donderdag 23 december 2021
Het liep tegen het nieuwe jaar
donderdag 18 november 2021
Het verloren maskertje
vrijdag 15 oktober 2021
Oproep aan alle bareigenaren (M/V) van Ponferrada
Het was altijd zo lekker. Op een zeker moment ‘s ochtends even naar buiten naar een van de vele cafés die Ponferrada rijk is om daar in de krant te bladeren, af en toe een artikel te lezen en dat allemaal onder het genot van een kopje koffie tegen een voor Nederlandse begrippen onmogelijk lage prijs van tussen de € 1,10 en € 1,30. En dat altijd met een stukje cake, een churro of een stukje stokbrood met tortilla erbij. Al voor corona kwam daar een beetje de klad in. Cafés begonnen te bezuinigen op de kranten. El País, de krant die ik het liefst lees, verdween uit de meeste kroegen. De keuze was vaak tussen het gemopper op de linkse regering van El Mundo, het lokale nieuws van El Diario de León en de onvermijdelijke voetbalblaadjes.
Toen we na de lockdown allemaal weer naar buiten gingen en zelfs op de terrassen van de cafés mochten zitten, dat was in de zomer van 2020, bleken de kranten helemaal uit de cafés verdwenen te zijn. De besmettingen zouden via gedeelde kranten immers overgedragen kunnen worden. Later werd duidelijk dat de besmettingen niet zozeer via de handen, maar vooral toch door de lucht plaatsvonden. Toch kwamen de kranten maar mondjesmaat terug. Ik geloof dat de meeste kroegeigenaren het zo wel mooi vonden. Ze hadden veel inkomsten gederfd tijdens de pandemie en de abonnementen op kranten zijn natuurlijk een kostenpost. Maar mijn eigen gedrag veranderde. Geen krantje? Nou, dan ga ik ook niet in mijn eentje buiten de deur een kop koffie drinken en daarbij op mijn mobiel nieuwsberichten lezen. Doe mij een lol; ik tuur al de hele dag naar een scherm als ik online lesgeef, zit te schrijven of me via de sociale media blootstel aan verderfelijke algoritmes. Dan koop ik liever een krant in een van de weinige overgebleven kiosken en zet ik thuis een bakkie koffie.
Ik ken nu welgeteld twee cafés in Ponferrada met papieren kranten. Nee, ik ga niet zeggen welke dat zijn, want dan gaat iedereen daarheen om lekker te lezen en het is zo al moeilijk genoeg om een krantje te bemachtigen. Beste kroegeigenaren van Ponferrada, leg alsjeblieft een stapeltje kranten op de vensterbank neer. Deze guiri* is in dat geval bereid maar liefst 10 cent meer te betalen voor een kopje koffie met een hapje erbij.
donderdag 23 september 2021
De boekwinkel van Óbidos
We waren het Portugese stadje Óbidos binnengereden in een lange rij auto’s. Gelukkig bleek parkeren dit keer geen probleem. Het stadje was helemaal ingericht op het ontvangen van grote stromen toeristen. Er was net buiten het historische centrum een enorme parkeerplaats gemaakt en in de straatjes binnen de stadsmuren gold voor wandelaars eenrichtingsverkeer. Overal werd in kleine toeristenwinkeltjes de plaatselijke likeur verkocht, samen met de onvermijdelijke petjes, T-shirts en mokken met opschriften. Het stadje was prachtig, maar de sfeer deed me net iets te veel denken aan Volendam of Giethoorn. Maar toen kwamen we bij een kerk die getransformeerd was tot een boekhandel. Een heerlijke boekhandel, ook met Spaans- en Engelstalige boeken! Wat een rijkdom!
In Ponferrada is de enige boekhandel waar je een beetje kon rondstruinen een paar jaar geleden failliet gegaan. Goed, in het overdekte winkelcentrum is er een vrij grote dependance van de keten Casa del Libro, maar overdekte winkelcentrum dienen vermeden te worden, vind ik. Boekhandels hebben het moeilijk door het online kopen via Amazone en de ontlezing. Er wordt wel gelezen, maar dat moet iets korts op het internet zijn: een berichtje, een kort artikeltje, het liefst met foto’s en het allerliefst kijken mensen naar een grappig videootje. Ach misschien word ik wel oud.
Reeds als ik kind ging ik graag naar de boekhandel op de Bos en Lommerweg, best wel een eindje lopen van ons huis. Zodra ik daar binnenkwam, ging ik regelrecht naar de afdeling met de natuurboeken, de vogelgidsen en fotoboeken met dieren. Daar zat ik dan lange tijd op mijn knieën te bladeren en te fantaseren over reizen naar die soms verre natuurgebieden. Ik weet zelfs nog waar die afdeling was. Helemaal achterin, rechts onderaan. Bijna nooit kocht ik er wat. Geen geld. Mijn leesboeken haalde ik vooral bij de bibliotheek.
Dat laatste bleef ik doen toen ik op mezelf ging wonen. Op mijn bescheiden boekenplankje stonden hooguit wat woordenboeken en de romans die ik voor mijn laatste verjaardag had gekregen en die ik na het lezen doorverkocht aan een tweedehandswinkel. Ik vond het bezit van boeken in mijn kleine huurwoninkje een overbodige luxe en kocht alleen de romans die ik iemand anders cadeau wou doen. Ik fietste elke drie weken naar de Openbare Bibliotheek om weer nieuwe boeken te halen. Sinds ik in Ponferrada woon, ben ik een graag geziene gast in de Nederlandse boekwinkels. Onze boekenkasten beginnen langzamerhand uit te puilen van al die Nederlandse en Engelse romans die ik meestal in Nederland heb gekocht.
Onze blijdschap met de boekhandel met een internationaal tintje in Óbidos kende geen grenzen. We bleven geruime tijd langs de schappen lopen, nu en dan een boek in onze hand nemend om erin te bladeren. Uiteindelijk gingen we over tot de aanschaf. Eenmaal buiten namen we plaats op een terrasje. De meeste toeristen waren ondertussen al vertrokken. We bestelden een kopje koffie en begonnen een gesprek over het feit dat Portugal zoveel internationaler is dan Spanje. Men spreekt er veel beter Engels en buitenlandse boeken en kranten zijn voorhanden. Volgens mij was dat omdat het een klein land is. ‘Hoe groter het land, des te trotser op de eigen taal,’ sprak ik gedecideerd. Ana wees me erop dat Portugal weliswaar klein is, maar dat de Portugese taal in grote delen van de wereld gesproken wordt. Misschien had het meer te maken met het maritieme karakter van een land. Daarna begonnen we onze zojuist gekochte de boeken te lezen, totdat de uitbaatster van het koffietentje op een nadrukkelijke manier de tafels en stoelen om ons heen begon op te ruimen.
vrijdag 20 augustus 2021
Verkoeling zoeken
We zitten op het terras voor het restaurant-hotel waar we dit weekend verblijven. Het is al behoorlijk fris. Lange broeken en truien aan. Heerlijk. Beneden ons horen we het ruisen van de zee en zien we de hoge witte golven over het in het donker gehulde strand rollen. Alle surfers zijn ook vertrokken. Die zitten nu voor hun campers te eten, vermoeden we. We zijn hier in Asturias, met volgens mij de mooiste kust van Spanje en misschien wel van heel Europa. Maar we zijn hier vooral om af te koelen. Want ginder, aan de andere kant van het Cantabrisch Gebergte, heerst er een hittegolf.
Ana vertelt me dat de mensen uit Asturias vroeger vaak naar de provincie León kwamen. Om op te drogen, zoals ze zeiden. Asturias is bijzonder groen en dat heeft alles te maken met de overvloedige regenval. Maar nu gaat de stroom klimaatvluchtelingen duidelijk de andere kant op. We zijn lang niet de enigen die de hitte zijn ontvlucht. Alle overnachtingsplaatsen en restaurants waren zo goed als volgeboekt. We hadden echt mazzel met deze plek, een typisch strandrestaurant dat ook eenvoudige kamers met uitzicht op het Playa de Penarronda verhuurt.
Voor ons vertrek had Ponferrada zelfs iets onheilspellends gehad. Behalve die hitte en de tijdens de zomer altijd al zo stoffige atmosfeer van El Bierzo, woedden er ook weer diverse bosbranden. Toen we op donderdagavond een etentje hadden op het terras van het geweldige restaurant La Estrategia del Caracol in het dorp Santalla del Bierzo, sneeuwde het as. Dat was van een bosbrand verderop, misschien wel in Galicië. Op de vrijdag erna was er dichterbij een brand; een helikopter vloog af en aan tussen de rivier El Sil en de vuurhaard om de brand te blussen.
