast hoeft te zetten. Maar je drinkt niet voor je plezier een glas eeuwig houdbare melk. Ook dat verandert. Tegenwoordig kun je in de koeling van de supermarkten nu ook de gepasteuriseerde melk kopen, net nu ik het drinken van melk bijna ontwend ben.

Er is eigenlijk maar één levensmiddel dat in Nederland echt beter is dan in Spanje. Het is het kraanwater. Aan het kraanwater zit een smaakje. Een chloorsmaakje. Als het net uit de kraan komt, is het water troebel. Als mensen kraanwater bij het eten serveren, dan zorgen ze ervoor dat het water al ver van tevoren in een kan is ingeschonken, zodat de troebelheid kan bezinken. Sterk gekoeld is de vieze smaak minder merkbaar. Soms gooien we stukjes citroen in het water, om de smaak maar te verhullen. Sommigen rijden naar de bronnen die hier vlakbij in de bergen voorhanden zijn en sjouwen grote plastic flessen vol bronwater naar de auto. De meeste mensen kopen flessen bronwater in de supermarkt.

Eigenlijk is er geen reden voor de slechte kwaliteit van het drinkwater in Ponferrada. Het water uit de rivier de Sil wordt hier opgevangen in een enorm stuwmeer en dat wordt gebruikt voor het kraanwater. Het oppervlaktewater kan hier niet van slechtere kwaliteit zijn dan het Rijnwater in Nederland, dat zo’n lange weg heeft afgelegd langs één van de dichtstbevolkte en meest geïndustrialiseerde gebieden van Europa. Met een kleine investering moet het mogelijk zijn kraanwater van prima kwaliteit te leveren. De voordelen zijn groot. Als alle inwoners van Ponferrada de door de specialisten aangeraden twee liter water per dag uit plastic flessen drinken, dan levert dat een afvalberg op van: 68.000 inwoners x 2 flessen x 365 dagen = 49.640.000 flessen per jaar. Best veel. Beter kraanwater kan dus een flinke berg afval voorkomen, hoewel gezegd moet worden dat ook in Nederland sommige mensen de plastic flesjes prefereren boven het kraanwater. Maar ik niet hoor. Ik kijk nu al uit naar mijn volgende reis naar Nederland. Lekker lurken uit de kraan.


maandag 23 december 2013

Zich voortbewegen als een slang

Het is een koude dag in november. Ik loop langs het Kasteel van Ponferrada in de richting van de brug over de rivier El Sil. Het is al donker. Het duurt nog een minuut of twintig voor mijn volgende Engelse les begint; ik kan lekker langzaam lopen. Hoe ging de conversatieles die ik net gegeven heb? Best aardig, vind ik zelf. Als gespreksthema gebruikte ik een artikel over de laatste PISA-test, waarbij de onderwijsprestaties in verschillende landen met elkaar vergeleken worden. Dat zou voor een leraar Natuurwetenschappen interessant moeten zijn. En dat bleek inderdaad het geval. We praatten uitgebreid over de onderwijssystemen in Nederland en Spanje. In Spanje blijven leerlingen van alle niveaus tot hun 16e bij elkaar in de klas. Pas daarna wordt er een eerste keuze gemaakt tussen een beroepsopleiding of een vooropleiding voor de universiteit. In Nederland wordt veel eerder op niveau geselecteerd. Dat is gemakkelijker voor de leraar, maar is het ook goed voor het onderwijs? Het leek mijn cursist een goed idee. Een klas met leerlingen van gelijk niveau moet wel gemakkelijker te hanteren zijn. Hij wees me ook op een opvallend verschijnsel. Hij had zowel lesgegeven in Andalusië (Zuid-Spanje) als in Castilla-León, met exact hetzelfde systeem en dezelfde boeken. Toch zijn de resultaten van de PISA-test in beide streken enorm verschillend. Castilla-León doet niet onder voor het Europese gemiddelde, terwijl Andalusië daar ver onder zit. ‘Volgens mij ligt het aan de cultureel-historische en economische verschillen’, legde hij uit. ‘In Andalusië kwam de algemene alfabetisering pas laat op gang. Dat is voor het niveau veel belangrijker dan welk onderwijssysteem je hanteert.’ Ik was het met hem eens.