Behalve aan menselijke onvoorzichtigheid en moedwil, zijn deze bosbranden ook te wijten aan de klimaatomstandigheden, die aan het veranderen zijn. Spanje wordt steeds heter. Grote delen van de Spaanse hoogvlakte gaan steeds meer lijken op een woestijn. En als het eenmaal regent, is dat vaak zo heftig dat stukken grond en huizen worden meegesleurd door het water.
Mensen zoeken verkoeling, als het kan langs de kust in het noorden of westen, of anders thuis, met de luiken dicht en de airconditioning op volle toeren. Ook dat laatste wordt steeds moeilijker. Nog nooit is de prijs van elektriciteit zo hoog geweest als deze zomer. Dat zou onder andere te maken kunnen hebben met de grote vraag naar energie door al die afkoelingsapparaten. Maar eigenlijk is het een schande. In een zonnig land als Spanje zou juist in een warme zomer de elektriciteit spotgoedkoop kunnen zijn, als er meer was ingezet op zonne-energie. Om de een of andere reden is dat nooit echt van de grond gekomen. Er heerst bij sommige mensen wantrouwen tegen alternatieve energiebronnen omdat ze het landschap zouden verpesten. Ook in El Bierzo waren er demonstraties tegen windturbines. Maar net als zonnepanelen zijn ook windturbines noodzakelijk. Er zijn genoeg plekken te bedenken waar hernieuwbare energie kan worden opgewekt zonder dat het landschap of de natuur er al te veel onder lijden. Liever zonnepanelen dan steenkoolcentrales. Liever windturbines dan olietankers.
Ondertussen is het op ons terras boven het strand nu echt te koud geworden. We besluiten naar bed te gaan. Onder de warme dekens. Fantastisch!
dinsdag 27 juli 2021
Het afscheid van mijn grote broer
Het ging allemaal zo snel. We hadden elkaar in april nog gezien rond de uitvaart van onze broer Willem. Toen leek er nog niet veel aan de hand met hem. Misschien een beetje bleekjes en slapjes, maar dat was niet zo vreemd bij zo’n ingrijpende gebeurtenis als de dood van een broer en dat ook nog midden in een pandemie.
Maar in juni kregen we het eerste verontrustende WhatsAppberichtje binnen. ‘Hoi Ana en Roland, hoe is het met jullie? Met mij is het minder. Ik heb misschien een tumor aan de alvleesklier.’ En dat bleek het te zijn, kwaadaardig bovendien.
Mijn broer was vastbesloten. Hij wilde niet de lange lijdensweg van bestralingen, ziekenhuisopnames, pijn en ander lichamelijk ongemak, enkel en alleen maar om het leven een beetje te rekken. Tijdens een Skype-gesprek vertelde hij ons al: ‘Als opereren niet mogelijk is, wil ik euthanasie.’ Hij had daarover al met zijn huisarts overlegd. Na veel onderzoeken bleek opereren onmogelijk. Ook in zijn slokdarm werd een grote tumor gevonden. Hij kon al geen vast voedsel meer eten.
Toen we in Nederland aankwamen, had hij nog drie dagen te leven. Het waren de meest intense dagen van mijn leven. Ana en ik waren daar vaak samen met Anton, zijn twee kinderen Marcel en Linda, en zijn vrouw Leen in de huiskamer. Hij had nog geen pijn. Hij was wel moe maar ook zeer spraakzaam. Hij haalde herinneringen op. Hij maakte grappen om ons gerust te stellen en bleef ons verzekeren dat hij niet bang was voor de dood. Hij regelde voor een groot gedeelte zijn eigen uitvaart. Hij koos de muziek uit en de tekst voor de rouwkaart. Zelfs nam zijn zoon Marcel een video van hem op, die zou worden afgespeeld op de uitvaart, met als opening: ‘Welkom vrienden, buren, familie en kennissen, ik heet jullie allemaal welkom. Hoe bijzonder is het om op je eigen uitvaart je eigen toespraak te houden.’
Op vrijdag 2 juli, op de afgesproken tijd van half twee, kwamen de twee doctoren in het huis in Almere aan. Ze vroegen hem of hij nog steeds overtuigd van zijn beslissing was. Dat was hij. Daarna werd het slaapmiddel toegediend. We waren allen bij Antons heengaan aanwezig: Lenie, Linda, Marcel, Ana en ik. Toen het slaapmiddel begon te werken, sprak Anton: ‘Daar ga ik’ en hij viel in een diepe slaap. De huisarts diende daarna het spierverslappingsmiddel toe dat het hart zou doen stilstaan. Later sprak ik nog even met de huisarts. Het voelde heel natuurlijk een vriendelijk gesprek te hebben met de vrouw die zojuist mijn grote broer had gedood. Ze vertelde me dat ze Anton gelijk gaf met zijn beslissing. Het was al verwonderlijk dat hij nog geen pijn had, maar het grote lijden zou zeker spoedig zijn gekomen.
Van alle sterfgevallen die ik van nabij heb meegemaakt, was er nooit een zo sereen. Hij stierf gewoon
thuis, omringd door zijn geliefden, met alle tijd om afscheid te nemen en
iedereen gerust te stellen. Ik was, net als toen ik klein was, zo trots op mijn
grote broer. Tot op het laatste moment heb ik veel van hem geleerd.
vrijdag 28 mei 2021
Reis naar het middelpunt van de wereld
Het is zaterdag 22 mei. Het is druk op perron 1 van station Ponferrada. Normaalgesproken zou ik dat een goed teken vinden. Er wordt tenminste nog wel met de trein gereisd. Maar nu, in deze Covid-19-tijden, is drukte altijd zorgwekkend. Goed, twee weken geleden heb ik mijn eerste vaccinatie gehad. Maar Ana is pas volgende week aan de beurt. Trouwens, één vaccinatie maakt nog geen immuniteit, volgens de deskundigen. Met slechts een paar minuten vertraging rijdt de trein uit Vigo het station binnen en komt piepend tot stilstand. We stappen in.
Het is inderdaad druk in de coupé. Terwijl we onze koffertjes in het bagagerek leggen, komt de trein langzaam op gang. We gaan zitten en kijken uit het raam. We weten uit ervaring dat het eerste stuk erg mooi is. Eerst door de diep uitgesneden vallei van de rivier El Boeza naar Bembibre. Daarna begint de lange klim om uit El Bierzo te komen. Hier moet de trein zelfs een hele cirkel maken om hoogte winnen. Het uitzicht van de steile rivierbedding maakt plaats voor zwarte puinhellingen. Het zijn de littekens die de steenkoolwinning heeft achtergelaten. ‘Als er nu eens geïnvesteerd zou worden in een nieuwe rechte tunnel, zou deze reis een stuk korter duren,’ zeg ik tegen Ana. Met een kort knikje geeft ze me gelijk. Het is immers één van mijn stokpaardjes.
Als we eenmaal op de hoogvlakte zijn aangekomen verliezen de meeste medereizigers hun interesse voor het uitzicht. Maar in de trein ben ik een echte uit-het-raamkijker. En ik vind de immense leegheid van het landschap fascinerend. Hier wordt het Spaanse graan verbouwd, de suikerbieten en andere akkergewassen. Ook ligt er veel land braak. Het gaat in Spanje niet altijd goed met de boeren. Net als in Nederland komen ze soms met hun tractoren naar de steden om te demonstreren tegen de in hun ogen onrechtvaardige prijzen voor hun gewassen. Ze eisen minimumprijzen en behoud van hun subsidies.
In een vorig leven legde ik tijdens mijn economielessen mijn studenten uit dat gegarandeerde prijzen meestal geen goed idee zijn. Ik tekende dan een kruis op het bord die de vraag en het aanbod moesten voorstellen en met een horizontale streep boven het kruispunt gaf ik aan wat het gevolg was van een minimumprijs. Een aanbodoverschot.
Deze tekening moest de Europese melkplas, de boterberg en de olijfplas verklaren. Een verlies-verliessituatie. Zinloze inzet van land en arbeid voor een product dat niet verkocht wordt.
Maar juist hier in deze lege hoogvlakte zijn er mogelijkheden. Verschuif de subsidies van landbouwproducten naar hernieuwbare energie, waar wel vraag naar is. Een groot deel van dit lege land zou kunnen worden aangewend voor zonneparken of windparken. Hier zou bijna niemand er last van hebben, behalve een enkele uit-het-raamkijkende treinreiziger. De natuur zou zelfs rijker kunnen worden als in die nu lege velden zonnepanelen op ruime afstand van elkaar worden geplaatst waardoor er ook grassen, bloemen en struiken kunnen groeien. En als er minder landbouwproducten worden geproduceerd, stijgen vanzelf ook de prijzen daarvan. Een win-winsituatie, mijns inziens.