Het is precies zeven uur als ik bij mijn tweede cursist van deze avond aanbel. Dit is een meisje van 12 jaar met een behoorlijk niveau Engels. We nemen plaats aan een tafeltje in haar slaapkamer en beginnen een conversatie. Ik vraag haar welke schoolvakken zij leuk vindt. Nou, Engels natuurlijk, maar ook laat zij mij vol enthousiasme haar leerboeken van de andere vakken zien. Scheikunde bijvoorbeeld. ‘Kijk, dit moet ik weten,’ zegt ze. Ik zie een pagina vol tekeningen van bizar gevormde flesjes waarvan zij geacht wordt alle namen uit het hoofd te leren. ‘Hoe heet deze fles dan?’ vraag ik. Ze zegt een ingewikkeld Spaans woord dat ik onmiddellijk vergeet. In Spanje lijkt het onderwijs veel meer gericht te zijn op het uit het hoofd leren van feitenkennis dan in Nederland, waar het probleemoplossend denken zo in de mode is. Ik heb in Spanje cursisten gehad die nauwelijks in staat waren een Engelse conversatie te voeren, maar wel alle grammaticale testen zonder enige fout wisten te maken. Nou, dit meisje heeft mazzel, want ze heeft een wel hele progressieve Nederlandse leraar Engels aangetroffen; zo eentje die probeert aan te sluiten bij de leefwereld van de leerling en gebruik maakt van de allernieuwste snufjes op het gebied van de sociale media. ‘Heb je de videolink bekeken die ik je heb gemaild?’, vraag ik. Ze knikt. ‘Vond je het interessant?’ Ze schudt haar hoofd. Ik slik een lichte teleurstelling weg. Ik had voor haar een link uitgezocht naar de BBC Learning English getiteld Pink Pipes in Berlin, waarbij een nieuwslezer eerst enkele woorden introduceert (snaking, swamp, constuction site, in the pipeline) en daarna heel langzaam en duidelijk articulerend een eenvoudig nieuwsitem over roze geverfde buizen in Berlijn voorleest. ‘Heb je de vragen gemaakt?’ vraag ik. ‘Ja, maar ik vond ze een beetje stom,’ antwoordt ze. ‘Laten we er toch maar eens naar kijken. Wat is een swamp? Ze leest een lange zin op die moeilijk te verstaan is, maar waarin ik de woorden tent, Hawkeye en Trapper herken. De tent van Hawkeye en Trapper in de televisieserie MASH, waar ik vroeger wel naar keek, heette inderdaad The Swamp, maar dat kan dit jonge Spaanse meisje toch niet weten. Nadat ik haar heb uitgelegd wat de meer gebruikelijke betekenis van het woord is, gaan we over tot de tweede vraag: Wat is snaking? Alweer komt ze met een antwoord waar ik niet veel van versta, maar waarin ik even denk het woord fellatio the herkennen. ‘Eh kun je dat nog eens voorlezen?’ Dezelfde zin, nu iets duidelijker, maar nog steeds zonder dat ik er een touw aan kan vastknopen, behalve dan dat woord fellatio. ‘Mag ik eens lezen wat je hebt opgeschreven?’ Ze geeft me haar blad papier en ik lees.’Snaking is when a female (or male) performs fellatio on a group of men consecutively, then immediately repeats the process in reverse order.’ ‘Waar heb je dit gevonden?’ ‘Oh, op internet, maar ik begrijp er niet veel van.’ (Blijkt later een definitie uit de UrbanDictionary te zijn) Voorzichtig zeg ik: ‘Het is niet helemaal de gebruikelijke betekenis. Snaking is het zich voortbewegen als een slang.’ Met mijn arm doe ik de slingerende beweging na. Snel ga ik door met het behandelen van de volgende vraag: Waarom zijn de buizen in Berlijn roze geverfd? Als we klaar zijn zet ze, zoals altijd, een grote groene krul achter haar werk, pakt een multomap van de boekenplank, stopt het papier achter de andere oefeningen die we dit najaar behandeld hebben en zet de multomap terug. Ongerust volg ik haar bewegingen. Zou iemand dat gaan lezen? Haar leraar Engels op school bijvoorbeeld? Of één van haar ouders? En zou dat hun mening over de Nederlandse onderwijsmethodes nadelig kunnen beïnvloeden?