Als we in Palencia aangekomen zijn, stappen we uit. We blijven hier een nachtje slapen om de diverse fototentoonstellingen te bekijken. Ons blik valt op het bord met de aankomst- en vertrektijden. Vergeleken Ponferrada is dit station het middelpunt van de wereld. Er gaan treinen naar Catalonië, Galicië, Baskenland Asturias, Cantabria en Madrid. ‘Als er een snelle verbinding zou komen tussen Ponferrada en León, zouden wij ook aangesloten zijn op dit netwerk,’ zeg ik tegen Ana. Maar ze hoort me niet. Ze is al op weg naar de uitgang van het station.
vrijdag 30 april 2021
Willem
Mijn twee oudere broers en ik groeiden samen op in de Bos en Lommerbuurt, tegenwoordig ook vaak de Kolenkitbuurt genoemd. Het was toen een typische naoorlogse wijk, veel gezinnen met kinderen, een kraamkamer van de babyboomgeneratie. We sliepen met z’n drieën samen in een slaapkamertje, waar de hond Rakker zich vaak bijvoegde.
Toen mijn oudste broer Anton met Lenie trouwde, bleven Willem en ik over in dat kleine kamertje, hij 15 jaar oud en ik 10. Als vanzelfsprekend werd hij mijn grote voorbeeld. Soms stribbelde ik tegen en riep: ‘Dit is geen muziek!!’ als hij Soft Machine of Frank Zappa opzette. Maar een paar maanden later, dankzij Willems overtuigingskracht en de voortdurende herhaling van de muziek, zette ik zelf ook de langspeelplaten van mijn broer op en probeerde mijn vriendjes met dezelfde geestdrift als Willem ervan te overtuigen dat deze echt geniaal waren.
Iets dergelijks gebeurde met de literatuur. Willem Frederik Hermans, Harry Mulisch, Remco Campert, Philip Roth, ik plukte de boeken van Willems boekenplank, las ze en had het sterke gevoel dat we samen iets deelden. Dat gebeurde ook wanneer we spraken over politiek. Dankzij hem zette ik al vrij jong de eerste schreden op weg naar mijn politieke bewustwording.
We schaakten veel bij ons thuis. Een van de partijen tussen Willem en mij werd genoteerd en van commentaar voorzien in het kwaliteitsblad Wirant, een weekblad gemaakt door Willem en Roland. Naast de schaakrubriek stonden daar korte verhalen, strips en zelfs een kookrubriek in. Helaas is het weekblad maar twee keer verschenen en zijn beide exemplaren in de loop der tijd verloren gegaan.
Toen hij honkbal ging spelen, ging ik dat natuurlijk bij dezelfde club doen. Ik wil graag een anekdote delen die volgens mij iets zegt over Willem, zijn bijzondere gevoel voor humor en onze verhoudingen indertijd.
Wij speelden honkbal bij Blauwwit in Sportpark Sloten, zo’n 25 minuten fietsen van ons huis. Willem bracht me er vaak heen op zaterdag, omdat vader ook op zaterdag werkte en moeder het druk had in de huishouding. Ik had die dag een vroege wedstrijd, maar minder vroeg dan ik dacht. Ik had de verkeerde aanvangstijd aan mijn moeder doorgegeven. Toen we na 25 minuten fietsen bij Sportpark Sloten aankwamen, werd ons duidelijk dat we ruim een uur te vroeg waren. Willem dacht mijn moeder de fout had gemaakt; ik hield wijselijk mijn mond. We fietsten zwijgend terug, pakweg 25 minuten, maar onze moeder was boodschappen doen. Willem pakte een groot vel papier, schreef daar met stift in grote letters: ‘Bedankt!’ op, en legde het op tafel. We fietsten in ongeveer 25 minuten weer terug naar Blauwwit, waar ik mijn wedstrijd speelde. Onze moeder vertelde ‘s avonds hoe ze, toen ze van boodschappen doen thuis was gekomen, er werkelijk helemaal niets van had begrepen. De jongens waren toch op de club? Maar waarom ligt dat mysterieuze bericht dan op tafel? Gelukkig kon ze er later hartelijk om lachen.
Nadat Willem het huis uitging en met zijn huidige vrouw Els ging samenwonen, werd onze band vanzelfsprekend anders. Ik ontwikkelde mijn eigen muzikale, literaire en politieke voorkeuren, maar toch bleven we veel delen. Vakanties of dagjes uit, ook met de kinderen. Sinterklaas vieren met de familie en de laatste keer zelfs met zijn twee kleindochters via Zoom. Vaak vonden mijn vrouw Ana en ik bij Willem en Els een gastvrij verblijf. De laatste jaren werd hij door fysieke problemen gekweld. Toch kwam het eind voor mij onverwacht en veel te snel. Er waren nog zoveel muziekstukken om naar te luisteren, boeken om te lezen, films om te zien en onderwerpen om over te discussiëren. Je laat een leegte achter, Willem, we zullen je enorm missen.
Min of meer de tekst die ik sprak op de uitvaart van mijn broer Willem op dinsdag 20 april 2021.
vrijdag 26 maart 2021
Wat zwemt daar?
Daar waar net buiten de bebouwde kom van Ponferrada El Boeza in El Sil vloeit, is het landschap bijna Nederlands te noemen is. De grillen van de riviertjes maken het water soms turbulent, maar bij weinig regenval of smeltwater laat de grote stuwdam in de Sil boven Ponferrada minder water door en lijkt het alsof de rivier stilstaat, al is dat nooit helemaal het geval. Langs de zuidoever, vlak onder mijn vaste wandelberg El Pajariel, groeit er riet en is er in de lente veel vogelgezang te horen. Soms staat er een blauwe reiger aan de oever of vissen er aalscholvers in het diepere deel van het water.
Toen ik vorige week na een lange wandeling langs de samenvloeiing liep, dwaalden als vanzelf mijn ogen over het wateroppervlak. Iets donkers bewoog zich snel door het water in de richting van het riet aan de overkant. Ik dacht aan een meerkoet, een waterhoen, of misschien een aalscholver. Ik wilde al doorlopen, toen het dier terugkwam en diverse keren onderdook. Mijn kleine verrekijkertje bracht uitkomst. Een zoogdier. Een marterachtige. Was dat een otter? Dat was een otter! Mijn allereerste otter! Mijn hart begon sneller te kloppen.
De dag erna keerde ik naar dezelfde plek terug. Ik liep twee keer langs de oever en verdomd, daar was hij alweer, nerveus aan het vissen. Dit keer slaagde ik erin een video maken met mijn mobiele telefoon met helaas een zeer beperkte camera. Zie hier het nog steeds povere resultaat:
Nu zijn otters in Spanje een veel minder zeldzame verschijning dan in Nederland. Ik herinner me een Engelse les die ik gaf aan mijn student David, waarbij we aan de praat raakten over otters. Hij had er namelijk veel gezien in een rivier nabij León en maakte zich zorgen over de forellen aldaar. Ik vertelde hem dat we in Nederland otters uitzetten, omdat deze beesten in de jaren zestig uitgestorven waren door het overmatige gebruik van landbouwgif. Toen ik eraan toevoegde dat we de arme beesten soms met een zendertje uitrusten om ze te kunnen traceren, zei hij grinnikend: ‘Nou, dan moeten jullie ze hier maar komen vangen.’
Natuurlijk was ik er nog niet helemaal zeker van of het wel een otter was die ik gezien had. Komen die eigenlijk wel voor zo dicht bij een middelgrote provinciestad? De zoekterm otters in Ponferrada bracht mij naar het twitter-account van de lokale politie waar een levendige discussie plaatsvond over een dier dat langs de rivier gesignaleerd was. (HIER) De politie dacht aan een ontsnapte fret, maar iemand anders plaatste een foto van een otter langs de oever van wat leek op El Sil. Ook ontstond er een discussie of het wel verstandig was om dit bericht te delen. Als iedereen zou gaan kijken, zou de otter immers snel verdwenen zijn.
Een fret leek mij onwaarschijnlijk, omdat die niet zo’n enthousiaste duiker is. Wat ik echter niet kon uitsluiten was dat het een Amerikaanse nerts betrof. Net zoals in Nederland zijn die soms ontsnapt uit de fokkerijen en hun gedrag lijkt op dat van de otter. Bij toeval had ik, of liever gezegd, had mijn Spaanse nichtje Ana er een gespot in Salamanca. Ik probeerde haar toen enthousiast te krijgen voor de edele kunst van het vogelen. Nadat we vanaf de Middeleeuwse brug over de Tormes inderdaad een heuse ijsvogel hadden gezien, slaakte ze plots een kreetje en wees naar beneden. Een zwarte marter sloop langs de oever van de rivier. Een Amerikaanse nerts.
Ik ben echt niet een hater van dieren of planten die niet inheems zijn. Natuur is nu eenmaal dynamisch. Zo vind ik de Eucalyptus best mooi, terwijl veel milieuactivisten hier deze geïmporteerde boom tot volksvijand nummer één lijken te hebben gebombardeerd. Je moet er natuurlijk niet teveel bij elkaar zetten, zoals met name in Galicië is gebeurd. Maar toch, een Amerikaanse nerts signaleren in plaats van een otter is net zoiets als in het Vondelpark een halsbandparkiet zien terwijl je denkt dat het een wielewaal is.
Ik ben nog enkele malen langs de plek van de otter gelopen, soms gewapend met de iPad van mijn vrouw die over een zoveel betere camera beschikt. Helaas. De otter heb ik niet meer teruggezien.
zondag 28 februari 2021
Poep of bloed
Het is een regenachtige dag in februari. Ik sta buiten te wachten voor het medische centrum in de Calle Ancha in El Barrio Alto van Ponferrada. De Bredestraat in de Hoge Wijk. Dat zijn tenminste namen die voor een guiri makkelijk te onthouden zijn. Nee, niet alle straatnamen zijn zo beschrijvend van aard. Was het maar. Velen zijn vernoemd naar beroemde Spanjaarden waar ik nooit van gehoord heb. Wat te denken van Calle Luciana Fernández, Calle Isidro Rueda of Avenida Pérez Colino in Ponferrada. Wie zijn die mensen, in godsnaam? Maar deze straat is behoorlijk breed, Calle Ancha, perfecte naam.
Mijn diepzinnige gedachtegang wordt onderbroken door de verpleegster die naar buiten komt en wat namen hardop van een papiertje opleest. Ik ben nog steeds niet aan de beurt voor het overhandigen van mijn ontlastingsmonsters. De controle op bloedsporen in de ontlasting vindt in Spanje bij mensen van boven de 55 elke twee jaar plaats. Een hele goede regeling. Ik controleer nog even of ik inderdaad op het juiste tijdstip hier in de rij sta te wachten en pak de verwijsbrief uit mijn zak. Ja hoor, 8.55 uur; ik ben ruimschoots op tijd. Dan valt mijn oog op de vlekken onderaan de verwijsbrief. Ik schrik. En ruik zelfs even aan het formulier. Het zou toch niet? Het was vanmorgen best wel een gedoetje om het monster te nemen. De dag ervoor had de verpleegster het me uitgelegd. ‘Prik met het verzamelstickje vijf keer in de ontlasting op verschillende plekken.’ Ze had me zelfs uitgelegd hoe ik moest voorkomen dat alle poep in het water terecht zou komen door de binnenkant van de pot volledige met wc-papier te bedekken. In Spanje hebben ze immers altijd plons-wc’s en bijna nooit plateau-wc’s zoals in Nederland. Uiteindelijk leek alles goed te zijn gegaan en schroefde ik tevreden de stick in het kleine plastic flesje. Maar wanneer zijn deze vlekken op de verwijsbrief gekomen?
Dan herinner ik me mijn bloedende vinger van gisteren. Dat gebeurde toen ik de verwijsbrief uit mijn jaszak haalde. Die bleek zo’n scherpe rand te hebben dat ik me in mijn vinger snee. En daarbij moet ik deze vlekken op het papier hebben gemaakt. Hoe leg ik dat op overtuigende wijze straks bij het loket uit? Mijn Spaanse spreekvaardigheden worden weer eens op de proef gesteld. In gedachten begin ik de zinnen te oefenen. ‘Het is geen poep, het is bloed, maar niet uit mijn kont. Gelukkig kan ik bij deze onbeholpen uitleg de nog duidelijk zichtbare snee in mijn vinger laten zien.
De verpleegster komt naar buiten en leest, worstelend met die vreemde lettercombinatie, mijn naam op. Ik hoop voor haar dat er in Ponferrada nooit een straat naar me vernoemd zal worden.
woensdag 13 januari 2021
Jezelf tegenkomen
Het gebeurde afgelopen week op El Pajariel. Tijdens een mooie winterwandeling belandde ik in een dennenbos waarin staartmezen druk kwetterend heen en weer vlogen. Een zwetende hardloper kwam omhoog gerend, wat de staartmezen naar hogere takken deed vluchten. De hardloper was zich daar niet van bewust; het blik op oneindig en het verstand op nul. En toen dacht ik: ‘Wat een idioot!’
Onmiddellijk begon ik deze negatieve gedachtegang met redenen te omkleden. Die gast is blind voor de natuur om zich heen. Hardlopers zijn doodlopers. Maar heel eerlijk gezegd was het nog maar een paar jaar geleden dat ik het zelf hijgend El Pajariel omhoog rende, onderwijl hoofdschuddend nagestaard door bedaarde wandelaars.
Ik wil beslist niet lijken op de afvallige die, eenmaal van zijn godsdienst of ideologie bevrijd, niets anders doet dan afgeven op wat hij zelf zo ijverig beleden heeft. Of zo iemand die na jarenlang roken of het drinken van alcohol opeens verandert in een fundamentalistische predikant van de gezonde levensstijl. Hardlopen kan heerlijk zijn. De fysieke inspanning verdrijft boze gedachten. Op de cadans van de stappen kom je soms tot verhelderende inzichten. En je leert je grenzen kennen. Je bouwt doorzettingsvermogen op. Je komt jezelf tegen.
Maar ik zal niet meer doen aan trailrunning, zoals hardlopen over bergpaden tegenwoordig heet. En vooral niet rennend afdalen. Hooguit een stukje rennen in het park langs de rivier, zodra de wandelaars weer onbekommerd zonder mondkapje naar buiten kunnen en je je minder schuldig hoeft te voelen als je met onbedekt gelaat hijgend en zwetend tussen hen door slalomt.
Het was een knieblessure gevolgd door die hele lange periode van gedwongen nietsdoen tijdens de lockdown die mijn carrière als trailrunner tot een einde hebben gebracht. Jammer, want het was misschien wel de enige sport waar ik echt talent voor leek te hebben. Maar er zijn zat andere dingen om te doen. Gelukkig heeft gebrek aan talent me nog nooit ergens van weerhouden.
Dat betekent dat ik in 2019 aan mijn laatste carrera de la montaña, een omloop door de bergen, heb meegedaan. Het was die van het beeldschone dorpje Balboa in Los Ancares, de bergen in het noordwesten van El Bierzo. Het parcours was prachtig. Door bossen, langs beekjes, soms door de modder van zo’n beek. Maar het bleef maar bergop en bergaf gaan. Toen ik uitgeput met een pijnlijke knie bij de voorlaatste stop aankwam, dacht ik dat ik er al bijna was. Maar de mensen wezen me aan hoe ik verder moest. Steil omhoog. Ik dronk wat uit een klaargezet plastic bekertje, dat ijskoude mierzoete Aquarius bleek te bevatten in plaats van water. Zelf denk ik dat dat de oorzaak was van mijn latere misselijkheid. Mijn vrienden houden het erop dat het parcours voor mij iets te zwaar was en dat ik mijn aankomst niet had moeten vieren met wat pilsjes. Toen we met alle andere renners in de rij stonden voor een portie paella die in een enorme paellapan was klaargemaakt, ging ik twee keer achter elkaar over mijn nek. En op de terugweg, terwijl mijn vriend Simon stond te tanken, nog een paar keer bij het benzinestation. Thuis aangekomen ging ik onder de wol en pas nu een paar uurtjes kon ik weer iets eten. En toch was het een fantastische dag! Maar wel de dag dat ik, zonder het te weten, afscheid nam van het rennen in de bergen. Denk ik.
zondag 20 december 2020
De verleden tijd van komkommer
Het is een paar dagen voor Kerstmis. Ponferrada is deze morgen gehuld in mist, zoals in deze tijd van het jaar zo vaak het geval is. Voor de boodschappen ga ik dit keer niet ver. La Plaza, de supermarkt, hier in de straat. Daar hebben ze van alles en bovendien geweldig personeel dat je je thuis doet voelen. De kassière Eva groet me luidkeels zodra ik een voet binnen zet. ‘¡Hola Rolán!’ ‘¡Hola Eva!’ antwoord ik, waarbij ik letter v niet uitspreek als een b, zoals in het Spaans hoort, maar met een vette Amsterdamse f. Je bent nu eenmaal de buurtguiri of niet.
Ik trek mijn handschoenen aan en ontsmet deze met de gel die aan de muur hangt. Dan zet ik mijn bril op. Die zet ik tegenwoordig namelijk buiten af omdat deze, zeker met dit mistige weer, in combinatie met een mondkapje beslaat. Met een klein handzaam winkelkarretje loop ik naar de groenteafdeling. Pepino holandés, lees ik. Nederlandse komkommer.