Na de les loop ik naar de huiskamer waar haar moeder zit te lezen. ‘¿En, hoe ging het? ¿Heeft ze wat geleerd?’ ‘Ik geloof het wel’, antwoord ik, ‘ze spreekt al heel goed Engels, maar misschien is de aanschaf van een goed Engels-Engels woordenboek het overwegen waard.’


zaterdag 26 oktober 2013

Ongezond

Het afgelopen jaar heb ik best veel tijd doorgebracht in wachtkamers van ziekenhuizen, klinieken, en dokterspraktijken. Dat was niet altijd vanwege mijn eigen gezondheidstoestand. Zowel in Spanje als in Nederland kampten familieleden met diverse gezondheidsklachten en moesten sommigen worden opgenomen in het ziekenhuis. Soms lijkt zoiets te heersen. Wat bij mij alleen maar is toegenomen is het respect voor de meeste mensen die in de gezondheidssector werkzaam zijn, en dan met name de verplegers en verpleegsters. Onder zware omstandigheden met ongeduldige patiënten, overvolle wachtzalen en andere consequenties van de bezuinigingen op de gezondheidszorg weten zij over het algemeen hun geduld, professionaliteit, humor  en menselijkheid te bewaren. Chapeau!

Zelf had ik het afgelopen voorjaar last van een vervelend zeurend pijntje op een verdachte plek. Mijn huisarts in Ponferrada nam geen risico en verwees me direct door naar een specialist in het openbare ziekenhuis. Al vrij snel had ik een afspraak met deze specialist en hij constateerde dat het allemaal niet zo erg was als ik aanvankelijk vreesde. ‘Maar voor de zekerheid gaan we foto’s laten maken,’ zei hij. Hij gaf me een papiertje waarmee ik me naar een loket op de eerste verdieping moest begeven en daar maakten ze een afspraak bij radiografie voor eind juni. Had was nog maar net maart. Ik dacht dat het een foutje was, maar ze verzekerden me dat zo´n lange wachttijd normaal is en wezen me er op dat de dokter niet het woord ‘urgente’ of ‘preferente’ op het papiertje had aangekruist. Drie maanden later bleek de specialist daar gelukkig gelijk in te hebben.

Daarna begonnen mijn schoonouders ernstige problemen te krijgen. Zonder al te veel in details te treden; we waren er allemaal van overtuigd dat zij zo spoedig mogelijk naar verschillende specialisten moesten vanwege ondraaglijke pijn bij de één en bijzonder veel ongemak en verzwakking bij de ander. De huisarts verwees mijn schoonvader naar een specialist in het openbare ziekenhuis, waar hij pas vijf weken later aan de beurt zou zijn. Vanwege de pijn en de bezorgdheid wilden wij niet zo lang wachten en gingen wij naar de privékliniek om zodoende, tegen betaling vanzelfsprekend, de wachtlijst te vermijden. Daar kon hij de volgende dag al terecht, maar vreemd genoeg sprak hij daar met dezelfde dokter als die waarmee hij weken later een afspraak had in het openbare ziekenhuis.

Hier kijkt niemand er vreemd van op dat medische specialisten ‘s morgens als ambtenaar in het openbare ziekenhuis werken en in de namiddag bijklussen als eigen ondernemer in de privékliniek. Het is een systeem dat haast wel moet leiden tot misbruik vanwege de overduidelijke belangenverstrengeling. Ook in dit geval. De zeer dure medicijnen die de dokter als privéarts voorschreef werden niet vergoed door de Spaanse versie van het ziekenfonds. Hij zei ons dat we de volgende morgen dan maar naar het ziekenhuis moesten komen voor wat officiële stempels. Omdat ik die maand nog niet zoveel privécursisten had ging ik de volgende dag in het ziekenhuis op zoek naar de arts, die ik aantrof toen hij zijn ronde langs de bedden aan het doen was. ‘Volg me,’ zei hij me. Hij leidde me door het labyrint van gangen naar een overvolle wachtzaal. ‘Wacht hier,’ fluisterde hij en verdween achter een deur waar collega’s van hem de patiënten ontvingen. Even later kwam hij terug met het doktersrecept, dit keer voorzien van alle officiële stempels, die hij me overhandigde op een stille plek op één van de gangen.