Wat raar. Niemand hier eet die toch zeker? Zijn die hier speciaal voor mij neergelegd? Ik lees op het etiket de herkomst. España. Nou vind ik eerlijk gezegd het type komkommers dat we in Nederland eten lekkerder dan de zo droge Spaanse komkommers. De komkommersalade die we vroeger vaak thuis aten, met fijngesneden uitjes en een beetje azijn, olie en wat peper, is heerlijk. Uit nostalgische overwegingen steek ik de komkommer in het karretje.
Eenmaal thuis besluit ik nog wat informatie over de Nederlandse komkommers van Spaanse bodem te zoeken. Ik google pepinos holandeses en stuit op diverse artikelen over boerenprotesten in Andalusië tegen de lage prijzen van onder andere de in Spanje gekweekte Nederlandse komkommers, die ze nog niet aan de straatstenen kwijt kunnen. Als om het tegendeel te bewijzen toont een foto hoe de komkommers door de woedende boeren op straat worden gegooid.
Eén van de oorzaken van de lage prijzen zijn de ultramoderne kassen in Nederland. Daar worden tegenwoordig het hele jaar door komkommers geproduceerd, waartegen de Andalusische boeren, met hun kassen gemaakt van plastic, onmogelijk kunnen concurreren. De export naar Nederland en Duitsland is stilgevallen. Dat verklaart natuurlijk waarom de komkommers opeens in een buurtsuper in Ponferrada verschijnen.
Dan begint het me ook een beetje te dagen waarom er in El País zo’n groot artikel had gestaan getiteld: 'Nederland: naar het leiderschap en de wereldwijde verspreiding van de circulaire landbouw', waarin hoog werd opgegeven van de Nederlandse agrarische productiemethodes, waarbij in de Nederlandse kassen een volledig circulaire landbouw wordt bedreven. (HIER een link naar het artikel in het Spaans)
Boven het artikel staat groot: Publicidad. Betaalt de Nederlandse regering een campagne om dit initiatief in Spanje bekendheid te geven? Waarom? Misschien om het imago van Nederland, dat de laatste jaren best wel wat knauwen heeft gekregen, een beetje op te poetsen nu boerenprotesten zich richten tegen de Nederlandse telers? Maar dan hadden ze het woord leiderschap beter kunnen weglaten . Een beetje minder arrogantie, por favor.
Ik besluit de Spaanse schrijver van het publiciteitsartikel te googlen. Ik vind hem op Facebook en stel hem via de chatbox deze vraag: ¿Waarom wil de Nederlandse overheid dat de lezers van El País weten dat Nederland een hoofdrol gaat spelen bij de innovatie van de landbouw? Tot mijn verbazing reageert hij bijna onmiddellijk. ‘Het gaat om een voorbeeld van hoe men de zaken goed kan aanpakken op dit gebied en internationaal kan samenwerken. Dat is het doel.’ Niet veel wijzer bedank ik hem voor zijn snelle reactie, Ik ga naar de keuken en begin een Nederlandse komkommersalade klaar te maken. Net als vroeger. En ik moet onwillekeurig denken aan dat grappige raadseltje uit mijn jeugd: Wat is de verleden tijd van komkommer?
zondag 29 november 2020
Alles gaat zo snel!
Veel mensen lijken tegenwoordig wel verslaafd aan de mobiele telefoon. Zelf gebruik ik hem met mate; eigenlijk alleen maar als telefoon, tekstverstuurder en -ontvanger, zakagenda, notitieblokje, kalender, wekker, horloge, fototoestel, filmcamera, cassetterecorder, krant, wegenkaart, woordenboek, encyclopedie, videoscherm, radio, documentenarchief, fotoalbum, zaklantaarn, spiegeltje, stemapparaat voor mijn gitaar, vogelzangherkenner, stadsplattegrond, wandelkaart, betaalmiddel, covid-radar, menukaartscanner en rekenmachine.
De eerste 45 jaar van mijn leven voldeed nog een gewone huistelefoon. Ik had wel altijd een zakagenda bij me, met daarin al mijn afspraken en telefoonnummers voor het geval ik iemand wilde bellen op mijn werk of in een kroeg. Pas toen ik aan mijn studenten niet meer goed kon uitleggen waarom ik niet gewoon even belde als ik door een vertraagde trein te laat op mijn school aan zou komen, besloot ik een mobieltje aan te schaffen, indertijd alleen maar geschikt voor bellen en sms’en. Een computer had ik in die tijd al. Daar kon ik eind jaren negentig al niet meer omheen. De moderne technologie heeft de manier waarop we communiceren, werken en ontspannen voorgoed veranderd.
Soms vraag ik me af of voor mijn generatie de technologische en maatschappelijke veranderingen ingrijpender waren dan voor de generatie van mijn ouders. In de decennia na die ellendige oorlogsjaren ging het ook bijzonder snel. In ons huishouden in Amsterdam-West deden de tv, de gaskachel, de koelkast en de wasmachine hun intrede. De straat vulde zich met geparkeerde auto’s, mensen gingen steeds meer naar het buitenland op vakantie, later ook met het vliegtuig. Op sociaal vlak was er sprake van een seksuele revolutie en ook van vrouwenemancipatie en natuurlijk van ontkerkelijking en de welvaartsstaat. Amsterdam werd in rap tempo multicultureel. Aan het eind van hun leven gingen mijn ouders wonen in die compleet nieuwe stad Almere, die gebouwd was op de plek waar mijn moeder als schipperskind misschien nog gevaren had. Soms sprak mijn moeder hoofdschuddend de woorden: ‘Het lijkt wel of de hele wereld tegenwoordig gek is geworden.’ Op zich was dat verwonderlijk want als er toch één periode was waarop de hele wereld, of in elk geval Europa, gek leek te zijn geworden, was het wel in haar jeugd in de jaren 30 en 40 van de vorige eeuw.
Nu lijkt er weer een golf van veranderingen op komst. Het virus heeft de ontwikkelingen in een stroomversnelling doen belanden. Gaf ik voor april bijna al mijn taallessen hier in Ponferrada aan lijfelijk aanwezige studenten, nu ben ik op mijn oude dag honderd procent online taaldocent geworden. We zullen straks meer thuiswerken, nog vaker contact maken via het beeldscherm, wellicht minder reizen en minder zoenen met vreemden aan wie je voorgesteld wordt, al is dat laatste vooral een Spaans dingetje. Een belangrijk experiment zal binnenkort plaatsvinden. Online feestdagen met de familie. We beginnen met sinterklaas. Met virtuele surprises en per postorderbedrijf bezorgde pakjes. De sint kan dit jaar rustig in Spanje blijven.
En een voor deze tijden toepasselijk sinterklaasgedicht, met rijm en weinig gevoel voor metrum, schreef ik al in 1981 voor Popgroep ’t Weiland. Klik maar op de foto voor de videoclip.
maandag 26 oktober 2020
Wintertijd
Het is zaterdag 24 oktober 2020. Herfst. Maar nog niet erg koud. Wel zijn alle kleuren veranderd. De populieren bij de rivier zijn lichtgeel gekleurd; de wijnstruiken zijn okergeel en een enkele keer donkerrood. Op de grond liggen kastanjes. Soms valt er één met veel lawaai door takken en bladeren naar beneden, gelukkig niet op mijn kale kop. Het is hier prachtig.
Vannacht gaat officieel de wintertijd in. We sluiten weer een periode af. Een bijzondere periode. Een zomer zonder verre reizen. Een bezoek aan Nederland zat er niet in. Heb ik dat gemist? Zeker! Maar het leven in Spanje is toch fijn? Zeker. Dat is het gespletene van een emigrant. Je voelt je in twee landen thuis. Ik kijk vanaf deze berghelling over de uitgestrekte vallei naar de hoge bergketens die El Bierzo omringen. Dat heb je in Nederland niet. Maar soms mis ik het oneindige laagland. De vrienden. De familie. De taal. Mijn voetbalkluppie. Jammen met de mannen van Flanders Fields. Fietsen door Mokum.
Misschien wordt dit wel de laatste keer dat de klok verzet moet worden. Het nut lijkt immers beperkt. En dan komt er natuurlijk de discussie: gaan we voortaan in de zomertijd of in de wintertijd leven? Hier in Spanje zijn er mensen die de klok gelijk willen zetten met Portugal en Groot Brittannië. Ze denken dat ze nu in de verkeerde tijdszone verblijven. De biologische klok is daardoor in de war en dat zou verklaren waarom we hier ’s avonds zo laat eten en dus ook naar bed gaan. Ik geloof daar eerlijk gezegd niets van. Ik merk geen opzienbarend verschil tussen Spanje en Nederland als het gaat om de biologische klok. In beide landen is het donker als ik ga slapen en sta ik ‘s zomers op bij daglicht en ’s winters in het donker. Toen ik een keer tijdens een reis in Duitsland om vier uur 's morgens wakker werd door het daglicht dat door het raam naar binnen viel, bedacht ik me dat het misschien juist Duitsland is dat in de verkeerde tijdszone zit.
Het late avondeten in Spanje heeft volgens mij te maken met de Spaanse dagindeling, vooral met de zeer uitgebreide hoofdmaaltijd ergens tussen twee uur ’s en half vier ’s middags. Ja, dan heb je om zeven uur ’s avonds nog geen honger. Dan wordt het avondeten een latertje. En deze dagindeling levert de nodige problemen op. Waar mijn Nederlandse vrienden met schoolgaande kinderen ’s morgens vroeg broodjes smeren voor het lunchpakket en ’s avonds met het hele gezin de avondmaaltijd nuttigen, wordt er in Spanje veelal op school voor de hoofdmaaltijd gezorgd. En die is niet altijd goed. Daar zijn veel klachten over. Maar misschien zou het ook niet de taak van een school moeten zijn om voor een hoofdmaaltijd te zorgen.
Overigens wil ik zelf niet per se van het huidige ritme af. Zeker op zondag niet. Morgen gaan we lekker om half drie uitgebreid eten in het kader van Las Jornadas Gastronómicas de El Bierzo. Veel restaurants bieden in de maanden oktober en november menu’s aan waarin regionale producten verwerkt zijn, zoals de kastanjes, de lokale wijn, de paprika’s, de kersen, de goudrenetten, de conferencia peren of, natuurlijk, de botillo. Morgen hebben we na die vast zeer rijke maaltijd nog de hele regenachtige middag om spijs te verteren.
Nu is het nog heerlijk weer, al pakken dreigende wolken boven de bergen samen. Het uitzicht is werkelijk prachtig. Maar nu snel naar huis toe. Het is al half twee. Bijna etenstijd.
zondag 27 september 2020
Todo es mentira, dus don’t belive nothing
Ik had de leus Todo es mentira, alles is gelogen, al eens gelezen op een viaduct langs de snelweg, toen ik als bijrijder even verveeld mijn ogen had laten dwalen over het landschap. Het lijkt een variant van de klassieke paradoxen: Alle Kretenzers liegen, uitgesproken door de Kretenze filosoof Epimenides, of Deze bewering is niet waar. Ik had de leus in mijn geheugen opgeslagen om eventueel te gebruiken voor een Brief uit El Bierzo, waarbij ik het verschijnsel complottheorie zou aankaarten, maar heb dat uiteindelijk laten varen. Er circuleerden ook toen al veel absurde theorieën, maar die werden in elk geval in mijn directe omgeving niet vaak gedeeld.
Maar laatst, tijdens een korte wandeling door Ponferrada, volledig in het kader van de coronacrisis, dus met mondkapje en iedere passant zoveel mogelijk ontwijkend, stuitten mijn vrouw en ik op deze tekst:
Omdat het leraarschap me in het bloed zit, was mijn eerste neiging om de fouten te verbeteren, maar ik had geen stift bij me. Met mijn telefoon maakte ik een foto van de tekst om er nu wel een Brief aan te wijden, want de tijden zijn veranderd. Er is immers een pandemie gaande, waarbij de gekste dingen beweerd worden over bijvoorbeeld Bill Gates of zendmasten. Ik heb, voor zover ik weet, geen kennissen die dergelijke onwaarschijnlijke theorieën aanhangen, maar wel heb ik vrienden in mijn reële en virtuele omgeving die de problemen rond het virus ontkennen of bagatelliseren. Op zich is dat vreemd genoeg, want de toestanden in de ziekenhuizen van bijvoorbeeld Madrid en Breda in het afgelopen voorjaar logen er bepaald niet om.
De mensen die tot deze groep van ontkenners of bagatelliseerders behoren, zijn niet zo gemakkelijk onder een noemer te brengen. Mijn onderburen van de rechts-populistische partij Vox hebben op het eerste gezicht weinig gemeen met Amsterdamse anarchisten, Berciaanse anti-vaccinisten en onverbeterlijke hedonisten uit zowel El Bierzo als Nederland, behalve misschien een hoge mate van stelligheid dat ze voorgelogen worden door de wetenschap, media en autoriteiten. ¡Todo es mentira! Don't belive nothing!
Dat de wetenschap niet altijd veel duidelijkheid geeft, schijnt de sceptici te sterken in het ontkennen van de problemen. Het al of niet gebruiken van het mondkapje is mooie illustratie van de onzekerheid. Niemand weet precies hoeveel zin het heeft om ze te dragen. In Nederland lijken weinig mensen ze te dragen, terwijl ik in Ponferrada echt niet de straat op kan zonder mijn mond en neus te bedekken. Zie ook deze mededeling die bij ons in het portaal hangt, vooral bestemd voor onze rechts-populistische benedenburen, neem ik aan.
Twijfel is de kracht van de wetenschap. Door niets voor zeker aan te nemen en hooguit voorlopige conclusies te trekken kan het inzicht voortschrijden. In dat opzicht is het juist de door zoveel sceptici verguisde wetenschap die niets gelooft, maar er alleen vanuit gaat dat iets waar kan zijn tot het tegendeel bewezen is. Het zijn de ontkenners die stellig blijven geloven in hun eigen gelijk, ook al beginnen de ziekenhuizen weer vol te lopen met COVID-19-patiënten.
Overigens heb ik zelf, ondanks alle economische en medische problemen die zich voordoen, toch ook een zeker positief gevoel bij alle maatregelen die de Europese overheden treffen. Ik had een jaar geleden nooit gedacht dat men bereid zou zijn zo’n groot economische verlies te accepteren om de levens van kwetsbaren te redden. Het leven gaat boven het geld. Ik zal proberen dat positieve gevoel vast te houden, want het zal allemaal nog wel even duren.
maandag 31 augustus 2020
Een huishouden van Jan Steen
Ik heb er geen statistisch bewijs voor. Misschien is mijn vermoeden gebaseerd op een veel te kleine hoeveelheid waarnemingen. Een steekproef moet voldoende groot zijn, zo vertelde ik in een vorig leven mijn studenten bedrijfsstatistiek. En dan vergelijk ik ook nog twee zeer verschillende grootheden: een middelgrote stad in een kleine regio in het noordwesten van Spanje en de hoofdstad van Nederland. En bovendien baseer ik me op mijn persoonlijke contacten, wat niet bepaald een representatieve steekproef te noemen is. Het kan zijn dat ik vooral keurige Spanjaarden en studentikoze of volkse Nederlanders ken. Ook kan ik niet de mogelijkheid uitsluiten dat vooroordelen een rol spelen. Maar ik heb de indruk dat Spanjaarden, over het algemeen, in het huishouden veel netter zijn dan Nederlanders.
Hoe ik daarbij kom? Wel, tijdens eerste jaren van mijn verblijf in Ponferrada gaf ik privéles Engels aan huis en kwam ik bij nogal wat inwoners van over de vloer. Dat waren soms alleenstaanden, soms gezinnen met één of meerdere kinderen. Wat me daarbij opviel was dat velen een huishouden voerden waar werkelijk niets op aan te merken viel. Alles stond precies op zijn plek. Geen plukje stof was te bekennen. Je zou er van de vloer kunnen eten. Soms was ik zelfs bang om binnen te komen, zo schoon zag het eruit. Als ik uiteindelijk aan tafel zat, durfde ik me nauwelijks te bewegen uit angst de uitgebalanceerde ordening der dingen te verstoren.
Nou is het niet zo dat ik mezelf wat het huishouden betreft als representatief beschouw voor alle Nederlanders. Mijn vrijgezellenwoning in Amsterdam had een zekere reputatie. Ik maakte eigenlijk alleen schoon als er visite dreigde te komen. Dat duurde tot ik verkering kreeg met mijn huidige Spaanse vrouw. Toen zij voor de eerste keer bij mij zou komen logeren, had ik het donkerbruine vermoeden dat zij niet helemaal overtuigd zou zijn van mijn huishoudtheorieën, zoals stof verhoogt de lichamelijke weerstand en de douche houdt zichzelf wel schoon. De dag voor haar komst besteedde ik maar liefst een hele middag aan het schoonmaken van met name de douche, die zijn best had gedaan mijn theorie onderuit te halen.
Maar ook als ik kijk naar de huishoudens van mijn Amsterdamse vrienden en familie zie ik een opvallend verschil met Ponferrada. In Nederland liggen her en der kranten of tijdschriften op de tafels en de bank, als er kinderen zijn ligt er overal speelgoed op de vloer, stoelen staan schots en scheef, vaak staat er nog een halfvolle fles wijn op tafel en schotels vol kruimels. Hier in Ponferrada zie ik van dat alles weinig. De tafels zijn afgeruimd en schoon met een klein stapeltje speciaal geselecteerde tijdschriften of boeken erop, het liefst over design, binnenhuisarchitectuur of leefstijl, en zelfs de kinderkamers zien er piekfijn verzorgd uit.