Ook mijn schoonmoeder kreeg bij de privékliniek te maken met een specialist die tevens in het openbare ziekenhuis werkzaam was. Deze vond dat ze zo spoedig mogelijk een nader onderzoek nodig had die het best in het openbare ziekenhuis zou kunnen plaatsvinden omdat daar de medische apparatuur aanwezig was. Doodleuk zei hij: ‘Trek je maar niets aan van de wachtlijst, kom overmorgen maar naar mijn praktijk in het ziekenhuis; dan regelen we het allemaal.’

Dit is toch wel een ongezonde situatie. Het kan toch niet zo zijn dat iemand met pijn en levensangst gedwongen wordt mee te doen aan deze corruptie (want dat is het natuurlijk) die veroorzaakt wordt door een kwalijke mengeling van de publieke sector met de privésector. Het zou volgens mij verboden moeten zijn dat doktoren ’s morgens als ambtenaar werken en ’s middags hun privépraktijk runnen. 




vrijdag 27 september 2013

Parallelle werelden

Soms zou je wel willen dat er parallelle werelden waren waar je tussen heen en weer kon reizen, gewoon om eens te zien hoe een andere beslissing zou hebben uitgepakt. Van de wereld waar je ‘ja’ hebt geantwoord naar een wereld waar je ‘nee’ hebt gezegd. Van de wereld waar je op die splitsing rechtsaf bent gegaan naar een wereld waar je linksaf bent geslagen. Van een Europa waar Merkeliaanse bezuinigingen de boventoon voeren naar een Europa met een Keynesiaans stimuleringsbeleid. En heel sterk voelde ik de behoefte te kunnen reizen tussen parallelle werelden op een maandagmorgen in A Coruña, toen ik in een café de krant ABC las over de toewijzing van de Olympische Spelen van 2020 aan Tokio in plaats van aan Madrid.

Terwijl ik daar wachtte op mijn café con leche, telde ik het aantal pagina’s vol verontwaardiging dat aan de afwijzing van Madrid gewijd was. Dat waren er zeker 25. Alle columnisten waren het erover eens: het ontbreekt de IOC aan transparantie; het is lang niet altijd de beste kandidaat die de Olympische Spelen krijgt toegewezen; de uitverkiezing is een loterij met een zweem van corruptie. En toen werd ik toch wel heel erg benieuwd naar die parallelle wereld waarin Madrid de Olympische Spelen toegewezen had gekregen en het ABC daaraan waarschijnlijk nog veel meer dan 25 pagina’s gewijd zou hebben met columns die, naar ik vermoed, al van tevoren geschreven waren in de zekerheid dat drie keer op een rij afgewezen worden wel heel erg onwaarschijnlijk zou zijn. Op de één of andere manier had ik niet de indruk dat de krant dan vol zou staan met relativerende opmerkingen zoals: Madrid heeft dan wel gewonnen, maar dat zegt helemaal niets, want het is allemaal maar een loterij met een zweem van corruptie en bovendien is de IOC volkomen intransparant. Ik had een donkerbruin vermoeden dat deze conservatieve, regeringsgetrouwe krant in de toewijzing een bewijs zou hebben gezien dat, dankzij het bezuinigingsbeleid van Rajoy, het vertrouwen in Spanje hersteld is, niet alleen op de financiële markten, maar nu ook binnen de internationale sportgemeenschap.