En waar voel ik me nu het meest thuis, nu ik alweer meer dan elf jaar in El Bierzo woon? Het spijt me, beste Bercianen, maar één van mijn theorieën is nog steeds stevig gefundeerd: rommelig is gezellig. Het hoeft echt geen huishouden van Jan Steen te zijn, maar willen jullie alsjeblieft als ik op visite kom in elk geval een paar kranten her en der in de huiskamer neerleggen en ten minste één vuil koffiekopje op de tafel laten staan zodat ik me thuis voel? Dan zal ik, als jullie bij ons langskomen, daadwerkelijk stof afnemen en de enkele magazines met mooie kleurenfoto’s van ideale interieurs netjes opgestapeld op de salontafel leggen.
zondag 2 augustus 2020
De Slapende Vrouw
dinsdag 23 juni 2020
Ik vond het leuk!
‘¿Wat is de bijzonderste vakantie-ervaring die je ooit hebt meegemaakt?’
Terwijl ik over het antwoord nadenk, kijk ik naar de roodgekleurde lucht boven de bergen. De merel beneden neemt met een lied vol nostalgie afscheid van alweer zo’n mooie dag. Nog steeds niet zeker van mijn antwoord neem ik een slokje van die heerlijke lokale wijn. Eigenlijk zou dit moment zelf in aanmerking komen, maar ik ben niet op vakantie. Ik woon hier.
‘Ik denk dat dat de treinreis was van Barcelona naar Vigo in 1983.’
‘¡Maar dat was zonder mij!’
Ze zegt dit met speelse verontwaardiging.
‘Zonder jou, maar onderweg naar jou. Een paar dagen later zouden we elkaar immers leren kennen, daar op die camping aan de Atlantische kust.’
Wat maakte die treinreis tot een onvergetelijke vakantie-ervaring? We waren samen aan het interrailen, mijn vriend Wybe en ik. Toen onze Catalaanse vrienden ons vertelden dat er een groot feest gaande was in Pamplona en dat we beslist ook naar Galicië moesten gaan, aarzelden we geen moment. We namen de nachttrein van Barcelona naar Pamplona. Het was zeker een gedenkwaardig moment toen wij om zes uur ’s morgens met onze rugzakken het station van Pamplona uitliepen en in een feestvierende menigte terecht kwamen. We hielden het daar vier dagen vol. Toen besloten we om gezondheidsredenen het feestgedruis ter ere van San Fermín te verruilen voor de rust van de Galicische kust.
De trein naar Vigo was best vol en we hadden geen zitplaatsen gereserveerd. Maar de conducteur kwam met een oplossing. In elk station stapten wel weer reizigers uit en in, dus we konden altijd wel ergens zitten, maar steeds op andere plaatsen. En dat was geweldig. We zaten meestal niet naast elkaar waardoor we gedwongen waren om met de paar Spaanse woorden die we kenden te converseren met de passagiers die bij toeval naast of tegenover ons zaten. Dat waren mensen uit alle streken van Noord-Spanje. We werden langzamerhand zelf een toeristische attractie. Bij elk station riep er wel iemand: ‘¡Eens kijken waar die jongens nu weer terecht komen!’ Tijdens die treinreis kwam ik tot drie belangrijke conclusies. Ik zou Spaans gaan leren. Spanje zou voortaan mijn vakantieland worden. En de volgende keer moest ik meer schone T-shirts meenemen op vakantie.
‘¿Je hebt daarna die reis nog een paar keer gemaakt, toch?’
‘Zeker, maar het was nooit meer zo speciaal. Misschien omdat ik voortaan een zitplaats reserveerde. En de tijden veranderden. Ik werd ouder en ook in het noorden van Spanje werd een guiri (bijnaam voor typische toerist uit Noord-Europa) een steeds gewoner verschijnsel. Maar die keer dat mijn gebrekkige Spaans tijdens zo’n reis tot een pijnlijk misverstand leidde, zal ik nooit vergeten.’
‘¡Vertel!’
Dat was een paar jaar later. Ik reisde alleen en nam de nachttrein van Barcelona naar Ponferrada. Toen ik ’s avonds instapte, zat er maar één andere passagier in de coupée, een jongeman van ongeveer mijn leeftijd. We probeerden te converseren. Hij maakte me duidelijk dat hij wel eens in Amsterdam was geweest. Ik knikte hem enthousiast toe. Ik dacht even na over hoe ik hem kon vragen of hij het daar leuk had gevonden. Eén van de problemen van de Spaanse grammatica is dat de vraag Vind je het leuk? vertaald wordt met ¿Te gusta? waarbij het voorwerp dat je leuk vindt het onderwerp van de zin is, een beetje zoals in de zin Het bevalt me. Dat deel van de grammatica had ik inmiddels aardig onder de knie, maar helaas de verleden tijd van die constructie niet helemaal. Ik keek de jongeman aan en vroeg:
‘¿Te gusto?’
Hij werd een beetje zenuwachtig, merkte ik, en zei dat hij me niet begreep. Daarom herhaalde ik de vraag enkele keren waarbij ik langzaam en zo duidelijk mogelijk articulerend sprak.
’¿ T e g u s t o ?'
Het was op dat moment dat de trein stopte bij een station en, tot zichtbare opluchting van mijn medepassagier, een andere reiziger in onze coupée stapte. Later kwam ik erachter dat eigenlijk alleen de klemtoon fout was geweest. ¿Te gustó? zou betekend hebben: Vond je het leuk? ¿Te gusto? betekent: Vind je me leuk? En dat was blijkbaar niet helemaal het geval.
Ana moet hartelijk lachen om mijn anekdote. Ondertussen is het helemaal donker geworden. De stilte is weldadig. We schenken voor de laatste keer onze glazen vol en proosten op alle reizen die we gemaakt hebben en op alle reizen die we samen hopelijk na de coronacrisis nog gaan maken.
dinsdag 5 mei 2020
Dodenherdenking
Ga ik applaudisseren op het balkon? Dat doen we nu al zeven weken lang. Iedere avond. En we zijn gehecht geraakt aan dit ritueel. Het is dankbaarheid tonen aan al die mensen die doorwerken in deze barre tijden. Maar het is ook om samen met de buurtgenoten te zijn. Soms is er een gesprek, al gaat dat moeizaam met al dat geklap en de versterkte muziek. We mogen sinds dit weekeinde weer wat vaker naar buiten, maar voorlopig zal deze traditie nog wel standhouden denk ik.
Of ga ik vanavond de twee minuten stilte in acht nemen? Dat doe ik immers al mijn hele leven lang. Op 4 mei stilstaan bij de doden van de Tweede Wereldoorlog. Een enkele keer ging ik naar de officiële herdenkingen. Op de Dam in Amsterdam bijvoorbeeld. Het is indrukwekkend als zo’n mensenmenigte stil is. Je hoort opeens midden in de stad de merels zingen. Ook ben ik een paar keer naar de Noordermarkt in De Jordaan geweest; minder massaal maar zeker ook zo mooi. Maar meestal herdacht ik thuis of waar ik ook maar op dat moment bij toeval was. Dit jaar zal iedereen thuis herdenken. Massale bijeenkomsten zijn voorlopig niet mogelijk. Ik hoop dat deze traditie ook stand zal houden, nu de generatie die de oorlog werkelijk heeft meegemaakt bijna helemaal verdwenen is. Een ook de tweede generatie, waar ik toe behoor, begint aardig op leeftijd te raken.
Vaak heb ik me afgevraagd waarom er in Spanje geen dodenherdenking van de gevallenen van de Spaanse burgeroorlog wordt gehouden. Maar zeker sinds ik hier woon, weet ik het antwoord. De burgeroorlog is nooit echt verwerkt. Dat is bij een burgeroorlog misschien veel moeilijker. Er is ook niet een duidelijke bevrijdingsdag. Het einde van de burgeroorlog was het begin van de Franco-dictatuur, met alle ellende van dien.
Een officiële herdenking van de burgeroorlog zou hier onmiddellijk leiden tot discussies vol verwijten en beschuldigingen tussen links en rechts. Dat werd al duidelijk toen voor de slachtoffers van de terroristische aanslag in Madrid van 11 maart 2004 vele jaren twee herdenkingen moesten worden gehouden: die van rechtse en die van linkse organisaties. Ook heeft het wel heel lang geduurd voordat eindelijk het Franco-monument El Valle de los Caídos min of meer werd ontmanteld door de regering van Pedro Sanchez. Dat gaf aanleiding tot een stroom van protesten van de rechterzijde. Eigenlijk is dat onbegrijpelijk. Moderne rechtse partijen moeten toch duidelijk maken dat ze niets te maken hebben met Franco of welke dictatuur dan ook. Je kan je toch niet voorstellen dat Merkel zich sterk zou maken voor het behoud van een Hitler-monument? Het had volgens mij beter geweest als de rechtse regering Rajoy het monument had verwijderd. Dat zou zowel links als rechts hebben geaccepteerd. Daar was de tijd blijkbaar niet rijp voor.
Deze scheiding der geesten zie je ook terug in de reactie op de coronacrisis. Er is geen eensgezindheid. In de meeste landen scharen alle partijen zich achter de maatregelen van de regering. Hier niet. De nieuwe regering is ook wel wat kwetsbaar: voor het eerst een coalitieregering met maar net voldoende steun in het parlement. Veel politieke leiders lijken de coronacrisis al te beschouwen als onderdeel van hun verkiezingscampagne.
Maar het is bijna acht uur. Weet je wat? Ik ga naar het balkon en houd daar twee minuten stilte. En ga ik als een gek klappen om die twee minuten in te halen. De gulden middenweg
donderdag 30 april 2020
Ochtendgloren
‘Ik moet oppassen dat ik het gedwongen thuisblijven niet te veel ga waarderen,’ denk ik, terwijl ik koffie in het koffiezetapparaat stop. Door het keukenraam zie ik hoe het ochtendgloren langzaamaan de bergen hun kleur teruggeeft. Het moet daarboven nu prachtig zijn. Een lichte paarse gloed verraadt dat op de Montes Aquilianos de heide in bloei staat. En op El Pajariel vieren de dieren vast feest, zo zonder mensen. Dan gaat de wekker van mijn mobiele telefoon af. Met een zekere trots dat ik dit keer de machine verslagen heb, maak ik een einde aan het geluid. Stilte is soms zo mooi. De merel beneden lijkt het er niet mee eens te zijn.
De rest van de dag zal ik afhankelijk blijven van de moderne technologie. Ik heb deze morgen een vroege les via Skype. De laatste zeven weken heb ik alleen maar online gewerkt en, eerlijk gezegd, ook dat aspect van de coronacrisis bevalt me prima. Bijna elke ochtend geef ik les aan een Chinees uit Den Haag, die binnenkort een inburgeringsexamen moet doen. Vaak sluit ik de les af met de vraag wat hij die dag gaat doen. ‘Ik ga hardlopen in het park,’ is dan meestal het antwoord. Ik weet niet zeker of hij dat echt iedere dag doet of dat het gewoon een van de weinige zinnen is die hij foutloos kan zeggen. In elk geval voel ik altijd een scheutje jaloezie door me heen gaan. Hier is hardlopen of zelfs wandelen nog verboden. Maar vandaag ga ik hem zeggen: ‘Misschien ga ik dat zaterdag ook wel doen.’ Want vanaf die dag mogen we eindelijk weer een stukje lopen zonder boodschappentas in de hand.
Ondertussen is ook Ana wakker geworden. ‘¿Is er nog koffie?’ vraagt ze slaperig. Ik schenk haar zwijgend een mok koffie in. Zij moet werken, maar doet dat wel thuis. We hebben het gezellig samen, ieder met onze taken maar met voldoende tijd voor gesprekjes bij een kopje koffie. En daar komen soms mooie dingen uit voort. De lichte verveling van het thuisblijven stimuleert de creatieve dadendrang. Zo besteden we best veel tijd aan het uitzoeken van de muziek voor onze zaterdagse dansavonden via Zoom. Ook hebben Ana en ik samen een stukje voorgedragen uit Eréndira van Gabriel García Márquez voor een Facebookpagina waarop iedereen voor de camera literaire teksten voorleest. Dat was een geweldig initiatief van onze buurman Vecino. (Vecino is zijn achternaam, maar betekent ook buurman in het Spaans: buurman Buurman). Voor het project Poemas desde mi ventana (gedichten vanuit mijn raam) droeg Ana een gedicht van García Lorca voor, Pequeño vals vienés, waarbij ik met de gitaar wat driekwartsmaten speelde. En ik hoop dat de buren me vergeven dat ik een paar keer op het balkon een lied heb opgenomen, zoals deze: No me aburro. Mochten sommige mensen overigens denken dat ik vals zing, dan komt dat doordat die merel van beneden er doorheen zit te krijsen. En de kerkklokken zijn ook niet gestemd.
Hoe zal het leven zijn als dit allemaal voorbij is? Gaan mensen gewoon weer naar hun kantoren toe, of blijven ze thuiswerken? Gaan wij zelf door met onze pretentieloze creatieve projectjes? Zal de lucht boven Ponferrada net zo helder blijven als nu en zal de merel volgend jaar weer voor ons komen zingen? Dat zijn de kwesties die we deze morgen bespreken terwijl we ontbijten.
dinsdag 31 maart 2020
Beste Wopke,
woensdag 25 maart 2020
Liefde in tijden van covid-19
We hebben het vaak over het virus, vanzelfsprekend. We zijn, nu mijn vrouw thuis werkt, de gehele dag samen, dus we weten exact wat de ander heeft gedaan, doet of gaat doen. De enige mogelijke wandeling is naar de supermarkt in de straat, maar uitgebreide gesprekken over dat thema hebben we niet, nu we aan de rij wachtende mensen op straat, elk op twee meter afstand van elkaar, gewend zijn geraakt. Zelfs het toiletpapier is geen gespreksonderwerp meer, nu de ergste dagen van het hamsteren achter de rug lijken te zijn.
En dus gaan onze conversaties tijdens het uitgebreide Spaanse middageten en het net iets minder uitgebreide avondeten vaak over wat we gelezen hebben in de digitale kranten en de sociale media. Uit deze crisis blijkt eens te meer hoeveel de mensen in de wereld, ondanks de culturele en politieke verscheidenheid, in wezen op elkaar lijken. Maar niet iedereen is even goed in staat om de politieke onenigheden opzij te zetten in deze tijden van covid-19. Steeds minder wordt het gevaar van het virus gebagatelliseerd, maar er zijn nog zat verontwaardigde medemensen die de behoefte voelen om iemand de schuld te geven, zoals aan de immigranten, de kapitalisten, de feministen1, de neoliberalen, de geheime dienst van China, de geheime dienst van de Verenigde Staten, de huidige linkse regering van Spanje, de laatste rechtse regering van Spanje, de koning van Spanje2, Pablo Iglesias3 of Batman.
De politieke verdeeldheid lijkt hier in Spanje groter dan in Nederland, waar, volgens mij, alleen de rechtse populisten wat stennis maken. Hier vindt er een heuse strijd plaats tussen de gemeente Madrid, in handen van een rechtse coalitie, en de centrale regering, in handen van een linkse coalitie, over de verdeling van medische hulpmiddelen. Ook tekenend was dat tijdens de toespraak van de koning over de crisis in Spanje sommige mensen het balkon opgingen om op pannen te slaan, een heuse cacerolada. Zoiets zou in deze tijden in Nederland toch ondenkbaar zijn.
Met afgunst zie ik alle foto’s en berichten van mijn Nederlandse vrienden voorbijkomen. Daarginder kunnen de mensen gewoon naar buiten voor een wandeling, een fietstochtje of een stukje rennen. Hier is dat absoluut verboden, zelfs al ga je helemaal alleen. Er lopen hier en daar zelfs militairen op straat om dat tegen te gaan. Ik kan alleen maar vanaf mijn balkon verlekkerd kijken naar mijn favoriete berg El Pajariel, waar alle dieren niet zullen weten wat ze overkomt. Er zijn nergens mensen!
Maar de grote vraag is natuurlijk: wat gebeurt er straks na de gezondheidscrisis. Een economische crisis lijkt onvermijdelijk. Ik hoop dat deze dit keer niet vleugels geeft aan allerlei nationalistische bewegingen, want dat is in het verleden niet altijd even goed afgelopen. We moeten de handen ineenslaan in Europa en in de hele wereld, om onze ervaring, onze kennis en onze rijkdom delen. Er is veel werk aan de winkel en dat moeten we doen vol overgave. Met solidariteit. En met liefde. En dan gaan we allemaal heel veel voor elkaar applaudisseren.
1 Vanwege de demonstratie op vrouwendag van 8 maart in Madrid
2 Het klinkt misschien gek maar deze video heeft als titel: de koning heeft de schuld.
3. Pablo Iglesias, de leider van de linkse partij Podemos en huidige Minister van Sociale Zaken. Hij woonde lijflijk een bijeenkomst bij, ondanks dat zijn vrouw positief was bevonden bij covid-19-test.



