De meer progressieve media waren vooral kritisch naar Spanje zelf. De afwijzing zou wellicht te wijten zijn aan de de dopingschandalen, de slechte vooruitzichten van de economie en natuurlijk de corruptieschandalen waarin de regeringspartij verwikkeld is. Ach, was het maar waar dat de IOC zich door morele waarden liet leiden. Ook circuleerden er in de sociale media berichten over het wanhopige Engels van de burgemeester van Madrid, Ana Botella, de vrouw van ex-president Aznar, die nu ook wel gekscherend Annie Bottle wordt genoemd (botella = fles). Toen ik in Ponferrada weer een computer met internetaansluiting tot mijn beschikking had, zocht ik verlekkerd naar haar zoveel geparodieerde toespraak aan de leden van de IOC. Eigenlijk was de toespraak minder erg dan ik dacht. Goed, ze heeft een bijzonder zwaar accent, maar wie ben ik om daar wat over te zeggen. Ze lijkt ze ook niet helemaal te weten wat ze zegt en haar mimiek en intonatie zijn ronduit vreselijk (enfin: kijk zelf maar HIER). Maar de tekst vond ik eigenlijk dik in orde; vast voor veel geld geschreven door één of andere Engelstalige marketingdeskundige. Waar de meeste Spanjaarden over vielen waren de woorden: a relaxing cup of café con leche in Plaza Mayor. Dat werd werkelijk overal geparodieerd. Ik hoorde het de mensen op de terrassen in Ponferrada napraten, zonder dat ik het idee had dat hun Engels zoveel beter was dan dat van Annie Bottle. Ja, in het kader van de inburgering heb ook ik me schuldig gemaakt aan dergelijke flauwe grappen. Die week dronken wij niet alleen relaxing cups of café con leche, maar ook de cervezas, de copas de vino, ja, zelfs las croquetas waren relaxing.

Toch begrijp ik niet goed waarom die relaxing cup of café con leche zoveel hilariteit veroorzaakte bij de Spanjaarden. Vinden zij dat de combinatie van Engels met Spaans niet kan? In het Nederlands zeg ik ook: ‘Kom, we nemen eens een lekkere café con leche.’ Café con leche is immers niet zomaar een kopje koffie met melk. Misschien vinden de Spanjaarden koffie helemaal niet relaxing vanwege de cafeïne. Of denken zij aan de prijs van een café con leche op de Plaza Mayor in Madrid die indaad weinig relaxing is. Maar voor een toerist in Madrid hoort het er allemaal bij: een café con leche op de Plaza Mayor, een romantisch diner in het Madrid de los Austrias; allemaal gedaan en van genoten. Madrid is een fijne stad, die wellicht een betere vertegenwoordiging verdiende dan deze burgemeester, maar dat de geldverslindende Spelen aan Spanje voorbij gaan, lijkt mij voor de financiën van het land een zegen. Maar goed, dan kun je alleen maar zeker weten als je een kijkje kunt nemen in die parallelle wereld waarin Annie Bottle de harten van de IOC-leden heeft weten te betoveren.


vrijdag 20 september 2013

Waar is thuis?

Toen ik de moeder van één van mijn privéleerlingen vertelde dat er geen lessen zouden zijn tot begin oktober, was haar spontane reactie: ‘¡Wat leuk! ¡Dus je gaat naar huis!’ In lichte verwarring antwoordde ik: ‘Nee, mijn huis staat in Ponferrada’, maar moest onmiddellijk denken aan de TED talk van Pico Iyler getitled Where is home, die ik deze zomer gebruikt had voor een les aan één van mijn betere leerlingen Engels (klik voor deze ted talk HIER).

Ik had deze video niet alleen gekozen omdat het onderwerp me aansprak, maar vooral omdat Pico Iyler (hoe spreek je die naam in godsnaam uit) een Engels spreekt dat voor buitenlanders gemakkelijk is te volgen, misschien wel juist omdat hij de in Engeland geboren en getogen zoon van Indiase emigranten is. Zijn antwoord op de vraag Where is home is diffuus: thuis is waar hij zich op zijn gemak voelt. Hij voelt zich niet verbonden met een land of natie, maar met de groeiende internationale gemeenschap van mensen die van land veranderden en de kinderen daarvan.

In zeker opzicht behoort de moeder van mijn leerling ook tot deze gemeenschap van niet aan een land gebonden personen. Zij is de dochter van twee Bercianen die in de jaren vijftig naar Nederland vertrokken waar ze het grootste gedeelte van haar jeugd doorbracht, tot de familie na de vervroegde pensionering naar het familiehuis in hun dorp terugkeerde. Bij toeval waren Ana en ik de gehele remigrantenfamilie deze zomer tegengekomen tijdens een overigens schitterende wandeling langs diverse bergdorpjes. Zelden heb ik mensen ontmoet die zo enthousiast waren over Nederland. Ze spraken met zichtbaar genoegen enkele woorden Nederlands waar nog steeds een Brabants accent in te herkennen was en leken meer last van heimwee te hebben dan ik. Misschien was dat wel de reden dat de moeder mij de Spaanstalige wiskundebijles aan haar zoon toevertrouwde, waarbij ikzelf waarschijnlijk meer opstak dan de jongen zelf (maar dat gebeurt wel vaker bij mijn lessen).

Maar goed. De opmerking van de moeder: ‘¡Wat leuk, dus je gaat naar huis!’ deed bij mij de vraag rijzen waar mijn huis of thuis dan eigenlijk is. Het is duidelijk dat mijn fysieke huis zich hier in Ponferrada bevindt. Daar staan bijna al mijn bezittingen en, oneindig veel belangrijker, daar woont degene met wie ik de rest van mijn leven wil delen. Maar een andere vraag is: waar voel ik me thuis? Of: waar zou ik het liefst willen wonen?

Toen ik de overstap naar van Nederland naar El Bierzo maakte waren er Spanjaarden die me waarschuwden: ‘Jij hebt een veel te romantisch idee van Spanje. ¡We zijn niet allemaal zo open, hartelijk en vriendelijk als jij denkt!’ Nu ik hier meer dan vier jaar woon en de mensen steeds beter ken en versta, heb ik een veel realistischer beeld van Spanje gekregen. Het is niet alleen zonneschijn; er is ook een schaduwzijde. Onderlinge haat, jaloezie en hebberigheid heb je hier net zo goed als in alle andere samenlevingen. Dergelijke menselijke zwakheden lijken versterkt te worden door de crisis. Wat vroeger een leuke vakantieanekdote opleverde, is nu een dagelijkse ergernis. Ik mopper nu over dezelfde zaken als de Spanjaarden; ook dat vormt onderdeel van het integratieproces.

Maar toch blijf ik hier de vreemdeling, el guiri, el holandés. Soms heb ik het gevoel dat ik me moet verantwoorden voor het gedrag van een Nederlandse voetballer of de uitspraken van een politicus met wie ik werkelijk niets anders gemeen heb dan de nationaliteit. Ook is het zo dat ik me in Nederland in alle opzichten gemakkelijker beweeg. Ik kan me veel nauwkeuriger uitdrukken in de taal, begrijp de humor beter en ben beter in staat situaties of personen in te schatten. Ook fysiek beweeg ik me gemakkelijker in Nederland. Eén van de voordelen van Amsterdam is dat je er zo lekker kan fietsen, en voor reizen naar andere steden is er het zo verguisde maar eigenlijk puike openbaar vervoer. Ik heb geen rijbewijs (en dat zal vast wel zo blijven) en dat is een grote handicap in El Bierzo.

Ook Nederland bekijk ik steeds meer met de ogen van een buitenstaander. Als ik in Amsterdam ben, heb ik het gevoel dat ik op vakantie ben, ook al ga ik er nu heen om te werken.  Maar ook in Ponferrada heb ik nog lang niet het vakantiegevoel verloren. Er is nog zo veel te ontdekken in El Bierzo. En het werk als privédocent aan huis levert vele interessante contacten op. Eigenlijk is het best een fijn gevoel: altijd op vakantie. Eens zien of ik dit de rest van mijn leven kan vasthouden, ongeacht waar mijn huis staat.

dinsdag 25 juni 2013

Zwart geld

We zitten, zoals zo vaak op donderdagavond, in de Chelsea bar, mijn collega’s en ik. We spreken Engels. Natuurlijk. We zijn met leraren Engels onder elkaar. Toch is er een verschil. Zij zijn officieel geregistreerd. Ze hebben hun eigen academies. Ik niet. Ik ben de snorder onder hen. Ze lijken er niet mee te zitten. De markt voor vreemde talen is ruim genoeg. Toch vraag ik aan één van mijn collega’s wanneer het het juiste moment zou zijn mij officieel aan te melden als autónomo, de Spaanse variant van de ZZP-er. Mijn collega lacht meesmuilend. ‘Maak je geen zorgen,’ zegt hij. ‘Niemand die het controleert. Er zijn er velen die zwart werken. Ga maar eens naar de tandarts. Of naar één van privépraktijken van de medische specialisten. Krijg je ooit een bon? Nee toch zeker!’ Hij heeft gelijk. De keer dat ik voor een wat uitgebreidere behandeling naar de tandarts ging kostte het precies €100. Een verdacht rond bedrag. En geen bon. Oftewel: alweer een bijdrage aan het zwarte circuit en het tekort van de Spaanse overheid. We praten nog even door over hoe moeilijk het is om als kleine zelfstandige te beginnen in Spanje. De bijdrage aan de sociale zekerheid is onafhankelijk van je inkomsten zo’n 300 euro per maand. Langzamerhand gaat ons gesprek over op meer aangename aspecten van het leven in El Bierzo: de natuur, bergwandelingen en, natuurlijk, het eten.

De volgende dag ga ik naar een kledingzaak om voor iemand van buiten Ponferrada twee bestelde kledingsstukken af te halen en te betalen. ‘Wil je een bonnetje?’ vraagt de eigenaresse als ik het geld overhandigd heb. ‘Ja graag’, antwoord ik. De kledingstukken zijn immers niet voor mij. De vrouw pakt een visitekaartje van haar winkel en schrijft op de achterkant de prijzen. Verder niets: geen bedrijfsstempel, geen berekening van de BTW. Ze ondertekent met haar voornaam. Alweer ben ik betrokken bij een transactie in het informele circuit.

Natuurlijk zijn mijn voorbeelden uit het dagelijks leven de kleine vissen in de grote zee van de zwarte economie. Over de grote vissen lees ik in de kranten. Die berichten daar dagelijks uitgebreid over. De grootte van de zwarte economie in Spanje wordt geschat op zo´n 20% van het BBP. In Nederland zou dat zo´n 10% zijn. Heel erg exact zijn deze cijfers vanzelfsprekend niet. De hoeveelheid geld die rondgaat in de zwarte economie is nu eenmaal moeilijk te meten.

In Nederland zijn het volgens mij vooral de ‘gebruikelijke verdachten’ die actief zijn in de informele sector: de bouwsector, de drugswereld, de prostitutie, schoonmakers aan huis. Hier in Spanje zijn het zelfs de politici zelf die betrokken zijn bij illegale transacties. Bij een justitioneel onderzoek naar een corruptiezaak bleek dat de ex-penningmeester van de nu regerende Partido Popular zo´n € 47 miljoen in kluizen van diverse Zwitserse banken had liggen. Dat heeft hij op één of andere manier bij elkaar weten te verzamelen tijdens zijn werkzaamheden voor de partij. De zoon van een beroemde Catalaanse politicus, Jordi Pujol (naam van zowel vader als zoon), bracht regelmatig grote zakken gevuld met biljetten van 500 euro naar Andorra om het daar op een bank te zetten. Er gaan hardnekkige geruchten dat hij over die bedragen geen aangifte bij de belastingdienst heeft gedaan.

Ik weet eigenlijk niet of het voortkwam uit deze laatste kwestie, maar vanuit de politiek gaan er stemmen op om het 500 eurobiljet af te schaffen. Dat zal ze leren, al die corrupte politici. Binnenkort moeten ze met vijf keer zo grote plastic zakken slepen met biljetten van 100 euro. De ex-penningmeester zal niet in staat zijn de plastic zakken in de toch niet al te kleine Zwitserse kluizen te proppen. In een straat in Andorra zal te zien zijn hoe de familie Pujol wanhopig tegen een enorme zak staat te duwen om deze door de net iets te smalle toegangsdeur van een bankgebouw te krijgen. Ja, zo pak je de corruptie aan! Zeg niet dat er vanuit de politiek geen oplossingen worden aangedragen. Ondertussen maak ik me om één ding zorgen. Elke verdachte van corruptie of belastingontduiking die tijdens zijn gang naar of van de rechtbanken op de televisie verschijnt, draagt een zonnebril. Ik hoop dat dit niet betekent dat ze in het kader van symptoombestrijding gaan besluiten zonnebrillen te verbieden, net nu ik gewend begin te raken aan mijn bril met getinte glazen.